Buiten het spelen bestaat er voor Mary Dresselhuys niets

Herhalingen op 24-2 en 10-3.

Het scenario dat we zouden schrijven, kreeg als titel: 'De bleke sigarenmakersdochter'. De inspiratie voor die titel was heel los: het vakantiedorp waar wij waren neergestreken, was tamelijk uitgestorven in de winter. Maar schuin tegenover het huis dat we gehuurd hadden, stond een somber stenen huis waarin een eenzame man een handel dreef in rookwaren, snoepgoed en tijdschriften. Het huis, gelegen aan een verlaten kruispunt van wegen, leek ons de meest voor de hand liggende lokatie voor onze film, en wij fantaseerden een dochter van de man, die bleek en vast diep ellendig daar achter de luiken van de bovenverdieping in een van die ongetwijfeld holle kamers een verdrietig leven zou leiden. Een van de meisjes in ons gezelschap leek voor die rol geknipt, en zonder verdere discussie lagen de titel en de hoofdrol van onze film vast.

De week verstreek. We wandelden veel in de bossen rond het dorp. Als we het kruispunt passeerden, spraken we over de film die we gingen maken. Toen gingen we terug naar huis. Over de bleke sigarenmakersdochter hadden we het nog maar zelden, totdat ze geheel uit onze gesprekken verdween. Maar deze week stond ze ineens voor me, in levenden lijve, en ze was heel anders dan wij ons hadden voorgesteld. Bleek was ze niet; integendeel, ze had zachtroze wangetjes, en in plaats van twee fletse, droeve ogen keken onverschrokken donkerbruine ogen priemend de wereld in. Ze was ook een heel oude sigarenmakersdochter: negentig jaar. Maar ze was het onmiskenbaar: Mary Dresselhuys, telg uit een Tiels tabaksfabrikantengeslacht. 'Alle Dresselhuyzen zitten in de tabak', vertelde ze aan Paul Haenen op een toon alsof alleen een gek aan die waarheid zou kunnen twijfelen, net zoals aan haar uitspraak dat ze zelf haar leven lang geen sigaret had aangeraakt. Dit, gevoegd bij het feit dat ze pas op haar veertigste haar eerste glas wijn gedronken had, was er ongetwijfeld de oorzaak van (en bij het vertellen van deze wijsheid keek ze ongewoon streng de zaal aan) dat ze nu gezond en wel de leeftijd van negentig jaar had bereikt.

Paul Haenen was de entertainer op een feestje, dat de negentigjarige deze week werd bereid in het Nieuwe de la Mar-theater in Amsterdam. Mevrouw Dresselhuys was zelf veruit het meest aan het woord: zittend op, of staande tegen een klein keukentafeltje las zij verhalen voor waarin ze herinneringen ophaalde aan haar toneelcarrière van bijna zeventig jaar. Met Haenen en zijn 'vingercamera', bekend van zijn tv-programma's, bekeek ze kiekjes uit het familiealbum en toneelfoto's. Het publiek schitterde, niet door de aanwezigheid van enorm veel bekende Nederlanders uit de tv- en toneelwereld, maar door een grote schare van hartstochtelijke Dresselhuys-fans, van hoogbejaard tot piepjong.

De zaal zinderde van genot bij haar herinneringen: van haar eerste toneelauditie in 1929 bij Cor van der Lugt Melsert tot een barre winterdag in de jaren vijftig toen ze na een dag tv-opnamen 's avonds nog moest spelen in Almelo. Haar beschrijving van die voorstelling is het naoorlogs monument van het toneelschmieren in de provincie: doordat Mien Duymaer van Twist haar foeilelijke bruingeblokte Olie B. Bommel-sjaal domweg over haar kostuum aanhield, raakten de anderen in een kramplach die die avond niet meer ophield. Het fascinerende in elk verhaal dat Dresselhuys vertelt, is dat zij in elke oogopslag, in elk woord wat ze spreekt, de actrice pur sang is.

Ze is, kun je zeggen, de absolute actrice van deze eeuw geweest. Alle vernieuwingen die zich tijdens haar leven in het toneel hebben voorgedaan, heeft ze minzaam en met zichtbaar dédain aan zich voorbij laten gaan. Ze is altijd gewoon zichzelf gebleven: de pure vakvrouw die al op haar vijftiende bij het zien van Louis Bouwmeester in de Haagse dierentuin precies zag wat er aan de voorstelling schortte. Haar professionaliteit is indrukwekkend, maar in zijn monomane karakter ook benauwend. Als ze vertelt over de oorlogsjaren, lijkt een Kultuurkamer niet bestaan te hebben, alleen de ongemakken die het oplevert 's nachts met de posttrein van Groningen via De Bilt naar Amsterdam te moeten en dan, omdat er geen taxi's zijn, te moeten lopen naar het Merwedeplein.

Leven en spelen vallen voor Mary Dresselhuys volkomen samen. Haar verhaal over een tournee naar Indonesië in 1947 om te spelen voor de Nederlandse troepen daar, is een bonte geschiedenis over het eten van boerenkool met fletse worstjes uit blik en een nachtelijke tocht door Batavia langs de stalletjes van een avondpasar. Dat je daarvan niet eten mag en dat zij dat met haar collega's toch en uitbundig doet, dat is haar theatrale leven. Dat Jakarta op dat moment een stad in oorlogstijd is, en dat het beslist gevaarlijk is kilometers ver weg het centrum uit te wandelen, is een voor haar niet bestaande realiteit.

Als Wim Kan en Corry Vonk echt niet terug mogen naar het Leidseplein, moet Mary Dresselhuys maar na de herinrichting van het plein in een hoekje in steen worden neergezet, zodat ik zo vaak ik wil een blik kan werpen op de strakjes over de tanden getrokken bovenlip. En moeiteloos de ironie in haar deftige mevrouwenstem in mijn hoofd kan horen klinken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden