'Brussel moet terug op culturele kaart'

KunstenFESTIVALdes Arts, gedurende de maand mei op 17 lokaties in Brussel. Inl. en toeg.kaarten: tel 0032 2 223 23 00.

Sinds deze week heeft Brussel een internationaal kunstenfestival, het 'KunstenFESTIVALdes Arts.' Voor het eerst een programma met de allure van een Holland Festival, het festival van Avignon, de Weense Festwoche. Het duurt de hele maand mei, en omvat meer dan 130 theater-en dansvoorstellingen.

Als het aan Frie Leysen ligt, keert het festival jaarlijks terug. Een eenmalige evenement zou de spreekwoordelijke vlag op een modderschuit zijn, beaamt ze. “Brussel is een stad waar theaters staan te verkrotten. Waar je, anders dan in Londen of Parijs, niemand de weg kunt wijzen aan de hand van het dichtstbijzijnde theater of museum. Waar het heus wel aanwezige talent onzichtbaar blijft achter een 'mentale muur' tussen de verschillende gemeenschappen.” En waar de Nederlandse podiumkunsten zwaar onderbedeeld zijn.

Toen Leysen drie jaar geleden als directrice afscheid nam van het cultureel centrum DeSingel in Antwerpen, richtte ze haar aandacht op Brussel, niet alleen de hoofdstad van België, maar ook van Vlaanderen. Samen met Guido Minne, exdirecteur van het Vlaams Theater Instituut, publiceerde ze in 1992 een vernietigend rapport over de culturele stand van zaken in Brussel. Een paar citaten:“Het Vlaamse theater is op sterven na dood in Brussel, zowel kwantitatief als wat de diversiteit betreft.” En: “Er is amper een theateraanbod. Er wordt nauwelijks geproduceerd en even weinig gepresenteerd.” En: “De investeringen van de Vlaamse Gemeenschap (Vlaamse overheid) voor theater en dans bedragen nog geen vierde van die in Antwerpen of die van de Franse Gemeenschap in Brussel.” De nota eindigde met een pleidooi voor een groot kunstenfestival. Dat zou van Brussel 'een artistiek broeinest' moeten maken.

Leysen en Minnen rekenden uit, dat Franstalige Brusselaars tien keer zoveel voorstellingen in hun eigen taal konden bezoeken als de zogeheten Vlaamse Brusselaars, verdeeld over bijna zes keer zoveel produkties. De voor de hand liggende verklaring, dat de Nederlandstaligen in Brussel slechts een minderheid vormen (zo'n vijftien procent van het aantal inwoners), maakt op Leysen geen indruk. Ze wijst erop dat er per Nederlandstalige inwoner veel minder geld voor cultuur beschikbaar was en is, dan voor de Franstalige.

De (financiële) steun van de Vlaamse overheid voor het festival is voor haar het bewijs dat er eindelijk iets ten goede verandert. “We kregen direct de volle medewerking van de Vlaamse Gemeenschap. Zonder die steun was het festival nooit mogelijk geweest. De Franstalige Gemeenschap kwam pas veel later over de brug.” Aan dat laatste is het volgens haar te wijten, dat zelfs voor aandachtige krantenlezers in Brussel het festival min of meer uit de lucht kwam vallen. Pas enkele weken geleden kwam de publiciteit op gang; een enorm verschil met de stortvloed van informatie die 'Antwerpen Culturele Hoofdstad van Europa' in 1993 inluidde.

Van enige vergelijking met dit succesvolle evenement wil Leysen eigenlijk niets weten. Weliswaar heeft ze veel waardering voor Erik Antonis, de intendant die in Antwerpen de politieke druk weerstond en ruimte schiep voor hedendaagse kunsten. Maar 'Antwerpen '93' was haar toch teveel 'commercie, horeca, circus'. Leysen: “Het idee van de culturele hoofdstad komt uit de politiek. Europese ministers besluiten welke stad die titel mag dragen, en politici bemoeien zich met de uitwerking. Voor ons spelen alleen artistieke argumenten een rol. We mikken niet op honderdduizenden mensen, maar op zo'n 25.000. Een goed publiek is een publiek dat niet zomaar 'hoera' roept, zelfs uitgesproken kritisch is, en vooral nieuwsgierig naar het onbekende. We presenteren wel grote artiesten, maar het zijn niet allemaal 'grote namen'. We doen geen concessies om een groot publiek te bereiken.”

Dat zo'n benadering onvermijdelijk 'elitair' wordt genoemd, deert Frie Leysen niet. Met begrippen als pretentieus en ambitieus, die in de Belgische pers opduiken, heeft ze evenmin moeite. Maar ze spreekt zelf liever over 'een festival met allure.' Twee Nederlandse theatergezelschappen staan in het programma centraal: theatergroep Hollandia (met een Franstalige uitvoering!) en De Trust (met de Oostenrijker Werner Schab). Van eigen bodem presenteert het festival onder anderen de choreografen Anne Teresa De Keersmaeker en Wim Vandekeybus met nieuw werk.

Daarnaast wordt de aandacht gevestigd op de hedendaagse Chinese cultuur, in het bijzonder kunstenaars uit de steden Peking, Hong Kong en Taipeh. Volgens Leysen moet die programmering “de Europese arrogantie jegens andere culturen” doorbreken. Naar haar indruk is er in Europa weliswaar belangstelling voor andere culturen, maar alleen als die'aangepast zijn, geciviliseerd', of juist sterk afwijkend zijn, 'exotisch, folkloristisch'. Voor de befaamde Chinese acrobaten is in haar festival echter geen plaats. Ze heeft voornamelijk jonge kunstenaars uitgenodigd, in de hoop dat er mooie, liefst duurzame contacten met Europa uit voortvloeien.

Maar het festival is er toch vooral om de kloof tussen Frans- en Nederlandstaligen te overbruggen. Omdat, zoals een al tien jaar in Brussel wonende Amerikaanse zangeres in het dagblad De Standaard opmerkte, je in deze stad eerder 'een Chinees en een Afrikaan op èèn podium ziet staan dan een Vlaming en een Waal'. Leysen verzucht: “De Brusselaars gaan gemakkelijker naar Londen of Parijs, dan dat ze het andere taalgebied in hun eigen stad betreden. De mentale muur tussen de cultuurgemeenschappen is ongelooflijk. Daarom zetten we, heel bewust, een Waals gezelschap in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg, en treedt De Trust op in een Frans theater.” Bij een groot aantal voorstellingen is in een simultaanvertaling voorzien via een tekstprojectie of via een geluidsinstallatie.

Een 'verdrukte minderheid' wil Leysen de Nederlandstaligen in Brussel niet noemen. Ze is het eens met wat onlangs geconcludeerd werd op een congres van Brusselse Vlamingen: je wordt niet meer, zoals een jaar of tien geleden, uitgelachen of uitgescholden als je in een winkel of op straat iets vraagt in het Nederlands. De 'minoritaire status' van de Nederlandstaligen is wettelijk vastgelegd, de stad telt ruim twintig Vlaamse gemeenschapcentra, er zijn nieuwe podia gekomen. Maar volgens Leysen moest en moet er keihard voor geknokt worden: “Niks is evident. We kunnen het ons niet veroorloven weg te dommelen in een sofa.”

Met hun inspanningen hebben de Brusselse Vlamingen niet alleen zichzelf, maar de hele stad een dienst bewezen. Leysen: “Brussel is de laatste jaren veel te veel een administratieve en politieke hoofdstad geworden, van Vlaanderen, van België en van Europa. De stad lijkt wel èèn groot kantoorgebouw. Met het kunstenfestival willen we laten zien dat er mèèr is.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden