... brandde het hart in je donder

Jongeren met spuuglokken die zich ophouden op straathoeken en stadspleinen, zittend op hun brommer, gehuld in een leren jas, de sigaret bestudeerd ongeïnteresseerd bungelend in de mondhoek en de transistorradio met rock-'n-rollmuziek bij de hand, die ongevraagd ongezouten commentaar leveren op iedere voorbijganger.

In de jaren vijftig maakt braaf Nederland kennis met een nieuw fenomeen: de nozem. Jongemannen die genoeg hebben van de heersende moraal en kleinburgerlijkheid, die zich afzetten tegen de gevestigde orde en die werken grote onzin vinden. Die geen zin hebben in het beeld dat Gerard Reve zo treffend schiep in 'De Avonden': overdag met de fiets naar kantoor, 's avonds rode kool met aardappelen, bij de gaskachel luisteren naar het nieuws en dan ontevreden naar bed. 'Weerspannige opgeschoten jongeren' worden ze in politierapporten wel genoemd, omdat regelmatig agenten worden ingeroepen om 'het tuig' met gummistokken uit het straatbeeld te verwijderen.

In 1955 verschijnt in Vrij Nederland een drieluik van journalist Jan Vrijman en fotograaf Ed van der Elsken over 'de nozems van de Nieuwendijk' in Amsterdam - een bekende verzamelplek en drukke uitgaanswijk. Vrijman en Van der Elsken geven in de reportagereeks hun kijk op, wat zij noemen, 'de bandeloze, opgeschoten straatjeugd'. Volgens hen is het niet alleen een Amsterdams probleem, 'maar van vele andere steden over de gehele wereld'. Een van die andere steden is in ieder geval Rotterdam: daar komen in de jaren vijftig de Lijnbaansjongeren op, ook echte nozems. En ook Den Haag kent zijn nozemprobleem.

Nozems, concluderen Vrijman en Van der Elsken, zijn 'uitgekookte jongens die iets anders van het leven verwachten dan een keurige betrekking, een degelijk huwelijk en fatsoenlijk aanbelanden bij Drees' (eindigen in de AOW).

Wat willen nozems dan wel? Avontuur, sensatie, een nieuw soort levensvervulling. Met honderdtwintig kilometer per uur op een motor rijden, drie dagen met een meisje gaan, boksen, judo en jiujitsu. Je meten met je tegenstander en zorgen dat hij je niet vloert. Een partij knokken met andere nozems of de politie. Kortom: hier en nu voelen dat je leeft, 'dat je hart brandt in je donder'. Kracht, spieren, motoren en ongepolijste mannelijkheid. Dat is leven.

De eerste nozems zijn bijna allemaal ongeschoolde arbeiders, die werken bij de groenteman, sjouwen in de havens, als krantbezorger lopen of met tijdschriften op stations staan. Een beetje een echte nozem heeft geen baas: hij scharrelt hier en daar zijn kost bij elkaar en als het niet meer bevalt, neemt hij de benen. Als het geld op is, zoekt hij een nieuwe inkomstenbron. Veel geld hebben ze dus ook niet. Cafébezoek kunnen ze eigenlijk niet betalen. Een goedkoop filmpje wel en een colaatje uit de automatiek. En op zaterdag heel even een biertje in een dancing.

De kranten lijken in die tijd geen genoeg te krijgen van de groepen jongeren die ook in hun ogen niet wilden deugen. Berichten over gevechten met de politie en in Amsterdam ook van tijd tot tijd met penose die de nozems met loden pijpen, ploertendoders, knuppels en latten met spijkers van hun territorium slaan, doen het erg goed.

De berichtgeving zorgt er weer voor dat sensatiezoekers naar de steden trekken om de relletjes met eigen ogen te zien. In 1967 besluit een groep van honderddertig mariniers op eigen houtje de nozems, die voor irritatie onder de gegoede burgerij zorgen, uit het Amsterdamse Centraal Station te slaan. De politie kijkt voor de gelegenheid de andere kant op. In vijf minuten is de klus geklaard.

Over de term 'nozem' -Nederlands Onderdaan Zonder Enig Moraal- is in de loop van de tijd veel discussie geweest. Lange tijd geldt Jan Vrijman als degene die het woord heeft bedacht en geïntroduceerd. Na zijn artikelenreeks neemt Van Dale het woord op met als omschrijving: 'van vetkuif voorziene en door sociale onlustgevoelens beheerste branieschopper'.

Volgens anderen introduceerde schrijver-dichter Willem van Iependaal de term al twintig jaar eerder. Nozem zou oorspronkelijk afkomstig zijn van het bargoense 'nootsum', wat geen geuzennaam was maar een scheldwoord. Het stond voor groentje of snotneus. In zijn bekende boek 'Polletje Piekhaar', over de Rotterdamse penose, laat Van Iependaal Polletje zeggen dat hij 'niet voor een nootsum wil doorgaan'.

Het Haagse weekblad De Week had het niet over nozems, maar publiceerde al veel vroeger dan Vrijman, namelijk in 1947, over 'het probleem der losgeslagen grotestads-jeugd' en dan vooral over 'het jeugdige Nieuwendijk-publiek' dat volgens De Week 'een brute, grove neiging tot kabaal' vertoont.

Katholieke of gereformeerde jeugdclubs, onderwijzers, dominees, paters; niemand lijkt vat te krijgen op de grotestadsjeugd. Uiteindelijk loopt het met de meeste nozems niettemin goed af, concludeert Vrijman. En 'goed' betekent dan dat de meesten uiteindelijk tegen een meisje aanlopen waarmee ze het langer dan een dag of drie uithouden. Ze verloven zich, trouwen, krijgen kinderen, moeten geld verdienen en melden zich dus toch bij een baas.

In de eerste helft van de jaren zestig staan verschillende groepen nozems regelmatig recht tegenover elkaar. Op het Amsterdamse Leidseplein vormt zich een soort culturele variant, de 'pleiners' geheten. Zij zetten zich af tegen de jongens van de Nieuwendijk, de 'dijkers'.

De pleiners zijn artistieker; ze houden van filosoferen en praten over kunst. Ze zijn iets beter opgeleid dan de dijkers, dragen suède schoenen (bordeelsluipers), luisteren naar jazz en later beat. Een Puch of Tomos heeft de voorkeur als brommermerk.

Dijkers blijven de rock-'n-roll trouw, dragen vetkuiven, puntschoenen, witte T-shirts, colberts en leren jassen. Bij hen is de buikschuiver favoriet, en dan maakt het niet zoveel uit of het een Eysink is, een DKW, een Kreidler of een Zundapp.

Halverwege de jaren zestig vervaagt de tegenstelling. Wat de jongeren bindt is een gezamenlijke afkeer van het geüniformeerd gezag. Een nieuwe jongerenbeweging ziet het levenslicht: Provo.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden