Review

Brussel was ooit een grandioze stad

Geert van Istendael, Arm Brussel. Uitg. Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 1992, 252 blz. - f 34,90.

De BRT-journalist Van Istendael, die enkele jaren geleden in 'Het Belgisch labyrinth' een indringend beeld gaf van de paradoxen van de Belgische staat, geplaagd door verdeeldheid, incompetentie en corruptie, beweent in dit boek de teloorgang van wat ooit een grandioze stad moet zijn geweest.

Van Istendael houdt van Brussel, en geeft aan die liefde lucht in brede, soms wat bombastische Brabantse retoriek. Hij zoekt en vindt de verborgen rijkdommen van een stad die altijd al het ontmoetings-, en dus ook het botsingspunt geweest is van verschillende culturen, die eeuwenlang het strijdperk heeft gevormd van conflictieve talen, de lusthof was van vreemde heersers, en zich sinds december eindelijk de definitieve vestigingsplaats van de Europese Commissie mag noemen.

Maar voor dat alles heeft Brussel een prijs moeten betalen. De stad heeft zich mooi gemaakt voor al die buitenlandse vorsten, maar altijd ten koste van het eigen verleden, zo noteert van Istendael in het begin van zijn boek. Ze mag dan de doorgangspoort zijn geweest tussen de Franse en de Nederlandse wereld, de pijn van de taalstrijd schrijnt al eeuwen en Van Istendael wijdt er vele, bittere bladzijden aan. En de naam van de stad mag vandaag dan op vele lippen liggen, zelden heeft dat Europese synoniem een positieve klank, terwijl Brussel zelf zucht onder het gewicht van haar internationale instellingen.

Van Istendaels boek is een liefdeszang, een elegie en een tirade tegelijk. Als lofzang op Brussel zal het zelden overtroffen zijn, en zelfs getuigen van een zekere moed: maar zelden durft iemand openlijk liefde voor de stad te betuigen. Als elegie kan het weinig anders dan sympathie en instemming oproepen. En daaraan koppelt zich direct de tirade: de woede tegen de bestuurders, de almacht van de EG en vooral de projectontwikkelaars, die Brussel tot het verdriet van Belgie en Europa maakten. Het prachtige, in nostalgische science-fiction gegoten stripverhaal 'Brusel' van Schuiten en Peeters (Castermann, F 39,95) heeft dat recentelijk nog eens uitgetekend in een verbeelding die de werkelijk angstwekkend dicht nadert.

Toch lijkt Van Istendael in zijn woede de verantwoordelijkheid niet altijd daar te leggen waar ze thuishoort, en zich te gemakkelijk te laten meeslepen door een vox populi en politicae die niet altijd onschuldig is: bij 'Europa'. Vooral in de verkiezingstijd van de negentien Brusselse deelgemeenten doen de schimpscheuten het goed: Europa usurpeert Brussel en maakt de stad voor haar bewoners onleefbaar en onbetaalbaar. "Dit Europa moet uit Brussel weg" , schrijft Van Istendael onomwonden.

Zondebok

Voor plaatselijke politici is de EG een volmaakte zondebok. Tenslotte: haar ambtenaren stemmen niet, en de animositeit onder de bevolking laat zich graag mobiliseren. Gemakshalve verzwijgt men dat diezelfde hoge huren veelal ten goede komen aan die - vaak heel gewone - Brusselse huiseigenaren die daarop niet zelden hun pensioen hebben gebouwd.

De nachtmerrie die Brussel te wachten zou staan wanneer de EG daadwerkelijk uit de stad zou vertrekken - en veel 'Eurocraten' zouden haar graag inruilen voor een dynamischer en kosmopolitischer metropool - laat zich enigszins aflezen aan de paniek die Bonn beving bij de dreigende overplaatsing van de Duitse regering naar Berlijn. De vreugde van Belgische en Brusselse bestuurders, toen de stad op de valreep van het afgelopen jaar werd aangewezen als de definitieve vestigingsplaats van de Europese Commissie, was dan ook ongeveinsd.

Zonder de EG zou Brussel vandaag de dag waarschijnlijk niet meer zijn dan een failliete provinciestad, zoals Luik of de eigen deelgemeente Schaarbeek. Bij gebrek aan belangrijke en rendabele industrieen moet de stad het grotendeels hebben van de dienstensector, naast uiteraard de talrijke Belgische overheidsinstellingen.

Zo'n 20 000 Belgen zijn momenteel min of meer direct van de EG afhankelijk: meer dan het totale aantal Eurocraten dat de stad herbergt. Het aantal dat daarvan indirect vruchten plukt (huisbazen, middenstanders en hun personeel) is ongetwijfeld nog vele malen groter. De hele economie van de stad is op de aanwezigheid van internationale organisaties (EG, Navo en hun lobbies) ingesteld.

Barbarij

Dat laat onverlet dat de EG aanleiding is geworden tot grote architectonische barbarij, waarvan het nu in aanbouw zijnde 'Europees kwartier' een laatste voorbeeld is. Beter was dat ergens buiten de stad neergezet, zoals in Luxemburg en Straatsburg, maar de nabijheid van andere EG-gebouwen zou voor de huidige vestiging de doorslag hebben gegeven. Opmerkelijk genoeg is echter geen van deze gebouwen, ook niet het beroemde Berlaymont (dat momenteel wegens asbestgevaar leeg staat), ooit eigendom van de EG geweest. Dertig jaar lang zijn alle gebouwen gehuurd. De verwevenheid van de Belgische politiek met dit soort transacties is berucht, zo geeft ook Van Istendael volmondig toe, en dat zal ongetwijfeld mede reden geweest zijn voor zoveel politieke opluchting, eind vorig jaar.

Maar daarmee ligt de verantwoordelijkheid voor Brussels verloedering wel terug waar deze in de eerste plaats hoort te liggen: bij de eigen bestuurders, politici en potentaten. Van Istendael erkent die verantwoordelijkheid wel, maar trekt ze niet consequent door, wat tegen de achtergrond van 'Het Belgisch labyrinth' nogal verwonderlijk is.

Dat de Belgische financiele en machtspolitiek op zijn zachtst gezegd ondoorzichtig en suspect is, mag een publiek geheim heten. Toch fulmineert van Istendael even hard tegen het Europees 'Washington-aan-de-Zenne' als tegen het 'Sicilie-aan-de-Zenne', dat al ver voor de EG met de systematische destructie van de stad begonnen was. Het kon daarbij gemakkelijk profiteren van de urbanistisch ultra-liberalisme in Belgie, dat ook rond de Antwerpse Groenplaats zulke diepe wonden geslagen heeft.

Wel heel gemakkelijk maakt Van Istendael het zich wanneer hij in zijn verontwaardiging zelfs de Europese landbouwpolitiek in stelling brengt, inclusief een verondersteld 'Brussels' verbod op de traditionele Camembert. Men hoeft het met die landbouwpolitiek niet eens te zijn - al heeft Van Istendaels rurale alternatief nogal romantische trekken -, met de teloorgang van het Brusselse straatbeeld heeft ze in ieder geval weinig van doen.

Van Istendael bedient zich hier van de ongenuanceerde kunstgrepen die bij een smaadschrift horen, maar eerlijk gezegd zijn zijn lofzang en elegie mij liever. Alleen al door de loutere omvang van het boek zou 'Arm Brussel' het genre van het pamflet moeten ontstijgen. Dan is een uitgewogener oordeel van node en zou Van Istendael ook gemakkelijker zijn eigen inconsequenties kunnen toegeven.

Want sprekend over het wonderschone Park van Brussel en de omgevende huizenrijen, moet ook hij toegeven dat voor al dat schoons ooit een hele stadswijk onder de zoden geschoffeld is. Het resultaat is prachtig, maar of de Van Istendaels van toen daar ook zo lyrisch over konden zijn is de vraag.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden