Brein van autist, vol testosteron

Al vijftien jaar verzamelen Cambridge-wetenschappers bewijs voor hun theorie dat mensen met autisme een extreem mannelijk brein hebben. De theorie van Simon Baron-Cohen staat nog steeds overeind, al wordt er de laatste tijd meer aan de stoelpoten gezaagd.

Anne werkt in de Jumbo. Ze heeft een eigen gangpad, dat van de babyvoeding. Ze zet de pakken en potjes met flesvoeding en groentehapjes in de schappen en is daar zo de hele dag mee bezig. Eerst de achterste uit het schap halen, de nieuwe achteraan zetten en die met de kortste houdbaarheidsdatum vooraan. Ze houdt ervan de producten netjes te rangschikken, de etiketten precies in het midden. Soms vraagt een klant haar waar iets staat. Van klanten die geïrriteerd zijn omdat ze niet vinden wat ze zoeken, kan ze schrikken, maar altijd geeft ze beleefd antwoord en loopt zo nodig met de klant mee. Want ze kent de winkel op haar duimpje. Ze werkt er al jaren, "samen met meer mensen zoals ik", legt ze graag uit. De anderen zijn bijna allemaal mannen.


Ruim viermaal zoveel jongens als meisjes hebben autisme. En als je binnen die groep kijkt naar mensen met het syndroom van Asperger, een autismespectrumstoornis met onder andere een normaal tot hoog IQ, is de verdeling zelfs één vrouw op de tien mannen. Hoe komt het toch dat de stoornis zo oneerlijk verdeeld is over de seksen? De Engelse autismedeskundige Simon Baron-Cohen vroeg zich dat vijftien jaar geleden ook af en zocht het antwoord in de hersenontwikkeling. Hij bedacht een theorie die veel over het gedrag van mensen met autisme kan verklaren en die hij vandaag de dag nog steeds verkondigt - in november geeft hij een lezing voor studenten en onderzoekers van de Universiteit Utrecht. Volgens hem vinden tijdens de hersenontwikkeling van de foetus processen plaats die het ene brein meer mannelijk en het andere meer vrouwelijk maken. Autisme ziet hij als een extreme vorm van mannelijk denken.


Zijn 'extreem mannelijk brein'-theorie staaft Baron-Cohen met allerlei onderzoeken waaruit blijkt dat vrouwen gemiddeld beter zijn in taal, in het inschatten hoe een ander zich voelt, beter in empathie, samenwerken, doen alsof. Mannen zijn gemiddeld beter in wiskundig redeneren, figuren zien in een groter plaatje, iets in gedachten roteren, navigeren. Kort gezegd: mannen zijn gemiddeld meer van het systematiseren en vrouwen van het empathiseren. En volgens de theorie zijn mensen met autisme nog weer meer dan gemiddelde mannen gericht op systemen en minder op mensen.


Die verschillen zitten er al vroeg in. Baron-Cohen en zijn collega's ontdekten dat pasgeboren meisjesbaby's gemiddeld langer keken naar het gezicht van een vrouw dan naar een babymobiel dat er erg op leek, en bij jongensbaby's was dat andersom. De onderzoekers zien dat als een sterke aanwijzing dat meisjesbaby's gemiddeld meer gericht zijn op mensen en jongensbaby's gemiddeld meer op systemen, en dat die sekseverschillen bovendien aangeboren zijn - een baby van één dag oud is tenslotte nog amper door zijn of haar omgeving beïnvloed. Twee jaar geleden voegden onderzoekers van de Universiteit van California in San Diego daar de bevinding aan toe dat de kans dat je met een autistische peuter te maken hebt 100 procent is, als hij in zo'n onderzoek meer dan 70 procent van de tijd besteedt aan kijken naar de systemen en niet naar de mensen. Extreem jongensgedrag, lijkt het.


Het woord 'gemiddeld' staat er niet voor niks steeds bij. Baron-Cohen heeft er zelf waarschijnlijk een sneltoets voor, want telkens weer benadrukt hij in zijn boeken en artikelen dat het gaat om gemiddelden, om groepen mensen en niet om individuen. Niet alle mannen hebben een mannelijk brein en sommige vrouwen juist weer wel. Hij geeft zelfs toe dat zijn eigen ruimtelijk inzicht te wensen over laat. Iemand heeft ook niet of een mannelijk of een vrouwelijk brein, het is een soort continuüm met systematiseren aan de ene kant en empathiseren aan de andere. Maar al die slagen om de arm weerhouden anderen er niet van om tegen zijn theorie in opstand te komen. Een van de kritieken op zijn werk is dat het de hele tijd maar gaat om verschillen, terwijl er toch ook vooral veel overeenkomsten zijn tussen mannen en vrouwen. Bovendien gaan meisjes misschien eerder praten en bouwen ze sneller een vocabulaire op, maar die verschillen verdwijnen met de jaren.


Baron-Cohen werkt ondertussen stoïcijns door aan de bewijslast van zijn theorie. In testjes voor ruimtelijk inzicht waar jongens over het algemeen beter in zijn dan meisjes blijken autistische kinderen beter te zijn dan gewone kinderen. Ook de hersenen zijn anders: mannen hebben een groter brein dan vrouwen, en inderdaad, mensen met autisme hebben een nóg groter brein. In het mannenbrein lijken meer korte neuronenconnecties te zitten en minder verbindingen naar verder weg liggende delen in het brein dan in vrouwenhersenen, en ook dat verschil lijkt bij autistische mensen te zijn uitvergroot.


Maar als je al die verschillen vindt, moet je ook verklaren waar ze door ontstaan. En daarover is zeker niet iedereen het met Baron-Cohen eens. Hij denkt dat de verschillen in de hersenen voor een groot deel ontstaan door hogere testosteronniveaus in de foetus. Tussen 8 en 24 weken gaat er een stoot testosteron door jongensfoetussen heen als de testikels zijn aangemaakt. De Cambridge-onderzoekers maten die niveaus en volgden de kinderen vervolgens een paar jaar. Toen bleek dat hoe hoger het prenatale testosteronniveau was, hoe minder oogcontact de kinderen maakten als ze één jaar oud waren, hoe kleiner hun woordenschat was op tweejarige leeftijd en hoe minder goede vriendjes en beperktere interesses ze hadden toen ze vier waren. Allemaal aspecten die bij gemiddelde jongens horen en in extremere mate bij autistische kinderen.


Tegenstanders vinden andere dingen. Vorig jaar verscheen een studie die aantoonde dat autistische vrouwen inderdaad meer testosteron hadden en mannelijker gezichtstrekken, maar de autistische mannen in de studie hadden geen hogere testosteronniveaus dan gewone mensen en hadden juist meer vrouwelijke gezichtstrekken. Een studie van begin dit jaar zet de man-vrouwverschillen in nog een ander daglicht: vrouwen met autisme hebben de stoornis gemiddeld veel erger dan mannen. Volgens de Amerikaanse onderzoekers komt dat door een mechanisme dat vrouwenhersenen doorgaans beschermt tegen autisme. Om daar doorheen te breken, moet de genetische aanleg voor autisme veel sterker zijn bij meisjesfoetussen, wat tot gevolg heeft dat ze de stoornis in een ernstiger vorm krijgen. Dat kan ook verklaren waarom veel minder vrouwen het toch wat mildere syndroom van Asperger hebben. En het nieuwste idee komt van onderzoekers van het Radboudumc, die zeggen dat we autisme bij vrouwen minder goed herkennen, omdat autistische vrouwen minder bizarre interesses hebben. Een meisje dat onophoudelijk als een paard rond galoppeert valt toch minder uit de toon dan een jongen die bezeten is van nummerborden.


Anne heeft dus mogelijk een extreem mannelijk brein door veel prenataal testosteron of misschien heeft het beschermende mechanisme in haar hersenen gehaperd doordat ze een groot genetisch risico had om autisme te krijgen. Hoe het precies zit, daar wordt nog volop over gesteggeld. En uiteindelijk hoopt men daarmee autisme steeds beter te kunnen opsporen, zodat iedereen zo passend mogelijk behandeld kan worden. Want iedereen verdient een eigen gangpad.


IT'ers: meer kans op een autistisch kind

De Britse autismehoogleraar Baron-Cohen deed recentelijk ook onderzoek in Eindhoven. Hij wilde erachter komen of in gebieden waar veel mensen wonen die heel sterk zijn in systematiseren autisme meer voorkomt. Daarvoor leende technologiestad Eindhoven zich perfect, omdat er veel IT'ers zijn neergestreken, die zeer systematisch moeten kunnen denken. De onderzoekers vergeleken autismecijfers onder schoolkinderen in Eindhoven met die onder kinderen in Haarlem en Utrecht en vonden inderdaad een groot verschil. In Eindhoven hadden 229 op 10.000 kinderen een autismespectrumstoornis, in Haarlem en Utrecht waren dat er respectievelijk 84 en 57. Met zijn 'extreem mannelijk brein'-theorie kan Baron-Cohen dat verklaren. Autisme is daarin een doorgeschoten vorm van systematiseren en het is bovendien sterk genetisch bepaald. Daar valt uit af te leiden dat ouders met een talent voor systematiseren een grotere kans hebben om kinderen te krijgen met een autismespectrumstoornis, dan ouders die meer in het midden op de systeem-empathieschaal zitten.


Bron: Nationale monitor geestelijke gezondheid 2004


Autisme volgens het nieuwe handboek

Drie autismespectrumstoornissen zijn in het nieuwe handboek voor psychische aandoeningen dat in mei dit jaar uitkwam op één hoop gegooid: klassiek autisme, de stoornis van Asperger en pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anderszins omschreven (PDD-NOS). Simon Baron-Cohen heeft het in zijn artikelen alleen over de eerste twee. Voor alle autismespectrumstoornissen geldt dat mensen problemen hebben met sociale communicatie en interactie, dat ze telkens weer hetzelfde doen en heel specifieke interesses hebben. Mensen met de stoornis van Asperger functioneren over het algemeen goed. Bij hen zit het in kleine dingen, zoals dat ze geen beeldspraak of ironie begrijpen en dat ze soms net op het verkeerde moment invallen in een gesprek. Kinderen die met PDD-NOS worden gediagnosticeerd hebben autistische trekken, maar niet genoeg om in een van de twee andere categorieën te vallen. Zoals de naam 'autismespectrumstoornissen' al aangeeft, valt elk kind met een diagnose ergens op het spectrum en zijn er dus geen twee kinderen gelijk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden