BROOZE LEVENDHEID

“Wat is de natuur eigenlijk? Wat willen we als we naar de natuur terug willen? Waarom voelen we ons verbonden met de natuur? Wat is heiligheid? Zijn we zo geschrokken van onze vrijheid dat we het mysterium tremendum terug willen?” De filosoof Theo de Boer vermoedt dat zij die hun mond vol hebben van natuur, stilletjes aan een tuin zitten te denken. “Ik heb wel eens iets gelezen over het oerwoud op Kalimantan. Ik vermoed dat degenen die nu met heimwee over de wildernis spreken, daar na enkele dagen huilend van ellende, opgevreten door insecten en gek van de geluiden, een goed heenkomen zouden zoeken - richting bewoonde wereld.”

THEO DE BOER

Al een jaar of vijf geleden ontdekte de toenmalige minister-president in een gesprek met Havel dat het in onze tijd om vragen van zingeving gaat. Na jaren van no-nonsense beleid leek dat een filosofische ommekeer. Maar heiligheid is een veel ruiger begrip dan zin. Bij heiligheid gaat het om schaudern en grauen (huiveren en ijzen, vrezen en beven) zoals Rudolf Otto schreef in zijn vermaarde boek over het heilige. We staan dan tegenover het mysterium tremendum en fascinosum. Moeten we daarnaar terug? Kunnen we daarnaar terug?

De schrijver van het boek Het principe verantwoordelijkheid, de filosoof Hans Jonas, die ook onze koningin heeft geadviseerd over de milieucrisis, vindt dat een eerherstel van de categorie van het heilige uitkomst zou bieden. Van hem is de uitspraak: 'We moeten weer vrees en beven leren en zelfs zonder God, de huiver voor het Heilige'. God is dood maar we hebben Hem nog wel nodig, althans zijn heiligheid. Alleen het ontzag voor het sacrale zou de natuur nog kunnen redden.

In zekere zin is het een stap vooruit als we over het heilige gaan nadenken. Er breekt zich een besef baan dat er meer aan de orde is in de verhouding tot de natuur dan de redenen van het verstand kunnen doorgronden. Wat is de natuur eigenlijk? Wat willen we als we naar de natuur terug willen? Waarom voelen we ons verbonden met de natuur? Wat is heiligheid?

Wat Jonas zegt spreekt mij aan voorzover ik de indruk heb dat de gangbare (modernistische) wijsbegeerte bij dit probleem met lege handen staat. De milieufilosofie leert ons dat we de natuur moeten leren zien als een 'intrinsieke waarde'. Intrinsieke waarde is eigenlijk een vreemd begrip. In het algemeen heeft iets waarde als het ergens toe dient, maar bij intrinsieke waarde gaat het om een 'waarde in zich zelf' die dus eigenlijk nergens toe dient, althans niet voor iets anders dan de natuur zelf. Eigenlijk wordt hier een begrip uit de antropologie mede van toepassing verklaard op de natuur.

Volgens de ethiek van Kant is de mens een doel in zich zelf en en mag hij nooit als instrument voor iets anders gebruikt mag worden. Zo zouden we nu ook de natuur moeten zien. De natuur is niet alleen maar een middel dat we mogen gebruiken voor onze doeleinden. Als dat niet mag, dan moeten we, net als bij de mens, vragen naar de grond van dat respect en daar weet de filosofie geen antwoord op. Reeds bij de mens weet zij dat niet. Waarom moet ik voor de medemens eerbied hebben? Omdat hij een vrij, autonoom wezen is, een doel in zich zelf? Waarom zou een autonoom wezen een gevoel van respect oproepen? Die vraag wordt eigenlijk nooit gesteld, laat staan beantwoord. Autonome wezens kunnen de gekste dingen doen, vooral ten aanzien van de natuur. Het lijkt mij een verlegenheidsoplossing intrinsieke waarde als bron van het respect voor de natuur op te voeren. Beschouw de natuur als doel in zichzelf, is de boodschap maar daarmee zegt men in feite niets - niets specifieks - over de natuur.

Kan terugkeer naar het sacrale uitkomst bieden? Hier moet terwille van de duidelijkheid van meet af aan vastgesteld worden dat wat zo fraai het mysterium tremendum genoemd wordt dat schaudern en grauen oproept, in de taal van menselijke verhoudingen gewoon terreur heet. Tegenover die Macht die ons onze nietigheid inpepert - ons 'Erde-, Asche-, und Nichts-Sein', aldus nog steeds Otto - hebben we nu juist onze autonomie moeizaam bevochten. Zijn we zo geschrokken van onze vrijheid dat we dat terugwillen? Waarom moet dat tremendum mij eigenlijk fascineren? Kan daar ooit iets goeds uit voorkomen? Als het heilige mijn voorbeeld is, mag ik dan zelf ook af en toe tremendum zijn en het medeschepsel laten sidderen?

We moeten ons realiseren dat het heilige niet los verkrijgbaar is. We kunnen niet de natuur heilig verklaren en verder gerieflijk doorleven. Bij een sacrale natuur hoort ook een sacrale natie. In een Noordiers tijdschrift las ik een artikel over de traditie van bloedige offers aan de godin Eire. De auteur betoogt dat ondanks de overgang naar het christendom het offeren aan de aarde in het nationaal geheugen bleef voortbestaan. Hij laat zien hoe Ierse dichters als Pearse, Plunkett and Mac. Donagh deze heidense motieven kritiekloos herhalen en zo bijdragen aan de wedergeboorte van de godin die bloed vraagt. Hij citeert regels waarin de dood van de dichter wordt gezien als seksuele hereniging met de aardegodin. Het lichaam vergaat en wordt tot een vlees met de grond. Als het bloed de godin bevrucht, herleeft de vegetatie. We vinden dat thema ook terug in de poëzie van Yeats:

'O plain as plain can be There's nothing but our own red blood Can make a right Rose Tree'.

(O het is zo klaar als wat niets dan ons eigen rode bloed kan een echte rozenboom maken)

De schrijver meent dat deze oeroude traditie niet uit het nationale karakter valt weg te denken: 'It has inspired some magnificent poetry and some heroic actions. But it is based on primitive barbaric ideas which are clearly false' ('Het heeft geïnspireerd tot schitterende poëzie en heroïsche daden. Maar het is gebaseerd op primitieve barbaarse ideeën en zonneklaar onwaar'). Hij wijst ook op het ambigue karakter van het offeren. Er is een dunne lijn tussen de heilige plicht voor Ierland te sterven en voor Ierland te moorden. 'Niets is onheiliger dan de heilige oorlog'.

Ook de opera Mozes en Aüron van Schönberg heeft ons er onlangs aan herinnerd wat resacralisering betekent. Het volk waardoor Aüron zich op sleeptouw laat nemen wil in beginsel drie dingen: Ordnung, moraal (de goeden moeten beloond en de kwaden bestraft worden) en tenslotte vooral zich opofferen (degenen die in feite geofferd worden blijken 'nackte Jungfrauen' te zijn, iets wat feministen die terug naar de natuur willen tot nadenken kan stemmen). Toch heeft Aüron wel sterke argumenten tegenover Mozes: hij weet dat deze religie tenminste iets uithaalt. Dit zijn de dingen die de mensen wensen. Uiteraard wil Hans Jonas dat niet. Maar wat bedoelt hij dan met 'heiligheid zonder God' en met 'vrees en beven'? Ik denk dat Jonas iets meer wil dan een abstracte filosofie over intrinsieke waarde. Hij zoekt iets dat mensen echt raakt. Is dat langs zijn weg te vinden?

Misschien zit er iets in dat de moderne mens, als een eerste stap, zijn angst voor de natuur moet terugvinden. Pascal heeft over het heelal opgemerkt dat het eeuwige zwijgen van die oneindige ruimten hem schrik aanjaagt. Uit veel beschouwingen over de natuur en het 'terug naar de natuur' krijg ik de indruk dat de auteurs bij 'natuur' impliciet aan een tuin denken. We moeten haar echter veel ruimer zien. De natuur is in de eerste plaats het heelal. Dat wil zeggen de miljarden sterren in onze melkweg en de miljarden melkwegstelsels waar het onze er een van is (het heelal is nogal groot). Wat zou men anders kunnen voelen dan 'huiver' bij het denken aan die eindeloze energieën die doelloos - inderdaad 'autonoom' - door de ruimte razen. De natuur is ten tweede de woeste natuur op onze planeet: dreigende wateren, ondoordringbare oerwouden, ontoegankelijk hooggebergte. Ik heb wel eens iets gelezen over het oerwoud op Kalimantan. Ik vermoed dat degenen die nu met heimwee over de wildernis spreken, daar na enkele dagen huilend van ellende, opgevreten door insecten en gek van de geluiden, een goed heenkomen zouden zoeken - richting bewoonde wereld. Dat is nog iets anders dan een nachtje ratelen in een duinpan.

Over de woedende baren hoef ik Nederlanders, levend onder de zeespiegel, niets te vertellen. Het zijn de dijken die ons een gevoel van veiligheid geven maar de dreiging blijft voelbaar als we verder kijken dan het behaaglijke terrasje met uitzicht op het water.

In een gedicht van Wallace Stevens, De idee van orde te Key West, komt een 'bleke Ramon' voor, die bij het vallen van de avond zijn blik laat dwalen over de masten, de bakens en de lichtjes en de genius van de zee geheel is vergeten. Deze bleke Ramon is doof geworden voor 'the dark voice of the sea', voor de 'onmenselijke' kreet van 'de ware oceaan'. Maar de dichter Nijhoff ziet achter de schepen en vuurtorens de strijd. In De soldaat en de zee bekent hij:

Ik weet dat ik pas werd bevrijd door vuurtorens en door schepen die leerden dat wie u bestrijdt uw grootheid eerst heeft begrepen.

Dit zijn typisch Nederlandse regels. De schepeling krijgt minder kans de furie van de zee te vergeten dan de landrot. Hij heeft dus ook een lied nodig dat 'boven de genius van de zee' uitzingt, zoals bij Wallace Stevens, om zijn angst in regels en maat te kunnen bezweren. Misschien is dat wel de reden dat Nederland zoveel goede dichters heeft. We kunnen, zoals Kees Fens al eens opgemerkt heeft, dit gedicht van Nijhoff lezen als een polemiek met Roland Holst. Dat was stellig ook een dichter die boven de genius van de zee wilde uitzingen maar, zouden we kunnen zeggen, voor de sirenenzang is bezweken. Het lijkt inderdaad alsof ook Nijhoff zich tot stem wil maken van wind en water:

Ook ik werd, als hij in dit uur, door het dwingende roepen van goden en ongerepte natuur naar het nachtelijk strand ontboden.

De strekking van het gedicht is echter dat men die roep van de zee moet weerstaan, ondanks de 'vreemde muziek', de 'woorden van doem en van gelukzaligheid beide' die daar te horen zijn en ondanks het visioen 'van een land aan de overzijde'.

Zee, geliefde en doodsvijandin, hoe lang hield gij mij gevangen? Hoe lang hield uw lege kim geboeid mijn weerloos verlangen?

De ikfiguur keert weer terug achter de dijken en de duinen. Hij ontwaakt als 'kind der aarde' en erkent als het kostbaarst goed 'de taal die een moeder bewaarde'. Hij gaat schrijven wat hij moet schrijven voor zijn broeders die nu nog 'zingend langs zee gaan' maar later zullen inzien 'dat het strijdende volk een schoner zee is dan water'.

Als we het gedicht Ballingschap van Roland Holst hiernaast leggen blijkt dat een lied van iemand die geheel in de ban is geraakt van de roepende goden. Wat mij in verband met ons onderwerp, de vraag naar de eigen waarde van de natuur, vooral opvalt is dat het gedicht eigenlijk geheel voorbijgaat aan wat de natuur ons te zeggen heeft. Heeft Roland Holst de grootheid van de natuur wel gezien? Moeten we ons misschien juist niet laten betoveren om haar eigenheid te ontdekken? Het is de wind die de dichter de lokstem uit de Elyzeese velden overbrengt 'van een rijk dat wij verloren achter de tijd'. Naar de wind die we op aarde in de omringende natuur horen, moeten we niet luisteren. Die bedriegt ons:

Bloemen en dieren weten het niet, en het blijft hen onvernomen, want de wind veinst in de boomen een ander lied.

De beken en de wateren doen mee aan dat bedrog en 'uit de regenbogen jubelt nog eindeloozer logen'. Ik zie het als een, waarschijnlijk onbedoeld, compliment aan de dieren en de bloemen dat ze hun oren niet laten hangen naar het eldorado-lied van Roland Holst. En kennelijk moeten ook de bomen er niets van hebben.

Zij zingen zoals we nog zullen zien inderdaad een ander lied, een taal waar Gezelle zo 'geerne' naar luisterde. Zij blijken bestand tegen de sirenenzang. Ook de bomen blijft het onvernomen. Waarom zouden ze ook een winderig verhaal verkondigen over een rijk achter de tijd? Ze hebben wel wat anders te doen. Ze denken als de olijfbomen uit de parabel van Jotham, die het aangeboden koningschap weigerden. Waarom zouden we onze vettigheid prijsgeven, welke God en mensen in ons eren, om te gaan tronen op liederen van neoheidenen en -heksen?

Wat Nijhoff en Roland Holst gemeen hebben - daarin verschillen zij van bleke Ramon - is dat zij beide gefascineerd werden door het roepen van de afgrond en de nostalgie kenden naar het Niets. Maar Nijhoff verzet er zich tegen, evenals Baudelaire. Je moet echter wel die roep der goden gehoord hebben om oog te krijgen voor wat er in de natuur aan de hand is, voor haar 'intrinsieke waarde'. Bleke Ramon mist wel degelijk iets al mag hij van Nijhoff rustig terugkeren naar zijn 'laatste huis' dat ook zijn 'eerste kantine' was. Hij heeft de afgrond niet gezien op de rand waarvan mens en natuur balanceren. En daarom ook niet wat het eigenlijke mysterium is dat ons 'heilig' moet zijn.

Wie in het weekeinde gezellig in zijn tuin op de kleinkinderen zit te passen - dat is de conclusie van mijn betoog tot nu toe - moet zich wel realiseren dat hij of zij reeds twee drempels gepasseerd is op de weg van chaos naar kosmos: van het heelal naar de planeet (naar Gaia) en van de wildernis naar het park. Het zijn de eeuwenoude cultuurlandschappen - de Provence, Toscane - waar we als mensen ons het meest thuis voelen. Het tremendum ligt dan al twee stations achter ons. Maar het is er nog wel achter de einder en het is, meen ik, ook de bron van het religieuze sidderen en beven van Rudolf Otto. Hij heeft het als echte germaan opgediept uit de natuur en vervolgens in de Schriften teruggevonden.

We begonnen met de vraag waarom we terug moeten naar dat sidderen en beven. Ik vermoed dat het paardemiddel bedoeld is voor wie niet voor rede vatbaar is, voor de technocraten die het Groene Hart van Holland dat met al zijn sloten, vaarten en kanalen al lang een cultuurlandschap is, nu ook nog willen volplempen met flatgebouwen en startbanen. De bleke rationalisten moeten aan iets anders, iets hogers herinnerd worden. Juist op verstokte denkers hebben filosofische argumenten (over intrinsieke waarde) geen vat. Hun verstand staat op oneindig en zij denken maar door. De 'zwanglose Zwang' van de rede, zoals Habermas het zo fraai noemt, helpt hier niet. Er moet op een magisch middel teruggegrepen worden dat het gevoel raakt. Maar werkt dat nog in de moderne tijd? En zo ja, kan het tot iets anders leiden dan méér techniek? (die dan zelf iets heiligs dreigt te worden). Is angst een goede raadgever? Welke rol speelt de angst die toch ook terecht is?

Bij de machten van de natuur die ons schrik aanjagen noemde ik boven ook het oerwoud. De prehistorische mens heeft in zijn angst hier reeds de grote verwoestingen aangericht. We kunnen ons in Nederland de bedreiging door bomen - de onweerstaanbaar oprukkende en alles op zij schuivende macht van de vegetatie - moeilijk meer voorstellen. Niet het woud maar de woestijn rukt tegenwoordig dreigend op. Willibrord wordt nu als de eerste vandaal gezien.

Hij hakte de heilige bomen om. Misschien kunnen we daar toch meer begrip voor krijgen als we bedenken dat bij heilige bomen ook heilige plaatsen horen en heilige plaatsen markeren het verschil tussen autochtonen en allochtonen en tussen etnische groepen. Bij een heilig woud hoort de woudmens (l'homme forêt) schrijft Levinas ergens. Bomen verdringen elkaar in de jungle, de sterkste wint. Maar is dat het enige wat de bomen ons leren?

Wat vertellen de bomen ons eigenlijk? Wat is de inhoud van het 'heerlijk boomvertoog' waarvan Gezelle spreekt? We kunnen dat inderdaad niet verstaan zonder de angst. De angst herinnert ons er aan dat wij in een kwetsbare wereld leven, altijd aan de rand van de chaos. We hebben een piepklein hoekje van het heelal comfortabel ingericht maar er kan elk moment iets misgaan. De zeeën kunnen omhoog komen en de bergen omlaag zoals in het beklemmende slot van De morgen loeit weer aan van Tip Marugg.

We kunnen aan die ondergang nu ook zelf een stukje bijdragen door dezelfde techniek die uit angst voor de natuur werd ontworpen. De techniek heeft een dubbelzinnige functie. Zij verdringt de angst en maakt de tuin mogelijk maar richt aan zichzelf overgelaten een nieuwe woestenij aan. In die situatie ervaren we de bomen als bondgenoten. Ze staan aan onze kant. De techniek die we kunnen wegdenken noch terugdraaien heeft geleid tot een soort mutatie in ons natuurgevoel. Er is iets fundamenteel veranderd tussen Willibrord en Wim Kok. De eenzame eik aan de landweg roept heel andere gevoelens op dan vrees en beven. Hij mobiliseert nog steeds de krachten van de natuur maar nu dienstbaar. Een hoos van gebladerte waaronder mens en gedierte beschutting zoeken. Die boom is even stoer en kwetsbaar als wij zelf.

Aan de bomen en de bloemen kunnen we misschien exemplarisch zien wat er aan de hand is in onze verhouding tot de natuur. We hoeven daarvoor geen ruimtevaarder of woudloper te worden. De tuin is, zoals Epicurus al wist, op zich zelf een prima plek om te filosoferen zolang we de twee omgevende cirkels niet vergeten: de wildernis en het universum. Iedereen is op zijn manier een tuinier en tuinieren betekent stutten én wieden, enten én kappen. Er wordt orde geschapen, complexiteit, maar die wordt bevochten op de wanorde. Wie orde zegt, zegt kwetsbaarheid. Orde ís kwetsbaarheid. We doen tuinierend eigenlijk hetzelfde als wat de evolutie op een geheimzinnige manier voor ons gedaan heeft. We bedwingen de chaos en verhogen de orde. In Genesis I wordt dat beschreven als scheiden en schiften. Daardoor ontstaat iets wat we ook 'heilig' kunnen noemen. Het heilige is dan niet het tremendum aan de horizon maar de fragiele orde die tegen de achtergrond daarvan verrijst, inderdaad een mysterie.

Wie het onkruid bestrijdt, kun je met Nijhoff zeggen, begrijpt iets van de grootheid van de natuur. Hij is vervuld van ontzag en gaat aan het werk. Tegelijk is hij zich bewust van de tikkende tijdbom van de onvermijdelijk toeslaande slijtage. Op dat besef berust de fierheid van de tuinman. Hij is zich bewust van de fragiliteit, ook van hem zelf, maar gaat toch gewoon door met 'cultiver son jardin', met voren trekken en benoemen, zoals de planten gewoon doorgaan met groeien. Het getik verleidt hem niet tot Elyzeese gevoelens, maar hij negeert het ook niet. De tuinman wordt gesterkt in zijn verantwoordelijk werk als hij om zich heen ziet en beseft dat hij in de broosheid van alle leven deelt. (Dat is tenslotte ook de mening van Jonas).

De tuinier die benoemt is een dichter en zo kom ik uit bij Gezelle, onze grootste natuurdichter. 'Hebt meelijen met de boomen' schreef hij al in november 1897. Wie de kwetsbaarheid ontdekt - de 'brooze levendheid' zoals Gezelle het noemde - ontdekt ook de lotsgemeenschap.

Niemand heeft die zo indrukwekkend verwoord als Gezelle in O 't ruischen van het ranke riet en in Het hazegrauwt. Gezelle was een roomse en conservatieve priester maar we zien bij hem hoe het natuurgevoel door alle confessionele grenzen heenbreekt.

De bioloog-dichter Hillenius sprak een aantal jaren geleden al van 'moord op de bomen'. De zuster van onze vorstin wil ons laten luisteren naar hun taal. Hoe komt het dat we daar doof voor blijven en doorgaan met kappen en verkavelen? Hier kan de angst voor het sacrale ons niet te hulp komen. Het is ongeloofwaardig en het werkt niet meer (en zou als het wel zo was tot meer kappen leiden). Het idee van resacraliseren berust mijn inziens op een cultuurhistorische vergissing. Angst kan alleen een eerste woord zijn. Omdat de angst terecht is, is de techniek ook terecht. Zonder techniek geen tuin. Angst is echter een slechte raadgever als het bij techniek blijft. De mens moet de natuur niet alleen bedwingen maar ook benoemen. We moeten met Wallace Stevens naar de spirit vragen. Het razen van de elementen vraagt om een 'rage voor orde', om gearticuleerde klanken en betekenissen. De geest 'zweeft boven de oervloed'. Dat gaat in Genesis 1 aan elk orde scheppen vooraf als een soort randvoorwaarde. Zweven drukt betrokkenheid uit - het is een 'broeden' zeggen andere vertalingen - maar zonder paniek. 'Wees hier aanwezig, allereerste geest,/ die over wateren van aanvang zweeft', zo begint Nijhoffs Awater. De geest maakt het zingen mogelijk dat de angst bezweert en de ogen opent voor de fragiliteit.

Fierheid en fragiliteit vormen de 'intrinsieke waarde' van de natuur én van de mens. Zij zijn de bron van het respect waarnaar we in het begin vroegen. De oude benaming natuurrecht zou weer in zijn oorspronkelijke betekenis gebruikt moeten worden. De natuur is ons even 'heilig' als de mensenrechten die ook niet op intimidatie berusten maar bevochten zijn op de oervloed.

Perken en paden

Onder iedere tuin tikt een tijdbom daarom juist staat hij daar zo fier licht leunend tegen de vlier overziet hij zijn perken en paden

Hij bedwingt het fatale onderaardse getik door voren te trekken, heggen te knippen borders te zomen, alle wildgroei tegen te gaan

Klein en nietig als een mier doorkruist hij het mijnenveld benoemt iedere bloem in zijn bloeiende, voorttikkende tuin.

J. Bernlef

Hebt meêlijen met de boomen, laat den bast hun ongeschonden; bewaart ze voor de nijdigheid der kwade nagelwonden; geen onbermhertig menschenkind ze dood en kwelle: geeft de vrijheid aan des Scheppers hand, die in hun leden leeft.

.............................

Hebt meêlijen met de boomen, laat hun schoonheid ongeschonden, die schoonder is, onaangeroerd, onvast en ongebonden, zoo God ze liet gewassen zijn, gewonnen en gebaard, als al hetgene gij, o mensch, verzint en hebt vergaard.

Guido Gezelle

HET HAZEGRAUWT

Vroeg avondt het: geleden1 een stonde of twee, is't zonnevier beneden de kimme alree.

Niet heel en al verloren het licht en is: noch teenemaal geboren de duisternis.

Het hazegrauwt: de lanen, vol licht weleer, de wegels2 en de banen en ziet men meer.

Zoo stille staan als beelden, de boomen nu: die roerden en die speelden, ze droomen nu.

Die ruischten en die riepen, de boomen, nu, ze doen alsof ze sliepen: ze droomen nu.

De takken en de blâren, de stammen zijn, die menigwendig3 waren, nu eens4, in schijn.

Van verwen en van voeren5 al eensgedaan6, en reppen noch en roeren, ze'n lid, voortaan.

't Is vochtig en, gekropen uit de eerde, vaart de wadem, op en open, omhoogewaard.

De nevel valt, van boven beneên gespreid; gesponnen en gewoven, vol duisterheid.

Gepelderd7 en gewonden, elk hout nu staat; gebunseld en gebonden, in lijkgewaad.

Gestorven zijn de boomen: één grafsteê, al van dampen en van doomen, ze bergen zal.

God geve aan oud- en jongen, nu roe'8 en rust: de lijkdienst is gezongen, en't licht gebluscht.

1 November 1896

1 heengegaan / 2 weggetjes/ 3 veeltintig / 4 eender / 5 gestalten / 6 gelijk / 7 in een baarkleed gehuld / 8 synoniem van rust.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden