BRIEF UIT HET JAAR 1920

In 1954 schreef de Bosnische schrijver Ivo Andric die in 1961 als eerste 'Joegoslavische' schrijver de Nobelprijs ontving, het verhaal 'Brief uit het jaar 1920'. Het is een verhaal over haat: "Als ik in een woord moet uitdrukken wat mij uit Bosnie verdrijft, dan zou ik zeggen: de haat."

Op het eerste perron zitten wij op onze koffers en wachten op de trein waarvan wij de tijd van aankomst en vertrek niet weten. Het enige wat we wel weten is dat hij stampvol zal zijn met reizigers en bagage.

De man die naast mij zit is een oude bekende, een vriend van mij, die ik in de laatste vijf, zes jaar uit het oog heb verloren. Hij heet Max Lowenfeld, is dokter en zoon van een dokter. Hij is in Sarajevo geboren en daar opgegroeid. Zijn vader heeft al als jonge arts Wenen verlaten en zich in Sarajevo gevestigd, waar hij zich een grote praktijk heeft verworven. Ze zijn van afkomst joden, maar sinds lang gedoopt. Zijn moeder komt uit Triest, zij is de dochter van een Italiaanse barones en een Oostenrijkse zeeofficier die weer van Franse emigranten afstamde. Haar mooie gestalte, haar manier van lopen en haar voorname wijze van kleden, herinneren zich twee generaties in Sarajevo als een van die schoonheden die zelfs de brutaalste en grofste mensen behandelen met de achting en egards die ze anders niet kunnen opbrengen.

Wij waren samen op het gymnasium. Hij zat wel drie klassen hoger dan ik, wat op die leeftijd een groot verschil maakt. Ik herinner mij vaag dat hij mij dadelijk opviel toen ik op het gymnasium kwam. Hij ging toen naar de vierde klas maar was nog altijd als kind gekleed: een forse jongen in een donkerblauw matrozenpak met opgestikte ankers in de hoeken van de brede kraag. Hij droeg nog altijd een korte broek en zwarte schoenen van een goede pasvorm. Tussen de witte kniekousen en de broek zag je zijn blote, stevige kuiten, met bloed doorstroomd en met blonde haartjes.

Wij hadden toentertijd geen aanknopingspunten en dat kon ook niet; alles scheidde ons: leeftijd, uiterlijk en gewoonten, de bezitsverhoudingen en de maatschappelijke positie van de ouders.

Ik herinner hem mij beter uit een latere tijd, toen ik in de vijfde klas zat en hij in de achtste. Toen was hij een uit de kluiten gewassen jongeman met heldere ogen die een bijzonder grote levendigheid van geest verrieden. Hij was goed maar nonchalant gekleed, had dik blond haar dat in dichte beweeglijke slierten over zijn voorhoofd viel, soms van de ene dan weer van de andere kant. Wij kwamen elkaar nader tijdens een discussie van een groepje oudere leerlingen op een bank in het park. In onze schooldebatten bestonden er geen grenzen en heilige huisjes. Alle principes werden met veel omhaal van woorden omvergegooid en hele werelden van de geest in hun fundamenten ondermijnd. Natuurlijk bleef alles ook daarna op dezelfde plaats, maar onze hartstochtelijke woorden waren voor ons en ons latere lot van betekenis als een voorgevoel van grote ondernemingen in de bewogen tijden en de lange dwalingen die nog komen moesten.

Toen ik na een levendige discussie, bevend van opwinding, van mijn triomf even overtuigd als mijn tegenstander van de zijne, naar huis ging, sloot Max zich bij mij aan. Het was de eerste keer dat wij samen alleen waren. Deze onderscheiding sterkte mij nog in mijn overwinningsroes en in mijn zelfbewustzijn. Hij vroeg naar mijn lectuur en sloeg mij opmerkzaam gade, alsof hij mij voor het eerst van zijn leven zag.

Ik gaf hem opgewonden antwoord. Plotseling bleef hij staan, keek mij recht in de ogen en zei zeldzaam rustig: "Weet je, ik wou je alleen zeggen dat je Ernst Haeckel onnauwkeurig geciteerd hebt."

Ik voelde dat ik bloosde en hoe de aarde onder mij wankelde en toen weer op haar plaats terugkwam. Natuurlijk had ik onjuist geciteerd; ik had het citaat uit een goedkope brochure en ik herinnerde het mij maar vaag en waarschijnlijk was het nog slecht vertaald ook. Mijn triomf van zojuist veranderde in een gevoel van tekortkoming en schaamte. De heldere blauwe ogen bekeken mij zonder meegevoel maar ook zonder een spoor van leedvermaak of superioriteit. Toen herhaalde Max mijn mislukte citaat in de juiste vorm. En toen wij voor zijn mooie huis aan de oever van de Miljacka stonden, gaf hij mij een stevige hand en nodigde mij uit de volgende middag bij hem te komen om zijn boeken te zien.

Die middag was voor mij een grote belevenis. Ik zag voor de eerste keer in mijn leven een echte bibliotheek en het werd mij duidelijk dat ik mijn noodlot onder ogen zag. Max bezat veel Duitse en enige Italiaanse en Franse boeken, die van zijn moeder waren. Hij liet mij alles zien met een vanzelfsprekende rust die ik hem meer benijdde dan zijn boeken. Eigenlijk was het geen jaloezie maar een gevoel van grenzeloze bevrediging en de machtige wens om mij eens ook zo vrij te bewegen in de wereld der boeken die voor mij licht en warmte uitstraalde. Zelf sprak hij alsof hij uit een boek voorlas en bewoog zich vrij in die wereld van beroemde namen en grote gedachten, terwijl ik trilde van opwinding en eerzucht en mij voor deze groten die voor mij stonden, schaamde. Tegelijk had ik angst voor de buitenwereld waar ik uitkwam en in terug moest keren.

Die middagbezoeken bij mijn oudere vriend herhaalden zich steeds vaker. Ik leerde het Duits vlug aan en begon ook Italiaans te leren. De mooi ingebonden, buitenlandse boeken nam ik ook mee naar huis in mijn armelijke woning. Op school raakte ik achter. Alles wat ik las, leek mij de heilige waarheid en een verheven verplichting, juist voor mij een verplichting, waaraan ik mij niet onttrekken kon zonder in mijn eigen ogen in te boeten aan aanzien en alle geloof in mezelf te verliezen. Ik wist maar een ding: je moest dit alles lezen, je moest zulke en dergelijke dingen schrijven. Ik dacht aan niets anders meer.

Een dag staat mij bijzoner helder voor de geest. Het was mei. Max werkte voor zijn eindexamen, maar zonder zich erover op te winnen of zich merkbaar in te spannen. Hij bracht mij naar een apart boekenkastje, waarop met gouden letters was geschreven: Helios Klassiker Ausgabe. Ik herinner mij dat hij zei dat het kastje samen met de boeken gekocht was, en zelfs het kastje leek mij iets heiligs en het hout als doorlicht. Max nam een deel van Goethe eruit en las mij voor uit Prometheus.

Hij begon met een nieuwe, mij tot dusver onbekende stem en je merkte dadelijk dat hij dit gedicht al ontelbare malen had gelezen:

Bedecke deinen Himmel, Zeus,

mit Wolkendurst

und ube, dem Knaben gleich,

der Disteln kopft,

an Eichen dich und Bergeshohn!

Musst mir meine Erde

doch lassen stehn

und meine Hutte die du nich gebaut,

und meinen Herd,

um dessen Glut

du mich beneidest.

Op het laatst begon hij met zijn vuist op de leuning van de fauteuil waarin hij zat, krachtig de maat te slaan; zijn haar viel naar twee kanten over zijn rood aangelopen voorhoofd:

Hier sitz ich, forme Menschen

nach meinen Bilde,

ein Geschlecht, das mir gleich sei

zu leiden, zu weinen,

zu geniesen und zu freuen sich

und dein nicht zu achten,

wie ich!

Voor de eerste maal zag ik hem zo. Ik luisterde naar hem bewonderend, bijna bang. Toen gingen wij naar buiten en spraken in de warme schemering door over het gedicht. Max ging met mij mee tot aan mijn steile straat en toen liep ik weer met hem op tot de rivier en zo ging dat enige keren heen en weer. Het begon al nacht te worden en er waren steeds minder mensen op straat, maar wij liepen de weg aldoor weer terug en discussieerden over de zin van het leven en over de herkomst van goden en mensen. Een ogenblik herinner ik mij in het bijzonder. Toen wij voor het eerst in een achterafstraatje kwamen en bij een scheve, grauwe schutting bleven staan, strekte Max op een karakteristieke manier zijn linkerarm uit en zei warm en vertrouwelijk: 'Weet je, ik ben atheist!'

Over de vervallen schutting bloeien dicht in elkaar gegroeide vlierstruiken en verspreidden een sterke, zware geur die voor mij de geur was van het leven zelf. Rondom ons was de avond van een verheven stilte, en de hemelkoepel boven mij, die vol sterren stond, leek mij als nieuw. Van opwinding kon ik niets zeggen. Ik voelde dat tussen mij en deze oudere vriend iets gebeurd was en dat wij nu niet zo maar uiteen konden gaan, ieder voor zich naar zijn huis. En zo bleven wij samen op en neer lopen tot in de nacht.

Nadat Max zijn eindexamen had gedaan, scheidden zich onze wegen. Hij ging naar Wenen, medicijnen studeren. Wij schreven elkaar een poosje, maar de correspondentie bleef ergens steken. Wij zagen elkaar nog meermalen in de vakanties, maar zonder de oude hartelijkheid. Toen kwam de oorlog die ons volkomen scheidde.

En nu, na enige jaren, zagen wij elkaar terug op dit lelijke, saaie station. Wij hadden vanaf Sarajevo in dezelfde trein gezeten, zonder dat we het wisten, en elkaar pas hier ontmoet; nu wachtten wij hier op de onzekere aankomst van de trein naar Belgrado.

Wij vertelden elkaar in korte woorden hoe we de oorlog door waren gekomen. Max had in het eerste oorlogsjaar zijn studie beeindigd en was dokter geweest aan alle Oostenrijkse fronten, maar had aldoor in Bosnische regimenten gediend. Zijn vader was in de oorlog aan vlektyfus gestorven en zijn moeder had Sarajevo verlaten en was naar haar familie in Triest verhuisd. De paar laatste maanden had Max in Sarajevo doorgebracht om zijn zaken in orde te brengen. In overleg met zijn moeder had hij het vaderlijk huis aan de oever van de Miljacka en het grootste deel van de inboedel verkocht. Nu ging hij naar zijn moeder in Triest, vanwaar hij dacht door te reizen naar Argentinie of misschien naar Bolivia. Hij uitte zich daarover niet duidelijk maar het leek wel vast te staan dat hij Europa voorgoed wilde verlaten.

Max was tijdens het leven aan het front sterker en zwaarder geworden en zakelijker in zijn optreden. In het donker kon ik zijn krachtige kop met het dikke blonde haar maar half zien en ik hoorde zijn stem die in de loop der jaren dieper en manlijker was geworden, maar nog het accent van Sarajevo had behouden, waarin de medeklinkers zachter en de klinkers onduidelijk en gerekt worden uitgesproken. Verder klonk uit zijn woorden iets van onzekerheid.

Hij sprak alsof hij las. Hij gebruikte veel ongewone, wetenschappelijke of boekentermen. Dat was het enige wat er van de vroegere Max was overgebleven. Verder was er geen sprake van poezie of van boeken. (Niemand dacht meer aan Prometheus.) Hij sprak eerst over de oorlog in het algemeen met een grote bitterheid die niet verwachtte begrepen te worden. (Voor hem waren er in deze grote oorlog eigenlijk geen vijandelijke fronten geweest, ze gingen in elkaar over en smolten ineen. Het algemene leed had zijn gezichtsveld afgedekt en hem het begrip voor al het andere ontnomen.) Ik herinner mij hoe verbaasd ik was, toen hij zei dat hij de overwinnaars gelukwenste en tegelijk medelijden met hen had, omdat de overwonnenen inzagen waar zij aan toe waren en wat zij moesten doen, terwijl de overwinnaars nog geen besef hadden van wat hen te wachten stond. Hij sprak op de verbeten, gedesillusioneerde toon van een mens die veel verloren had en nu zeggen kon wat hij wilde, in het bewustzijn dat niemand hem iets doen kon, maar ook dat zijn woorden hem niet meer hielpen. Na deze grote oorlog stuitte men onder de intellectuelen dikwijls op zulke verbitterde mensen, verbitterd op een bijzondere manier, niet tegen iets speciaals in het leven. Deze mensen vonden niet de kracht in zichzelf met het verleden klaar te komen en zich aan te passen, maar ze konden ook niet besluiten de tegengestelde richting op te gaan. Tot die mensen hoorde ook hij - zo leek het mij toen.

Ons gesprek begon al gauw te stokken, omdat wij die nacht geen van beiden een uiteenzetting wensten op deze wonderlijke plaats van weerzien na zoveel jaren. Daarom praatten wij over andere dingen. Eigenlijk sprak hij alleen. Hij uitte zich ook nu in verzorgde termen en ingewikkelde zinnen, als een mens die meer met boeken leeft dan met mensen, zoals we in een medisch leerboek leren over de symptomen van onze ziekte.

Als ik hem dan een sigaret aanbied, zegt hij dat hij niet rookt. Hij zegt het kortaf, haast met angst en afschuw. En terwijl ik de ene sigaret aan de andere opsteek, spreekt hij gewild luchtig alsof hij daarmee andere drukkende gedachten wil verdringen.

"Zie je, wij zijn nu allebei op breed spoor gekomen, wij hebben de klink van de deur die naar de grote wereld leidt in de hand. Wij verlaten Bosnie. Ik zal daar niet meer terugkomen, jij wel."

"Wie weet?" bracht ik er peinzend tegenin, gedreven door die bijzondere eerzucht die jonge mensen ertoe brengt hun lot voor zich te zien in verre lanen en op ongewone wegen.

"O nee, jij zult zeker terugkeren," zegt mijn reisgenoot overtuigd, alsof hij een diagnose stelt. "En ik zal mijn leven lang de herinnering aan Bosnie meeslepen als een Bosnische ziekte, die veroorzaakt wordt - ik weet dat zelf niet precies of doordat ik er ben geboren en opgegroeid, of omdat ik er nooit meer zal terugkomen. Dat doet er niet toe."

VERVOLG OP PAGINA 18

VERVOLG VAN PAGINA 17

Op een ongewone plaats, een ongewoon uur neemt het gesprek ongewone vormen aan, bijna als in een droom. Ik kijk van opzij naar de forse, in elkaar gedoken silhouet van mijn vroegere schoolvriend en ik denk, hoe weinig hij lijkt op de jongeman die met zijn vuist de verzen scandeerde: "Bedecke deinen Himmel, Zeus!..." en ik denk erover na, wat er van ons zal worden als het leven ons ook verder zo snel en ingrijpend zou veranderen, en ik meen dat alleen de veranderingen die ik aan mezelf waarneem goed en juist zijn. En terwijl ik over dat alles nadenk, merk ik opeens dat de vriend naast mij weer spreekt. Uit mijn gedachten losgerukt, luister ik aandachtig toe, zo aandachtig dat het is alsof alle geluiden van het station om ons heen verstemd zijn en zijn stem het enige geluid is in deze winderige nacht.

"Lange tijd heb ik werkelijk gedacht dat ik net als mijn vader mijn leven lang de kinderen van Sarajevo zou behandelen en zoals hij mijn gebeente op het kerkhof van Kosevo achterlaten. Maar wat ik in de Bosnische regimenten heb gezien en beleefd tijdens de oorlog, heeft mij in dat geloof geschokt en toen ik deze zomer gedemobiliseerd werd en daarna drie maanden in Sarajevo doorbracht, werd het mij duidelijk dat ik hier niet kon blijven leven. Alleen al van de gedachte dat ik in Wenen, Triest of in de een of andere Oostenrijkse stad zou wonen, walg ik tot misselijk wordens toe. Daarom heb ik Zuid-Amerika gekozen."

"Mooi is dat! Kun je misschien vertellen, waarom je uit Bosnie vlucht?" vroeg ik met de directheid waarmee mensen van mijn leeftijd toen zulke vragen stelden.

"Ja, dat kan. Alleen is het moeilijk dat zo maar es even op dit station in een paar woorden te zeggen. Maar als ik in een woord moet uitdrukken wat mij uit Bosnie verdrijft, dan zou ik zeggen: de haat."

Max stond plotseling op, alsof hij, terwijl hij sprak, opeens tegen een onzichtbare muur was gestoten. Ook ik kwam tot de werkelijkheid van de koude nacht op het station van Slavonski Brod terug. De wind werd steeds harder en kouder, de lichten flakkerden en verdwenen in de verte en de nietige locomotieven floten. Boven ons verdween ook het laatste stukje hemel met de spaarzame sterren, alleen nevel en rook vormden een passend dak voor deze vlakte, waarin de mens tot aan zijn ogen in de zwarte, vette aarde wegzonk - zo leek het mij.

In mij ontwaakte plotseling de boze, agressieve begeerte zijn beweringen te weerleggen, hoewel ze mij niet duidelijk genoeg en ook niet begrijpelijk waren. Wij zwegen allebei verlegen. Dit zwijgen lag zwaar tussen ons in de nacht en het was niet te zeggen wie van ons beiden het eerst zou spreken.

Op dat ogenblik klinkt in de verte het naderen van de sneltrein en direct daarna zijn diepe gedempte fluittoon die uit het betongewelf leek te komen. Het hele station vulde zich opeens met leven. Honderden tot dusver ongeziene gestalten stonden in het donker op en begonnen de trein tegemoet te lopen. Ook wij sprongen beiden op en het gedrang waar we in raakten, scheidde ons steeds meer. Het lukte mij alleen nog hem mijn adres in Belgrado toe te roepen.

Na twintig dagen ongeveer ontving ik daar een dikke brief. Aan de envelop kon ik de afzender niet herkennen. Het was Max die mij vanuit Triest in het Duits schreef.

Beste oude vriend,

Toen wij elkaar toevallig in Slavonski Brod ontmoetten, was ons gesprek onrustig en moeizaam. Maar al hadden wij een betere gelegenheid en meer tijd gehad, dan geloof ik toch niet dat we elkaar volkomen begrepen zouden hebben en het eens waren geworden. De onverwachte ontmoeting en het plotselinge afscheid hebben dat echter volkomen onmogelijk gemaakt. Ik bereid mij er nu op voor Triest, waar mijn moeder leeft, te verlaten. Ik ga naar Parijs, waar ik familie heb van moederszijde. Als het mij daar als buitenlander wordt toegestaan een dokterspraktijk te beginnen, zal ik in Parijs blijven; zo niet, dan ga ik inderdaad naar Zuid-Amerika.

Ik denk niet dat deze onsamenhangende en in haast neergeschreven regels in staat zullen zijn mijn 'vlucht' uit Bosnie te verklaren en in jouw ogen te rechtvaardigen. Toch verzend ik ze maar, omdat ik voel dat ik je een antwoord schuldig ben en omdat ik niet wil dat je, indachtig onze schooltijd, mij verkeerd begrijpt en in mij een gewone buitenlander en globetrotter ziet, die het land waar hij geboren is luchthartig verlaat en dat nog wel op het ogenblik waarin dit land juist een vrij leven begint en ieders kracht nodig heeft.

Ik kom meteen ter zake. Bosnie is een heerlijk, interessant en in geen enkel opzicht gewoon land, zowel wat zijn landschap als zijn mensen betreft. En zoals zich daar onder de grond vele bodemschatten bevinden, verbergt ook de Bosnische mens ongetwijfeld vele morele deugden in zich die je bij zijn landgenoten in de andere delen van Joegoslavie minder vaak aantreft. Maar, zie je, er is daar iets wat de mensen in Bosnie, althans de mensen van jouw soort, zouden moeten inzien en nooit uit het gezicht zouden mogen verliezen: Bosnie is een land van haat en angst. Laten we de angst ter zijde; die is inherent aan de haat, zijn natuurlijke echo. Laten we over de haat spreken.

Ja, over de haat. Ook jij schrikt instinctief ervoor terug en komt in opstand als je dat woord hoort (dat heb ik al in die nacht op het station gezien), zoals ieder van jullie zich ertegen verzet het te horen, te begrijpen en in te zien; maar het gaat er juist om dat we het moeten inzien, vaststellen en analyseren. Het ongeluk is juist dat niemand dat wil en kan doen. Want de fatale karakteristiek van deze haat is juist dat de Bosnische mens zich niet bewust is van de haat die in hem leeft, dat hij het vermijdt die te analyseren, en iedereen haat die dat tracht te doen. En toch is het een feit: in Bosnie en de Hercegowina zijn er meer mensen die uit verschillende motieven en met de meest uiteenlopende uitvluchten bij uitbarstingen van die onbewuste haat bereid zijn te doden en zich te laten doden, dan in andere landen die veel groter en dichter bevolkt zijn, of ze nu Slavisch zijn of niet.

Ik weet dat haat, evenals woede, een bepaalde functie vervult in de ontwikkeling van de maatschappij: haat geeft kracht en woede is de motor. Er zijn verouderde en diepgewortelde onrechtvaardigheden en misbruiken die alleen een stroom van haat en woede kan uitroeien en wegspoelen. Als de vloed terugzakt en verdwijnt, blijft er ruimte voor de vrijheid en opbouw van een beter leven. De tijdgenoten kunnen haat en woede beter waarnemen omdat ze eronder lijden, maar het nageslacht zal alleen de vruchten van die kracht en die bewogenheid zien. Dat weet ik best. Maar dat wat ik in Bosnie gezien heb, is iets heel anders.

Het is geen haat als moment in de maatschappelijke ontwikkeling en daarmee een onvermijdelijk deel van het historische proces, maar een haat die optreedt als een kracht op zichzelf en die in zichzelf zijn doel vindt. Een haat die de mens tegen de mens ophitst en dan beide tegenstanders te zamen in het ongeluk stort of hen onder de grond brengt; een haat die, als kanker in het organisme, alles om zich heen aantast, verwoest, maar tenslotte zelf een prooi wordt van die vernietiging, want een dergelijke haat heeft, net als een vlam, geen bestendige vorm en geen leven vanuit zichzelf. Hij is een instrument van de wil tot vernietiging en de drift tot zelfvernietiging. Hij bestaat alleen in deze vorm en alleen zolang tot zijn opgaaf: de volledige vernietiging, vervuld is.

Ja, Bosnie is het land van de haat. Maar na de vreemde tegenstrijdigheid, die eigenlijk niet zo vreemd is en zich bij nauwkeurige beschouwing makkelijk zou laten verklaren, kun je evengoed zeggen dat er weinig landen zijn waar je zoveel rotsvast geloof, zoveel tederheid en hartstochtelijke liefde, zoveel diepte van gevoel en onwankelbare toewijding, zoveel nobele karaktervastheid en dorst naar gerechtigheid kunt vinden. Maar onder al deze eigenschappen verbergen zich in ondoorzichtige diepten stormen van haat, hele orkanen van samengebalde haatgevoelens die rijpen en hun uur afwachten.

Tussen jullie liefde en jullie haat bestaat dezelfde verhouding als tussen je hoge bergen en de duizendmaal grotere en zwaardere onzichtbare aardlagen waar deze bergen op rusten. En zo zijn jullie ertoe veroordeeld boven die diepe explosieve lagen te leven die van tijd tot tijd juist door die vonk van jullie liefde en jullie hartstochtelijke en wrede gevoelens tot uitbarsting worden gebracht. Misschien ligt jullie grootste ongeluk juist daarin dat niemand ook maar vermoedt hoeveel haat er is in die liefde, in die geestdrift, die traditie en devotie. En zoals de bodem waar wij op leven onder inwerking van de atmosferische vochtigheid en warmte invloed uitoefent op ons lichaam, op zijn kleur en uiterlijk, en ons karakter, onze manier van leven en handelen bepaalt, precies zo doordringt de machtige ondergrondse en onzichtbare haat waar het leven van de Bosnische mens op rust, volkomen ongemerkt en indirect al zijn daden, ook de beste daden.

Ondeugden roepen overal op de wereld haat te voorschijn, omdat ze verteren en niet produktief zijn, omdat ze vernielen en niet opbouwen. Maar in landen als Bosnie spreken en werken zelfs de deugden dikwijls als haat. Jullie asceten puren uit hun ascese geen liefde, maar haat tegen de genotzoekers, jullie geheelonthouders haten de drinkers en de dronkaards voeden een dodelijke haat tegen de hele wereld. Zij die geloven en liefhebben, koesteren een dodelijke haat tegen allen die niet geloven of iets anders geloven of iets anders liefhebben. Het grootste deel van hun geloof en hun liefde wordt helaas verbruikt in haat. (De meeste boze, duistere gezichten vind je om de bedehuizen, om de christelijke en mohammedaanse kloosters.) Degenen die maatschappelijk zwakkeren onderdrukken en uitbuiten, versterken hun daden nog door haat die de uitbuiting nog honderdmaal drukkender maakt en zij die deze ongerechtigheid moeten verdragen, dromen van gerechtigheid en vergelding als van een wrekende explosie die, als het naar hun wensen ging, zo machtig zou zijn dat zij de onderdrukten samen met de gehate onderdrukkers vernietigde.

De meesten van jullie zijn er al aan gewend het hele gewicht van de haat te richten tegen dat wat dichtbij is. Jullie dierbare heiligdommen bevinden zich haast altijd achter driehonderd rivieren en bergen, en de voorwerpen van je afschuw en haat zijn altijd vlakbij in dezelfde stad, dikwijls alleen maar aan de andere kant van de muur van de binnenplaats. Op die manier verlangt jullie liefde niet naar veel daden, maar je haat gaat heel makkelijk tot daden over. Je houdt van je land, je hebt het vurig lief, maar op drie of vier verschillende manieren die elkaar uitsluiten, dodelijk haten en vaak genoeg slaags raken.

In een novelle van Maupassant komt een dionysische beschrijving van de lente voor die eindigt met woorden die in zulke dagen op alle straathoeken aangeplakt moesten worden: 'Burgers van Frankrijk! Het is lente! Hoedt u voor de liefde!' Misschien zou je iedere burger van Bosnie bij iedere stap, bij iedere gedachte en bij elk gevoelen, zelfs de verhevenste, moeten waarschuwen voor de haat, voor die aangeboren, onbewuste, endemische haat; want dit achtergebleven, arme land waarin mensen van vier verschillende godsdiensten opeengehoopt leven, heeft vier keer meer liefde, wederkerig begrip en verdraagzaamheid nodig dan andere landen. In Bosnie is echter veeleer het algemene gebrek aan begrip dat van tijd tot tijd overgaat in openlijke haat karakteristiek voor zijn inwoners. De afgronden tussen de verschillende godsdiensten zijn zo diep dat het alleen de haat soms lukt eroverheen te komen.

Ik weet dat ik hierop - en met enig recht - tot antwoord kan krijgen dat er in dit opzicht toch wel een zekere vooruitgang valt waar te nemen; de ideeen van de negentiende eeuw hebben ook hier het hunne gedaan, en na de bevrijding en de eenwording zou dit proces nog vlugger voortgang vinden. Maar ik ben bang dat dit niet helemaal opgaat. (Ik heb, dunkt me, in deze paar maanden de werkelijk bestaande verhoudingen tussen de mensen van verschillende godsdienstige richtingen en verschillende nationaliteit in Sarajevo heel goed gezien!) Men zal overal en bij iedere gelegenheid zeggen en ook verder publiceren:

Vraag niet hoe iemand zich bekruist,

maar wel wiens bloed er in hem huist.

en "heb achting voor het vreemde en wees trots op het eigene" en "de integrale volkseenheid kent verschil van godsdienst noch van stam" . Maar van oudsher is er in de burgerlijke kringen van Bosnie genoeg gehuichelde wellevendheid geweest - zelfbedrog en slim bedrog met klinkende woorden en hol ceremonieel. Dat mag dan de haat verdoezelen, maar ruimt die niet uit de weg en verhindert hem niet te groeien. Ik ben bang dat onder de dekmantel van al deze eigentijdse leuzen in die kringen oude driften en Kainsplannen sluimeren en dat ze zullen blijven leven tot de materiele en geestelijke levensvoorwaarden in Bosnie tot in de bodem veranderd worden. Maar wanneer zal die tijd komen en wie zal de kracht hebben dat door te voeren? Die dag zal komen, daar geloof ik in. Maar wat ik in Bosnie gezien heb, wijst er niet op dat men deze weg al heeft ingeslagen. Integendeel.

Ik heb er veel over nagedacht, vooral in de laatste maanden toen ik nog vocht met de beslissing Bosnie voor altijd te verlaten. Het is begrijpelijk dat een mens die met zulke gedachten rondloopt, niet goed slapen kan. Ook ik lag onder het open raam in de kamer waarin ik ben geboren. Buiten ruisten afwisselend de Miljacka en de vroege herfstwind die door de bladeren streek.

Wie in Sarajevo 's nachts wakker ligt kan de stemmen van de nacht van Sarajevo horen. Zwaar en zeker slaat de klok van de katholieke kathedraal: twee uur na middernacht. Er verloopt meer dan een minuut (ik heb precies vijfenzeventig seconden geteld) en dan pas laat met een zwakker maar doordringend geluid de stem van de Grieks-orthodoxe kerk zich horen die nu haar twee uur slaat. Iets later slaat met een hese en verre stem de klok in de toren van de beg-moskee; hij slaat elf uur en wijst elf spookachtige Turkse uren aan volgens een speciale tijdrekening uit verre vreemde streken. De joden hebben geen klok die slaat, en God-alleen-weet-hoe-laat-het-is-bij-hen, hoe laat naar de tijdrekening van de Sepharden en naar die van de Askenasen. Zo leeft ook 's nachts, als allen slapen, het onderscheid door in het tellen van de verloren uren van deze late tijd. De verschillen die al deze slapende mensen scheiden, die overdag vrolijk of bedroefd zijn, gasten ontvangen volgens vier verschillende, tegenstrijdende kalenders en volgens vier verschillende liturgieen hun wensen en gebeden tot een hemel opzenden. En dit onderscheid, dat dikwijls zichtbaar en openlijk is, maar ook vaak onzichtbaar en heimelijk, lijkt altijd op haat, zo het er niet identiek mee is.

Deze specifiek Bosnische haat zou je moeten bestuderen en bestrijden als een gevaarlijke en diep ingewortelde ziekte. Ik geloof zelfs dat vreemde geleerden naar Bosnie zouden komen om hier de haat te bestuderen, zoals ze de lepra bestuderen, als haat een even erkend en geclassificeerd studieobject was als lepra.

Ik heb er al over gedacht zelf de studie van deze haat op me te nemen, om door hem te ontleden en zijn werking aan het licht te brengen, bij te dragen tot zijn vernietiging. Misschien zou dit mijn opgaaf moeten zijn omdat ik, hoewel door mijn herkomst een vreemdeling, in dit land het levenslicht heb aanschouwd, zoals dat heet. Maar ik heb na mijn eerste pogingen en na langdurig overleg ingezien dat ik daartoe de geschiktheid en de kracht mis. Van mij zou men, net als van alle anderen, verlangen dat ik voor een zijde zou kiezen: haten en gehaat worden, en dat wil ik niet.

Misschien zou ik nog kunnen aanvaarden als slachtoffer van de haat te vallen, maar ik kan niet in haat en met haat leven, ik kan er niet aan meedoen. En in een land als het hedendaagse Bosnie is iemand die niet haten kan, of nog erger, die bewust niet haten wil, altijd een vreemdeling, of een bastaard, en dikwijls een martelaar. Dat geldt ook voor jullie die van geboorte Bosnier bent en vooral voor een immigrant. - En zo heb ik in die herfstnacht, terwijl ik de ongelijksoortige en verschillend klinkende torenklokken van Sarajevo hoorde slaan, de beslissing genomen niet in mijn tweede vaderland Bosnie te blijven, omdat ik hier niet blijven kan. Ik ben niet zo naief in de wereld te zoeken naar een stad waarin geen haat is, nee, ik heb alleen een plek nodig waar ik leven en werken kan, en hier zou ik dat niet kunnen.

Je zult met een lachje, misschien ook met minachting, je gezegde: 'Vlucht uit Bosnie' herhalen. Deze brief zal niet in staat zijn mijn handelwijze tegenover jou te verklaren en te rechtvaardigen. Maar het schijnt dat er in het leven vaak genoeg omstandigheden kunnen zijn, waarin de Latijnse regel geldt: Non es salus nisi in fuga! (Er is geen heil dan in de vlucht!) Ik vraag je alleen dit van mij aan te nemen: ik vlucht niet voor mijn mensenplicht, maar alleen om die volledig en ongestoord te kunnen uitoefenen. Jou en ons Bosnie wens ik in het nieuwe volks- en staatsleven het allerbeste!

Je M.L.

Er ging ongeveer tien jaar voorbij. Ik dacht zelden aan mijn jeugdvriend en ik zou hem totaal vergeten zijn als de grondgedachte van zijn brief mij niet van tijd tot tijd aan hem herinnerd had. Omstreeks 1930 hoorde ik heel toevallig, dat Dr. Max Lowenfeld in Parijs was gebleven, waar hij in de voorstad Neuilly een omvangrijke praktijk had en dat hij in onze kolonie onder de Joegoslavische arbeiders als 'onze dokter' bekend stond, die de arbeiders en studenten kosteloos behandelde en hun zo nodig ook medicijnen verschafte.

Er verliepen weer zeven, acht jaar. Op een dag hoor ik weer toevallig over het verdere lot van deze vriend van mij. Toen in Spanje de burgeroorlog uitbak, liet hij alles achter en gaf zich aan als vrijwilliger voor het leger der republikeinen. Hij organiseerde eerste-hulpposten en lazaretten en werd om zijn activiteit en bekwaamheid spoedig bekend. In het begin van 1938 was hij juist in een stadje in Aragon waarvan geen van mijn landgenoten de naam goed kon uitspreken.

Zijn lazaret werd bij klaarlichte dag het doel van een luchtaanval en hij viel, samen met bijna al zijn patienten.

Zo eindigde het leven van een mens die vluchtte voor de haat.

Vertaling: C. W. Sangster-Warnaars en K. Vermeulen-Dijamant

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden