Brug naar 'de rooien' liet op zich wachten

De auteur is medewerker van het Parlementair Documentatiecentrum van de Rijksuniversiteit Leiden.

Laten we beginnen in de jaren 1901-1913. Kon in die tijd gesproken worden van een bondgenootschap tussen de drie liberale partijen (van een amalgaam van partijen was geen sprake) en sociaal-democraten? Dat was maar ten dele het geval en vooral tijdens de verkiezingen. En dat lag weer aan het kiesstelsel. Immers: in ieder district werd de kandidaat gekozen, die de absolute meerderheid haalde. Waren er drie of meer kandidaten en haalde geen de meerderheid, dan was een tweede ronde nodig tussen de twee kandidaten die in de eerste ronde de meeste stemmen hadden gehaald. De partij die was afgevallen, moest nu bepalen welke van de twee overgebleven kandidaten gesteund moest worden.

Bij de verkiezingen van 1905 leidden de anti-Kuyper-stemming (1903: Worgwetten!) ertoe dat de sociaal-democratische kiezers liever hun stem gaven aan een conservatief-liberaal dan aan een kandidaat van 'rechts.' Zo kreeg 'links' in 1905 dan ook een meerderheid in de Kamer.

In 1913 was de tegenstelling tussen socialisten en burgerlijk links ogenschijnlijk wat afgenomen. De drie liberale partijen hadden zich op een ad hoc-programma verenigd, dat zich beperkte tot twee punten (het 'hok' was zo klein mogelijk gehouden): invoering van algemeen kiesrecht en invoering van staatspensioen - twee punten die ook voor de SDAP van wezenlijk belang waren. Dat het programma zo beperkt was, kwam omdat er ook tussen de conservatieve Vrij-Liberalen, progressieve vrijzinnig-democraten en gematigde Unie-Liberalen verschillen bestonden.

Congres

Na de verkiezingswinst van links (de SDAP kreeg 18 zetels, de liberalen 37), trachtte de vrijzinnig-democraat Bos een kabinet met daarin drie sociaal-democraten te vormen. Op 19 juli 1913 besloot het partijbestuur van de SDAP met 13 tegen 8 niet deel te nemen aan de regering. Niet omdat men liever voor de revolutie koos, maar omdat men meende dat ook zonder hen de verwezenlijking van het algemeen kiesrecht en het staatspensioen mogelijk was. Toen daarover enige tijd later twijfel ontstond, werd op een buitengewoon congres, op 9 augustus 1913 in Zwolle, nogmaals vergaderd over de vraag of regeringsdeelname verantwoord was. Het antwoord luidde: neen. Belangrijkste argument voor de afwijzing was de overweging dat de sociaal-democraten niet mede-verantwoordelijk wensten te zijn voor alle daden van de overwegend burgerlijke regering.

Dat het liberale minderheidskabinet-Cort van der Linden, met gedoogsteun van de SDAP, veel tot stand bracht valt niet te ontkennen. Daarbij moet worden bedacht dat Cort van der Linden 'rechts' wist te winnen voor invoering van het algemeen kiesrecht door ook de onderwijs-kwestie op te lossen en dat de Eerste Wereldoorlog maakte dat de nationale gedachte de nationale geschillen ging overheersen.

Was daarmee de oude tegenstelling tussen arbeid (SDAP) en kapitaal (liberalen) voor goed van de baan? Vanzelfsprekend niet! Zeker niet wanneer we bedenken dat Nederland een verzuilde, conservatieve maatschappij was. Een maatschappij waarin de SDAP met haar opvattingen over de economische orde, de defensie en het koningshuis een buitenbeentje was.

Dan 1918. Links en rechts behaalden beiden vijftig zetels, maar rechts kreeg het voortouw bij de formatie. En er kwam ook een rechts kabinet. De r.-k. leider Nolens had daar direct op aangestuurd. Van het slaan van een brug naar de 'rooien' was geen sprake geweest. De Vrij- en Unie-liberalen (in 1921 zouden zij opgaan in de Vrijheidsbond) steunden het kabinet met name op financieel-economisch gebied, maar voerden ook op onderdelen oppositie.

De veronderstelling dat er met een iets andere verkiezingsuitslag een kabinet van liberalen en socialisten gevormd had kunnen worden lijkt mij dubieus. Op economisch en sociaal gebied lagen er grote tegenstellingen tussen beide groeperingen. De verschillen tussen 'rechts' en de liberalen waren, wederom met name op economisch gebied, veel geringer.

Toen in 1925 de rechtse coalitie ten val was gebracht. wilde formateur Marchant (VDB) een regering vormen met rooms-katholieken èn sociaal-democraten. Opnieuw stak Nolens daar een stokje voor. Interessant is dat die formatiepoging plaatsvond na de revolutiepoging van 1918. Voor de VDB was de SDAP alweer aanvaardbaar.

Er kwam dus een gemengd kabinet van christen-democraten en liberalen. Ook in 1933 werd een regering gevormd door christen-democraten, vrijzinnig-democraten en liberalen. Toen deze regering, het tweede kabinet-Colijn, in 1935 ten val was gebracht door de katholieken, strandde een poging om een kabinet met katholieken en sociaaldemocraten te vormen voor een belangrijk deel doordat de liberalen en vrijzinnig-democraten daar niet voor voelden. Zij hadden zich verbonden aan de colijnsiaanse bezuinigingspolitiek.

Na de Tweede Wereldoorlog gingen de progressieve vrijzinnig-democraten op in de PvdA. Een meer behoudende vleugel van de VDB onder leiding van Oud (minister van financiën in het tweede kabinetColijn) vormde met de conservatiefliberalen de VVD. Als logische voortzetting van het vooroorlogse beeld bleven de progressieve PvdA en de op financieel-economisch beleid conservatieve VVD tegenover elkaar staan. Tot 1994!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden