Bram Peper

'Ik had ook profvoetballer kunnen worden, aanvaller, hÿ. Je hebt de achterhoede nodig, maar het zijn toch de mindere spelers.' (MARK KOHN) Beeld
'Ik had ook profvoetballer kunnen worden, aanvaller, hÿ. Je hebt de achterhoede nodig, maar het zijn toch de mindere spelers.' (MARK KOHN)

Bram Peper (Haarlem, 1940) is socioloog en oud-politicus. Van 1984 tot 1998 was hij burgemeester van Rotterdam. In 1998 werd Peper minister van binnenlandse zaken. In 2000 trad hij af omdat hij ervan werd beschuldigd in zijn burgemeesterstijd valse declaraties te hebben ingediend. De ’bonnetjesaffaire’ werd een juridische strijd die eindigde met een schadevergoeding en een rehabilitatie voor Peper.

I - Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Bij atheïsten, hoe eloquent zij hun overtuiging ook beschrijven, voel ik me niet thuis. Ooit was ik er niet, nu ben ik er een tijdje wel en straks ben ik weer verdwenen. Opgelost in het niets. Dat mensen geloven, begrijp ik goed. Het leven is ingewikkeld, onverklaarbaar; een eenzaam avontuur. Het geloof kan een enorme steun zijn. Ik zoek het ergens anders: in nuchterheid, in zelfreflectie, in vriendschappen en in de wetenschap dat het op een dag gewoon allemaal is afgelopen.

Toen ik 24 was stierf mijn vader. Hij was pas 46 jaar. Vanaf dat moment ben ik sterk gaan relativeren. Ik nam het leven niet minder serieus, maar ik leerde mezelf de helicopterview: ik kijk op een afstand naar de samenleving en naar mezelf. Ik zie hoe ik eigenlijk altijd op de grens van slagen en mislukken heb gebalanceerd. Dat verschil is niet zo verschrikkelijk groot. Keer op keer heeft het toeval me verrast. Ik weet hoe mijn leven anders had kunnen lopen. Ik mag niet klagen. Doe ik ook niet. Ik ben een tevreden mens. In beginsel.”

II - Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Verafgoding, daar doe ik niet aan, maar ik kan mensen wel enorm bewonderen. Wat een violist doet is prachtig, maar aangezien ik niet verder kom dan een cd’tje opzetten is dat niet echt een goede vergelijking.

Ik kijk liever naar mensen uit mijn eigen biotoop: sociologen, politici. Ik heb veel leermeesters gehad. Harry van Doorn (oud-minister van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk, overleden in 1992), Joop den Uyl, Jacques van Doorn (hoogleraar, publicist, columnist, overleden in 2008) en Arnold Heertje, maar ook van de Noorse socioloog Vilhelm Aubert heb ik veel opgestoken. Vergeleken met deze heren ben ik een tuinkabouter, maar ik krijg er geen neerslachtige gevoelens bij.

Tuurlijk, er zitten ook kabouters onder mij, maar die inspireren me niet.”

III - Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Ik heb niets met fundamentalisme, van welke aard dan ook, maar ik voel er weinig voor om artikel 7 van de Grondwet op een of andere manier in te snoeren. Ik zou moslims willen aanraden zich niets aan te trekken van wat Geert Wilders over hun god of godsdienst zegt.

Het wordt anders als je iemand persoonlijk beledigt of onwaarheden over hem verkondigt. Ik had heel wat rechtszaken tegen journalisten kunnen beginnen, maar het is niet mijn cup of tea. Vooral niet omdat ik bang ben dat bepaalde stemmingen in de samenleving worden vertaald in wetgeving waardoor je dingen niet meer mag doen, omdat ze niet oorbaar worden geacht. En de vraag naar oorbaarheid wordt altijd door de elite geformuleerd.

Daarbij komt nog dat je bij de Nederlandse rechter niet veel bereikt als je opzettelijk wordt beledigd, omdat zo’n daad niet door een geweldige boete wordt afgestraft.

Ik heb eens Neelie (Kroes, eurocommissaris, was van 1991 tot en met 2003 met Peper gehuwd, AV) begeleid bij een zaak tegen een of ander roddelblad dat had beweerd dat Neelie een lesbische relatie met Ayaan Hirsi Ali had. Dat leek me – tenzij ik echt helemaal nooit heb opgelet – niet aan de orde. Een goede jurist heeft een dagvaarding opgesteld, dat ding heb ik gelezen en van commentaar voorzien en vervolgens ging het kort geding niet door, omdat de rechter zei dat partijen kennelijk al met elkaar in gesprek waren. Er werd een rectificatie geplaatst en 5000 euro schadevergoeding betaald. De advocaat kostte ons 7000 euro. Dat schiet natuurlijk niet op. Een afschrikwekkend hoog bedrag: dat is naar mijn idee de enige sanctie die effect heeft.”

IV - Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Zondag was een verschrikking. Er was niets te doen voor straatjongens zoals ik. En dan moest ik van mijn moeder ook nog nette kleren aan. Voetballen in een keurige broek: dat gaat niet. Ik kwam meestal thuis met een scheur in mijn broek en daar kreeg ik vervolgens voor op mijn donder.

We woonden in een straat met veel verschillende geloven; iedereen ging wel naar een of andere kerk. Wij niet. Ik had niet het idee dat ik iets tekort kwam en ik voelde ook geen voordeel om niet met een straffende God te maken te hebben. Mijn ouders hadden hun eigen geloof: het communisme. We deden mee aan de 1 mei viering, we lazen De Waarheid en De Uijlenspiegel, het weekblad van de CPN. Iedere ochtend begon met de strijdliederen die de Vara-radio uitzond.

Mijn moeder had al vrij snel in de gaten dat het niet helemaal goed zat. Ze ergerde zich aan de verering van Stalin. Mijn vader stapte na de Hongaarse opstand in 1956 uit de partij. Voor mij, als kind, was hun keuze een gegeven; ik wist niet beter. Dat het niet altijd een aanbeveling was, merkte ik voor het eerst toen ik op straat werd uitgescholden voor ’vieze, vuile communist’.

Mijn vader bleef fel anti-paaps ook al kaartte hij op zaterdagavond met de meest roomse familie uit de buurt. Mijn moeder ging naarmate ze ouder werd steeds vaker naar de kerk. In het verpleeghuis waar ze de laatste vijf jaar van haar leven heeft gewoond, was de komst van de dominee op zondag het hoogtepunt van de week.”

V - Eer uw vader en uw moeder

„Ik heb scherpe herinneringen aan mijn kindertijd; ik denk dat ik zelfs nog weet dat ik als baby in de luiers lag. Ik herinner me het bombardement van ’43. Bommen van de geallieerden, bedoeld voor de werkplaats van de spoorwegen, kwamen op de Amsterdamse buurt terecht. Ik zie doden en gewonden. Huizen in puin. Aan de overkant van de straat waren de nummers 14, 16, 18, 20 en 22 verwoest.

Ik herinner me dat mijn vader, die in een verzetsgroep zat gelieerd aan die van Hannie Schaft, af en toe verdween. Mijn moeder werd onderhouden door allerlei types die langskwamen met voedsel of kleding. Als mijn vader terugkwam, was het feest. Meestal had hij paling of een andere lekkernij bij zich.

Ik herinner me dat er een luidsprekerwagen door onze straat reed en dat alle mannen werden opgeroepen om aan het begin van de middag aan de straatkant klaar te staan om opgepikt te worden.

Ik herinner me hoe één buurman tegen alle adviezen in deed wat hem werd opgedragen. Hij woonde op nummer 27, in de Alberdingk Thijmstraat. Hij is nooit meer teruggekomen.

Ik herinner me dat ik op mijn stepje, met mijn vader mee, de Haarlemmermeer introk om daar bij boeren spullen te ruilen voor voedsel.

Ik herinner me dat ik zeurde over de zoveelste variant met suikerbieten die me werd voorgezet.

Ik herinner me de intocht van de Canadese troepen over de Amsterdamse weg, het wittebrood dat smaakte als cake.

Ik herinner me een huis vol familie omdat iedereen in die tijd bij elkaar kroop om te bezuinigen op de stookkosten.

Ik weet niet precies wat de impact van zo’n start is. Misschien ben ik er wel zo’n fighter door geworden. Er was niks, maar je maakte er het beste van. We leefden op straat; iedereen in de buurt deed aan de opvoeding mee. Ik was hongerig, gretig, leergierig. Toen ik op de lagere school een klas oversloeg, zei mijn buurjongetje, jongetje Bos, dat ik later nog eens burgemeester zou worden. Ik was de eerste uit ons milieu die ging studeren. Het was een standenmaatschappij; ik viel op doordat ik me anders kleedde, anders sprak.

Ik kwam bij schoolvrienden thuis, in Heemstede. Die woonden in paleizen vergeleken bij de arbeiderswoninkjes uit onze buurt. Ik pendelde tussen twee werelden. Mijn ouders vonden het goed dat ik probeerde hogerop te komen, maar ik kon bij hen met vragen over mijn studie niet te rade gaan. Ik moest het alleen doen.

Er werd weinig gezegd, bij ons thuis. Ik moest maar een beetje gissen of ik het goed deed. Mijn moeder was streng, onvoorspelbaar. Ze had zichzelf niet in bedwang. Niet dat ze me vaak sloeg, maar toch ik was bang voor haar. Later kon ik het wel begrijpen: ze had een dramatische jeugd gehad, kwam uit een asociaal milieu, trouwde jong, raakte door de oorlog getraumatiseerd. Ze bleef met moeite overeind. Ik deed de gekste dingen om het haar naar de zin te maken. Als zij ging werken, zorgde ik voor mijn twee zusjes. Tussen de middag zorgde ik voor het eten en ik maakte de boel schoon zodat mijn moeder, aan het eind van haar lange werkdag, thuiskwam in een opgeruimd huis. Ze zei er nooit iets van.

Toen ik op mijn 21ste het huis uit ging, nam ze mij dat heel erg kwalijk. Het kostte me verschrikkelijk veel moeite om weg te komen. Een paar jaar later kreeg mijn vader kanker en stierf. Ik werd een soort familieoudste en moest vaak bemiddelen in conflicten tussen mijn moeder en mijn zussen. We hebben vaak gebotst. Mijn vader was een rustige, rationele man. Zij was gevoelig, altijd met zichzelf bezig. Altijd klagen. Ontevreden. Tijdens haar crematie, een paar jaar geleden, zei ik: ’Mijn moeder had het met de geschiedenis niet getroffen’.”

VI - Gij zult niet doodslaan

„Ik ben een vechtersbaas, maar niet in letterlijke zin. Slaan is een zwaktebod. Als ik me opwind val ik stil, bang om me onbeheerst te gaan gedragen. En als ik ergens een hekel aan heb, dan is het aan onbeheerste mensen. Ik kies voor waardigheid. Daar heb ik mezelf zo in getraind dat ik, als het uit de hand loopt, onmiddellijk een terugtrekkende beweging maak.

Te veel drinken is daar ook een voorbeeld van, daar heb je gelijk in. Het is vluchtgedrag, maar ik ga nooit zo ver dat ik dronken word. Daar werkt hetzelfde mechanisme: zodra het uit de hand dreigt te lopen, schakel ik uit en val in slaap. Maar ik wil de controle, de zelfbeheersing helemaal terug zien te krijgen. Daarom laat ik sinds een maand of tien de alcohol weer staan.”

VII - Gij zult niet echtbreken

„Ja, dat heb ik een paar jaar geleden óók ontdekt: de relaties met vrouwen in mijn leven zijn bijna altijd afspiegelingen van de verhouding met mijn moeder geweest. Pleasen tot ik erbij neerval. Ik heb niet zo’n gelukkig persoonlijk leven gehad, om het mild uit te drukken. Ik ben drie keer getrouwd geweest, drie keer met de bedoeling om dat nooit te beëindigen. Ik ga geen huilerig verhaal tegen je afsteken – ik was er zelf bij – maar mijn omgeving weet hoe zeer ik mijn best heb gedaan om er tóch iets van te maken. Ik ben teleurgesteld in mezelf, het was mijn eigen stommiteit, mijn eigen verantwoordelijkheid ook, maar ik heb het met deze vrouwen ook niet erg getroffen. Ik had eerder uit die eerste twee huwelijken moeten stappen, maar ik denk dat je met meer deskundigheid een wasmachine uitzoekt dan een vrouw, begrijp je?

Met Neelie was het anders. Wij waren kindred spirits, dacht ik. Ik denk dat ik me heb vergist. Op een dag was het voorbij. Ik weet nog steeds niet waarom. Veel naar gevraagd, geen antwoord op gekregen.

Ik heb mijn hoop op persoonlijk geluk, op dat terrein, geheel opgegeven. Een gelopen race. Ik kan het niet opbrengen om me nóg een keer volledig in een ander te verdiepen. Daar ben ik content mee, hoor. Ik leef niet geïsoleerd; ik heb een leuke vriendenkring en ik vermaak me uitstekend. Het is beter zo.”

VIII - Gij zult niet stelen

„Ik heb nog nooit gestolen. Geen cent.”

IX - Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„En als je me niet gelooft, best. Je gaat je goddelijke gang maar. Degenen die er belang bij hebben om het verhaal van Bram Peper en de bonnetjesaffaire in stand te houden, zijn helemaal niet geïnteresseerd in de waarheid. Negen maanden lang, van maart tot december 2000, heeft justitie mijn declaratiegedrag onderzocht. Zestig uur lang ben ik als verdachte ondervraagd over elke cent die ik als burgemeester van Rotterdam heb uitgegeven. Ik kan je verklappen: er zijn leukere dingen in het leven.

Ik heb geweldig gevochten, rechtszaken gewonnen en ik zou nog eindeloos door kunnen gaan met procederen, maar ik heb alleen mezelf ermee. Ik heb er geen zin meer in.

Kijk, instituties hebben geen geweten, geen geldnood of tijdgebrek. Privépersonen móeten het op een gegeven moment opgeven, relativeren en erop toezien dat ze niet zelf het probleem worden.

Joh, ik heb zóveel over me heen gekregen, dat wil je niet weten. Ik ben er immuun voor geworden. Dit is het lot van openbare figuren, je moet er tegen kunnen. Ik heb in mijn burgemeestertijd al geleerd dat onwetendheid een probaat middel is om overeind te blijven. ’Weet u dan niet wat er allemaal over u wordt gezegd?’ Nee. Ik weet van niks.

Ik heb, zonder onnozel te worden, altijd geprobeerd om achterdocht op een afstand te houden. Je kunt niet zonder vertrouwen werken. Dat is een groot gebrek van onze samenleving; het wantrouwen is geïnstitutionaliseerd. Daarom wil men alles controleren, alles met targets – wat wij vroeger doelstellingen noemden – afrekenen. Ik ben niet tegen meten, maar meten is niet altijd weten. Meten is niet altijd kennis, wetenschap of wijsheid.

We leven in een samenleving die het vertrouwen heeft weggeorganiseerd. Maar ook een zogenaamd ingewikkelde samenleving kán niet zonder vertrouwen als basisbeginsel, als binding tussen mensen en instituties. Wie het vertrouwen schendt, krijgt straf, dat is helder, maar als wantrouwen je uitgangspunt wordt moet je iedereen gaan controleren. Zo’n systeem verstart onze samenleving, dan krijg je toezicht op toezicht. Maar who the hell houdt toezicht op de toezichthouders? Het vertrouwen moet terugkomen. We stikken in het gezwel dat controle heet.”

X - Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Ik heb grote vreugde als het een ander goed gaat. Oké, ik heb een paar vijanden voor wie ik misschien iets minder ruimhartig ben, maar die zitten niet meer in mijn systeem. Als ik hoor dat ze verschijnen bij een gelegenheid waarvoor ik ook ben uitgenodigd, blijf ik liever thuis.

Welk cijfer mijn leven krijgt? Ik word door mijn afstandelijkheid – mijn gespeelde afhankelijkheid – vaak voor arrogant versleten, dus in die traditie zou ik het graag een 8- willen geven. Iets lager dan mijn doctoraal. Dat deed ik cum laude. Als het toeval mij niet een handje had geholpen, was ik als een of andere brave wetenschapper geëindigd, maar toch: ik heb het onderste uit de kan gehaald.

Ik heb een broertje dood aan mensen die zichzelf te laag inschatten, die een grote bek hebben en zaken toch maar half aanpakken. De beheersing waar ik het eerder over had, was ook een vorm van uitgestelde behoeftebevrediging. Ik had ook profvoetballer kunnen worden – aanvaller hè; je hebt de achterhoede nodig, maar het zijn toch de mindere spelers – maar mijn studie ging voor.

Ik heb steeds energie vrijgemaakt voor dingen die nog moesten gebeuren. Nu hoef ik niet zoveel meer. Ik zei het je al: ik ben tevreden.

Het enige waar ik niet vrolijk op terugkijk, is die ellende rond 2000. En misschien had ik eerder uit Rotterdam weg moeten gaan. Die laatste ambtsperiode, van 1994 tot 1998, zat qua sfeer helemaal niet goed. O, en ik had in 1996 voorzitter van de Ser kunnen worden. Het was een balletje dat ik zomaar had kunnen inkoppen, maar ik heb het niet gedaan. Ach, je hebt er niets aan, aan die ’met de kennis van nu’ flauwekul. Ik heb wel eens gedacht dat een gelukkig huwelijk mij een betere carrière had opgeleverd omdat ik nu veel te veel energie heb gestoken in dingen die zinloos bleken te zijn. De gedachte klopt wel, maar ik heb er niets meer aan. Het is zoals het is.

Er zijn mensen die in de loop der jaren wijzer worden. Ik weet niet of het voor mij ook telt. Misschien wel. Een beetje. Maar ik voel me nog steeds een jongetje van binnen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden