Opinie

Boze bes

Het komt een enkele keer wel eens voor dat ik op straat word uitgescholden. De wereld is nu eenmaal onhebbelijk en niet iedereen ziet al die mooie en opbouwende gedachten aan mij af.

Natuurlijk voel ik me dan onheus bejegend en gekrenkt maar toch kan ik diep in mijn hart ook wel eens een spoor van begrip opbrengen voor de boosheid van de tegenstander. Ik fiets bijvoorbeeld een beetje in gedachten te dicht langs iemand („He dooie, kijk uit!”) of zet per ongeluk een teen in een werkje van enige bouwvakkers („Zal ik jou in elkaar timmeren, lelijke paardenbek?”).

Onlangs echter werd ik voor alles wat mooi en lelijk is uitgemaakt, en dat volkomen ten onrechte, en ik moet zeggen, het voelde op een perverse manier wel goed om zo schromelijk miskend te worden. Het gebeurde in een bekende Amsterdamse winkelstraat. Twee dames, zo te zien een moeder en haar dochter, die net bij de Hema hadden gewinkeld en nu de winkel verlieten, raakten met een boodschappentas heel lichtjes een juist passerend oud vrouwtje.

„Pardon”, riepen ze eensgezind, maar het oude mensje reageerde onverwacht kwaad: „Ja, wat koop ik daarvoor?” „Nou nou”, sputterden de twee vrouwen onthutst bij zoveel onwelwillendheid. Maar nu raakte het besje oververhit. „Zijn jullie helemaal gek geworden, vuile teven”, tierde ze, „kritiek op mij hebben. Durven jullie wel.” De twee vrouwen liepen verstandig hoofdschuddend weg, maar ook dit was niet naar de zin van het boze wijfje: „Beesten zijn jullie, mij omver te lopen”. Hoewel ik net bezig was geweest mijn fiets te ontsluiten bleef ik als een geharde ramptoerist even stil staan bij het straattoneeltje.

Toen moeder en dochter een beetje ontzet in hun Ford Ka waren gestapt, achtervolgd door de laatste invectieven van de boze bes, richtte ze haar kwaadheid op mij: „Wat sta je daar te kijken, viezerik, smeerlap”. Het was mij inmiddels wel duidelijk dat de foeterende bejaarde haar zin voor proporties had verloren, toch sputterde ook ik tegen met een vaag „Nou nou, u stelt zich wel aan zeg”. Ook dit was, zoals te verwachten, olie op het vuur. Ze kwam nu op mij af, balde haar vuist, en schreeuwde dat ik moest maken dat ik wegkwam, stuk vuil, hondsvot, gajus! Het waren ietwat ouderwetse scheldwoorden, zoals je ze niet elke dag meer hoort. Haar getier gaf het hele tafereeltje gek genoeg iets tijdloos.

Altijd en overal waren er vreemde, verknipte wezens die hun innerlijke woede op iemand anders richtten. In de middeleeuwen noemde je het heksen en ging je op de heksenwaag kijken of ze niet verbrand moesten worden, tegenwoordig hadden ze een of ander zwaar trauma opgelopen en kregen ze als het goed was psychische hulp. Ik vroeg me af of ik iets goeds had kunnen zeggen, of het geholpen had als ik had voorgesteld: Toe maar oma, ik breng u wel even thuis. Of niet oma, maar mevrouw! Of: Zal ik uw boodschappen dragen? Goed doen, terwijl je uitgescholden wordt, het was beslist het hoogste dat de mens kon bereiken. Maar ze was al weer verdwenen, in de onverschillige massa, die haar pijn deed en beledigde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden