Buiten de cel wacht zijn hond

Prachtige vertelling van een alleskunner

Jean-Christophe Rufin, een goede zestiger inmiddels, is allesbehalve een studeerkamerschrijver. Naast auteur is hij arts, historicus, activist en diplomaat, en in zijn vrije tijd ook nog eens bergbeklimmer. Hij behoorde in de jaren zeventig, met de latere minister van buitenlandse zaken Bernard Kouchner, tot de oprichters van Artsen zonder Grenzen, verrichtte humanitair werk in Ethiopië en Kosovo, was ambassadeur in Senegal, en dit alles - dat had u vermoedelijk al begrepen - onder heel veel meer.

Voor zijn roman 'Braziliaans rood' ontving hij in 2001 de belangrijke Prix Goncourt en in 2008 werd hij gekozen tot lid van de Académie française. Rufins verre reizen hebben verhalen opgeleverd die hij doorgaans als een echte verteller rechttoe rechtaan opschrijft in een onopgesmukte, directe taal.

In 2011 was hij, samen met een fotograaf, voor een reportage over de Arabische Lente in Jordanië, 'het enige land waar volstrekt niets gebeurde'. Om de tijd te doden vertelden de twee elkaar anekdotes. Een van de verhalen van de fotograaf ging over zijn grootvader, die als held uit de oorlog van 1914 terugkeerde, gedecoreerd met het légion d'honneur. Na afloop van de vijandelijkheden, tijdens een herdenkingsplechtigheid, beging de man in een dronken bui een onvergeeflijke daad die hem voor het gerecht en in de gevangenis deed belanden, en die Rufin bijna een eeuw later aanzette tot het schrijven van tot deze mooie (anti-)oorlogsroman.

Om de kleine, maar markante anekdote heen heeft de schrijver een prachtig opgebouwd verhaal geweven, dat leest als een superieure thriller, en soms aan de romans van Simenon doet denken. Veel van het leesplezier is te danken aan de wijze waarop het plot zich ontvouwt, en daar mogen we dus niet al te veel van onthullen.

Het verhaal speelt zich af in een provinciestadje in het hart van Frankrijk, kort na de Eerste Wereldoorlog. De bajes telt er maar één klant: de jonge, gedecoreerde oorlogsveteraan Jacques. De ritmeester Lantier, die op afzwaaien staat, heeft als opdracht om de toedracht van het incident tijdens de plechtigheid te achterhalen. Buiten het gebouw blaft tot gekmakens toe de hond van Jacques' oude vriendin Valentine, met wie hij een zoontje heeft. Het dier is samen met Jacques de oorlog in gegaan, en hem gevolgd tot aan het front bij de Griekse stad Thessaloniki. De soldaten van beide partijen waren op dat moment al moegestreden en probeerden kleine verwondingen op te lopen om zo aan het verdere oorlogsgeweld te ontsnappen. Lantier herinnert het zich uit eigen ervaring: "Een jonge bakkersknecht was twee vingers kwijtgeraakt door met zijn arm boven de loopgraaf te zwaaien, tijdens een nachtelijke wacht. De linies lagen heel dicht bij elkaar. Een andere stakkerd, aan de overkant, die wellicht doorhad wat hij wilde, had geschoten. Het was een onverkwikkelijke zaak, maar als overste van de sectie had er voor Lantier niets anders op gezeten dan de knaap naar de krijgsraad te sturen."

Ook Jacques was het krijgsbedrijf beu, en Lantier, die steeds meer sympathie kreeg voor Jacques en steeds meer begrip voor diens pacifisme, ontdekt dat de beslissende rol die de Jacques speelde bij een aanval op de stellingen van de Oostenrijkers en Bulgaren, en die hem zijn status van oorlogsheld opleverde, op een tragikomisch misverstand berust, waarin de hond een doorslaggevende rol heeft gespeeld.

Het is een prachtig en ontroerend, vaak zelfs meeslepend verhaal. Mede daarom is het wat jammer dat Rufin wel een vaardig verteller, maar geen groot stilist is. Hij hult zijn verhaal in een gewoon confectiepak in plaats van in een mooi afkledend maatkostuum. Zo schrijft hij over een raam 'dat druppelsgewijs een kil, melkachtig licht in de duisternis liet vallen'. Wat ik mij bij druppelend licht moet voorstellen, zou ik niet weten.

Ook de vertaalster, die toch regelmatig mooi werk afleverde, was ditmaal minder in vorm, en is regelmatig net niet precies genoeg. Men is, in haar woorden, verplicht onder te duiken (in plaats van: gedwongen), de duikbootoorlog heet 'de onderzeese oorlog', autoriteiten heten 'gestelde machten', en zij bezondigt zich nogal eens aan gallicismen zoals 'de officier gaf hem teken (in plaats van: beduidde hem) te zwijgen'. Bij een zo lekker weglezend boek is dat toch een beetje jammer.

Jean-Christophe Rufin : De rode halsband (Le collier rouge). Uit het Frans vertaald en van een nawoord voorzien door Katelijne De Vuyst. De Bezige Bij, Amsterdam/Antwerpen; 222 blz. euro 19,99

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden