Britse invasie bepaalt het gezicht van Amerikaanse tijdschriften

Amerikanen zijn gek op alles wat Brits is. Royalty, landhuizen en tv-series. En sinds Britse journalisten besmet zijn geraakt met de ondernemersgeest van Thatcher halen de uitgevers in Manhattan hen ook graag naar de Nieuwe Wereld. Om de uitgebluste pers daar op te peppen.

Wie vreesde een onherkenbare New Yorker aan te treffen kon opgelucht ademhalen. Het blad, het meest prestigieuze van de Verenigde Staten, een instituut in de ogen van de achterban, heeft nog steeds zijn karakteristieke gepenseelde titelblad. De mascotte, dandy Eustace Tilley, figureert nog steeds prominent boven de inhoudsopgave. En er staat zelfs een artikel van 25 pagina's in. 'Reporter at large' Mark Singer heeft dan ook wel een heel smakelijk verhaal bij de hand. Ene Brett Coleman Kimberlin, die in Indiana een langdurige gevangenisstraf uitzit, weet iets over vice-president Dan Quayle en drugsgebruik. Wordt Kimberlin om die kennis gevangen gehouden?, port de New Yorker de lezer op.

Hier moet de hand van Tina Brown in worden gezien. Per slot van rekening zijn dit soort verhalen de kurk waarop de Vanity Fair drijft, het vorige door haar geleide blad. En er zijn meer aanwijzingen dat met de nieuwe hoofdredacteur ook modernere opvattingen over het imago van de New Yorker zijn binnengekomen. Neem bijvoorbeeld dat weee parfumluchtje dat je uit al die glansbladen van tegenwoordig tegemoet komt. De acquisiteurs van de New Yorker hebben er het Parijse huis Chloe voor gestrikt.

Een tweede schok volgt al meteen op de derde advertentiepagina: een blote vrouwenborst in de reclame voor de jeans van Calvin Klein. Brown mag dan bij haar aanstelling plechtig hebben verzekerd van de New Yorker nimmer een Vanity Fair te zullen maken, de lezers zullen haar ongetwijfeld in de gaten blijven houden.

Want wat Brown wil, krijgt ze. Gelijk heeft ze, want de Amerikanen laten het er de laatste jaren lelijk bij zitten als het gaat om journalistieke initiatieven. Vandaar dat steeds meer belangrijke publiekstijdschriften worden geleid door journalisten uit de Oude Wereld. Vooral uit Engeland. Dat geldt voor Tina Brown en de New Yorker, en daarvoor dus de Vanity Fair. Dat geldt voor Andrew Sullivan en het politieke tijdschrift The New Republic, voor John O'Sullivan en het politieke The National Review. De strijd om de lezers in de wereld van de modebladen wordt zelfs uitgevochten door twee Britse vrouwen, Anna Wintour van de Amerikaanse editie van Vogue en Liz Tilberis van Harper's Bazaar. De regisseur, die enkele jaren geleden een Britse actrice koos voor de hoofdrol in Judith Krantz' in de New Yorkse uitgeverswereld spelende boeketboek 'I'll take Manhattan', moet een vooruitziende blik hebben gehad.

Met name de loopbaan van Brown lijkt op die van een zondagskind. Ze is pas 38 jaar en al aan haar derde hoofdredacteurschap bezig. De 25 net gepasseerd jaagt ze in het begin van de jaren tachtig het Britse blad Tatler van een oplage van tiennaar veertigduizend. De New Yorkse uitgever S. I. Newhouse merkt dat ook op en geeft haar in 1984 de leiding over het zieltogende Vanity Fair. En ze maakt er wat van. Bij haar vertrek laat ze een oplage achter die is verviervoudigd. De Vanity Fair is een blad geworden dat serieus wordt genomen. Onder de 'glossies' spreekt het een breed publiek aan, meer dan bladen als Cosmopolitan of op mannen gerichte tijdschriften als de GQ en de Esquire. Brown heeft ook een feilloos gevoel voor 'free publicity', daarbij weer perfect inspelend op de ijdelheid van 'sterren'. Want hoe krijgt je anders actrice Demi Moore zo ver dat ze meer dan hoogzwanger in haar blootje poseert voor de voorplaat van Vanity Fair. Reken maar dat er over is gepraat. In sommige steden van de Verenigde Staten werd het blad niet eens openlijk uitgestald.

De Browns, want zo kunnen Tina en haar man Harold Evans onderhand wel worden genoemd, zijn de troetelkinderen geworden van Newhouse. Zij verandert alles in goud wat ze aanraakt, Evans heeft de leiding van de uitgeverij Random House, die ook tot het Conde Nast-concern van Newhouse behoort. Het moet de bazen van de Britse Sunday Times danook niet lekker hebben gezeten toen in de zomer het gerucht ging dat Newhouse die andere Britse zondagskrant de Observer ging opkopen en dat het duo Evans/Brown er de leiding van zou krijgen. Pikant, want Evans is destijds rigoureus door Sunday Times-eigenaar Rupert Murdoch aan de dijk gezet. Het feest ging echter niet door.

Het succes van Brown is niet het enige journalistieke imperialisme vanuit Londen. Enkele honderden mijlen zuidelijker maakt Andrew Sullivan furore. En ook hier heeft het de achterban geschokt. Het politieke weekblad The New Republic heeft tot het midden van de jaren tachtig het imago gehad van een buitengewoon smakelijk toebereide dis. Origineel, diepgaand, zeer toegankelijk geschreven. Maar ja, het had een progressief, Democratisch imago. En de Democraten waren al tijden niet meer in tel.

In de loop van die jaren tachtig komt er een Brit op de redactie werken, een persoonlijke protege van de uitgever, die net als hij een Harvard Universityachtergrond heeft. Die Brit is Andrew Sullivan, een jongeman uit een arbeidersgezin in Reigate, in de regio Londen.

Op de universiteit van Oxford heeft hij zich ontwikkeld tot een echte Thatcherite. Hij houdt van de confrontatie. Zijn afsluitend werkstuk op Harvard gaat over het moderne conservatisme, dus van het soort van de toemmalige Britse premier en de toenmalige Amerikaanse president Ronald Reagan.

Sullivan, 28 jaar, wordt eind vorig jaar benoemd tot hoofdredacteur van de New Republic. Een opzeggingsbrief getuigt treffend van de consternatie. "Geachte heer, Andrew Sullivan omschrijft zichzelf als 'working class', katholiek, conservatief en homoseksueel. Iemand die zo in de war is mag geen hoofdredacteur van de New Republic zijn. Hierbij zeg ik mijn abonnement op." In de war of niet, Sullivan heeft van de New Republic een spraakmakend tijdschrift gemaakt, dat een veel breder scala aan onderwerpen onder de loep neemt dan politieke. Ten eerste neemt het duidelijk stelling in wat hier maar even 'homo-onderwerpen' worden genoemd: aids, homohaat, outing. Al voordat hij de leiding van het blad krijgt vestigt Sullivan de aandacht op zich met een doorwrocht en persoonlijk artikel over de sociale aspecten van aids.

In het Washingtonse milieu, waar je het als homo wel mag doen maar er niet over moet praten, wordt Sullivan al snel in een hoek geplaatst. Als onder zijn leiding een verhaal over rap en de witte fans op de voorpagina wordt aangeprezen met een goed ogende jongen rept heel Washington van 'het vriendje van Sullivan'. Geen 'vriendje', bezweert de hoofdredacteur. Sullivan hanteert het standpunt: wel duidelijk een homo als hoofdredacteur, geen 'gaykrant'. Zijn eer probeert hij de laatste tijd dan ook onder meer te halen met treiterige aanvallen op het laatste heiligdom dat de Verenigde Staten nog rijk is: Barbara Bush. Vorig jaar heeft hij al eens een persoonlijke column geschreven onder de titel 'De heilige koe', vorige week bracht de New Republic een kritisch verhaal over BB als moeder onder de titel 'Mommy Dearest', een verwijzing naar de onthullingen over Joan Crawford, die zo voor het oog gek was met haar kinderen, maar ze ondertussen terroriseerde. Benieuwd of het Witte Huis de twintig abonnementen op de New Republic eind dit jaar vernieuwt...

Voor het derde Britse succes moet weer richting Manhattan worden gekoerst. Nou ja, succes, meer strijdtoneel. De dames van Vogue en Harper's Bazaar hebben elkaar de oorlog verklaard, terwijl ze enkele jaren geleden nog vertrouwelingen waren. Vogue en HB zijn dan ook in een forse oplagestrijd gewikkeld. De Bazaar heeft de afgelopen jaren gekwakkeld. Zoals spottend werd gezegd: zo voorspelbaar als het vallen der bladeren in september. Liz Tilberis heeft van het Hearst-concern, de rivaal van Conde Nast op uitgeversterrein, een meer dan ruim budget gekregen om het blad weer lopend te krijgen. Vogue-hoofdredacteur Anna Wintour zit duidelijk in het defensief. Een paar maanden geleden dreigde ze, dat iedereen die zich inliet met Harper's Bazaar nooit meer aan de bak zou komen bij welk onderdeel van Conde Nast dan ook. Dat heeft befaamde modefotografen als de Fransman Patrick Demarchelier er niet van weerhouden over te lopen.

In gewicht mag de Vogue (634 pagina's, waarvan 424 advertenties in het septembernummer) het winnen van de HB (412 pagina's, waarvan 249 advertenties) als je alleen het titelblad neemt gaat Tilberis duidelijk met de eer strijken. Model Linda Evangelista is aanzienlijk meer 'stylish'.

Waar komt dit Britse succes vandaan, deze derde invasie, na de koloniale in de 17de eeuw en die van de popmuziek in de jaren zestig in de Nieuwe Wereld? Rick McArthur, uitgever van het sjieke Harpers (niet te verwarren met de Bazaar) heeft er wel een verklaring voor: "De Amerikaanse uitgever heeft geen vertrouwen meer in zichzelf en zijn mede-Amerikanen. En dan krijg je het syndroom van 'wat je van elders haalt is lekkerder'. Het is ook een teken dat de creativiteit wegvloeit uit de journalistieke cultuur van de VS. Er is geen journalist meer te vinden die zich nog echt geeft."

Veronique Vienne, een veteraan bij Conde Nast, meent dat Britten beter voorbereid zijn op het harde werk in Manhattan. "Ze kunnen het hard spelen, zonder meteen een meedogenloos kreng te worden." Anthea Disney, een andere Britse journaliste, die enkele jaren geleden door Rupert Murdoch werd aangetrokken om de landelijke TV Gids te leiden: "Ze beredeneren het werk en het vak kapot met hun academische benadering. De lol gaat er dan van af. Ik weet zeker dat ook Tina Brown van mening is dat we aan journalistiek doen, niet aan ruimtevaartkunde."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden