Bröcheler-Smit perfect baritonduo

AMSTERDAM - Met verbazing keek ik maandagavond vanaf het tweede balkon van het Muziektheater neer op de grandioze speelplaats die was geschapen voor de opvoering van de opera 'Siegfried'. Hier opende het Muziektheater zich als piste-theater zoals twintig, dertig jaar geleden in het Theater Carré de ruimte werd benut voor toen hypermodern 'muziektheater'.

Met dat voorbeeld voor ogen werd destijds het Muziektheater opgezet. Eigenlijk alleen Pierre Audi heeft het ontbreken van een echte toneellijst aangegrepen om producties onder zijn regie bij de toeschouwer te brengen. Met de 'Siegfried' uit de 'Ring des Nibelungen' van Wagner heeft Audi een ideale osmose bereikt.

Niet alleen leek het speelvlak verder de toeschouwersruimte in te steken dan bij de vorige twee afleveringen uit de 'Ring' ('Das Rheingold' en 'Die Walküre'). Ook de vermenging van beeld en geluid bleek volmaakt door de opstelling van het orkest binnen de monumentale decorstukken en de plooiing van de plekken waar de diverse scènes zich afspeelden. Dat orkest, het Rotterdams Philharmonisch, zat royaal op de linkerhelft.

Wagner leverde in 'Siegfried' schitterende staaltjes van instrumentale natuurschildering af. Het 'Waldweben' geldt als exemplarisch; het is de scène in het tweede bedrijf waarin Siegfried zich tegen een lindenboom vlijt om onder het geruis van de bladeren en bij het zingen van het woudvogeltje na te denken over zijn afkomst en toekomst. Verticaal geplaatste, helderwit lichtgevende staven rond en tussen de musici van het R.Ph.O. suggereerden dat theaterbos. Zou het 'Waldweben' nog bijzonderder kunnen worden uitgedrukt?

Diezelfde staven lichtten rood op om de plaats te markeren waar Brünnhilde binnen een krans van vuur in eeuwige slaap rustte. De sfeer van de geelwit stralende, uitklappende vuurmuren vloeide samen met de fameuze lange melodie van de eerste violen, sereen voorgedragen door deze excellente strijkersgroep. Het was het visueel en auditief hoogtepunt in een voorstelling die ik wil karakteriseren als 'Wagnerweben'.

Regisseur Audi en zijn vormgevers en dirigent Hartmut Haenchen hebben het zich niet gemakkelijk gemaakt in de deze riskante opstelling waarin de rolspelende zangers alle kanten uit zwerven. Nooit heerste er echter een gevoel van aarzeling of onzekerheid. Het acteren ademde de vrijheid van het spreektheater; ieder fixeren op de dirigent of op listig verdekt opgestelde tv-schermen, wat in opera vaak tot verstarring leidt, ontbrak.

Die vrijheid werd door tenor Graham Clarke virtuoos benut om een wagneriaans-komische (zeker door zijn aankleding als een mega-luis) Mime te creëren in stem en gebaar. In zijn neurotisch verlangen naar macht probeerde hij in zijn smidse (de vlammen sloegen echt ten hemel; de bezoekers erboven in de adventure-seats werden als palingen gerookt!) een slagvast zwaard voor zijn pupil Siegfried te smeden.

Ook al beschikte Heinz Kruse niet over een spetterende theatrale uitstraling om een kloeke Siegfried neer te zetten, en werd hij bovendien in zijn bewegingen gehinderd door de naweeën van een knie-operatie, toch maakte hij grote indruk met zijn schallend-stralende stem, gesmeed uit roestvrij, en ook buigzaam staal. Met zo'n geluid was hij volledig gerechtigd het zwaard Notung te herstellen in zijn onoverwinnelijkheid, om de draak te verslaan (een wat knullige, te mechanische scène) en ten slotte Brünnhilde te verlossen uit haar slaap. 'Erwache! Erwache!' zo rolde het door de zaal. Het was de kus (het knielen en omhelzen verliep jammer genoeg moeizaam) die de godendochter deed ontwaken.

Ontroerend mooi zoals Jeannine Altmayer dat deed. Haar groet aan het licht was vol van verwondering. Haar theatrale expressie ging echter haar vocale uitdrukkingsmogelijkheden te boven. Hoge noten werden of omzeild of niet gehaald, waardoor de climax, het liefdesduet met Siegfried, niet het verpletterende slot opleverde van 'leuchtende Liebe, lachender Tod!'.

Vijf uur theater, waarin twee pauzes van een goede 25 minuten, vlogen om door de psychologische kracht van de diverse scènes zoals Audi die had geregisseerd. Het was te verwachten dat de ontmoeting die de zwervende Wotan forceert met de ook al slapende Erda een bijzonder moment zou opleveren. John Bröcheler, in alle vocale facetten van zijn Wanderer-rol indrukwekkend, en de orgelend zingende Anne Gjevang (in half zwart, half wit gekleed), drukten ook in hun tegenstrevende bewegingen uit dat Wotan Erda's raad wil afdwingen, terwijl zij in haar isolement niet gestoord wil worden.

Nog zo'n scène: de ontmoeting tussen Wotan en Alberich. Identiek gekleed (in gestileerde Japanse kostuums van Eiko Ishioka) maar afwijkend van kleur, zijn zij elkaars concurrenten: de oppergod en de ondergod. Zoals zij om elkaar draaiden, was de uitbeelding van Nietzsche's uitspraak: 'Er is niets in het leven dat waarde heeft, behalve de graad van macht'. Hun duet bracht twee kolossale Nederlandse baritons samen, John Bröcheler en Henk Smit.

Behalve ontroering maakten dirigent Haenchen en regisseur Audi ook de geestigheid in 'Siegfried' zichtbaar door Waldvogel (het woudvogeltje) niet als stem (altijd een vrouwensopraan) achter de coulissen te houden, maar de rol toe te bedelen aan een jongenssopraan, de soepel acterende en parmantig zingende Stefan Pangratz. Haenchen wees mij erop dat Wagner de voorkeur gaf aan een jongensstem, maar dat het bij zijn weten nooit zo gedaan is. Door de jongen (aangekleed als een barokke putto) in het spel te brengen werd duidelijk hoe Siegfried de slechte bedoelingen van Mime doorziet. Hij fungeerde zo als de drie knaapjes in Mozarts 'Zauberflöte', die de goede weg wijzen.

De strakke, vooral technische verbeelding (fascinerende decors van George Tsypin) kreeg op muzikaal vlak een even precies uit- en afgewerkte verklanking onder leiding van Hartmut Haenchen. Hij bracht, misschien iets te krampachtig, een scheiding aan tussen eerste en tweede deel waarin Wagner in kortere en traditionele lijnen componeerde, en het twaalf jaar later ontstane derde bedrijf dat uit die voegen barst.

Eerste en tweede bedrijf zijn ook speelser en kortademiger van inhoud, maar of het Rotterdams Orkest nou zo ingehouden moet spelen, vraag ik me af. Maar Haenchens aanpak is respectabel, juist omdat hij en het formidabel spelende orkest zo gloedvol uitpakten in het liefdesontwaken tussen Siegfried en Brünnhilde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden