Bouwer voor echte mensen

Een sulletje, vond hij zichzelf. Toch werd hij een belangrijk architect die zich inleefde in de gebruikers van zijn gebouwen.

Op alle kasten en deuren in de flat in Hillegersberg in Rotterdam, waar Leo de Jonge de afgelopen jaren woonde, zaten plakkertjest, met rode, gele of blauwe balletjes. Hij had dit stickersysteem bedacht om zijn vrouw Nelly, die aan Alzheimer leed, te helpen de weg te vinden in haar eigen huis.

Als ze de afwas stond te doen – ze vond het heerlijk om te redderen in het huishouden – kwam het voor dat ze met de schone borden in haar handen stond, zonder te weten wat ermee te doen. Dan riep Leo: ’Twee blauwe balletjes’ en dan wist ze weer achter welk deurtje de borden thuis hoorden of waar ze de wijnglazen moest laten. Het zoeken naar de wc-deur loste hij op door er drie rode ballen op te plakken. Trefzeker bij hoge nood.

Bij de eerste verschijnselen van haar ziekte had Leo de Jonge geen idee wat hij daarmee aan moest. Eerst raakte hij geïrriteerd en ongeduldig als ze iets niet kon vinden of dingen vergat. Maar daar werden ze allebei doodongelukkig van. Toen besloot hij zich zo goed mogelijk te verplaatsen in zijn vrouw, haar niet meer tegen te spreken of te corrigeren maar met humor en liefde te reageren en desnoods mee te fantaseren. Net zoals hij in al die jaren als architect zich ook altijd had proberen in te leven in de gebruikers van de gebouwen en woningen die hij ontwierp.

Zijn aanpak bleek een schot in de roos. De zorg voor Nelly werd zijn nieuwe levensdoel. Samen worden als een kind, omschreef hij de tien jaren dat ze ’toch gelukkig waren, mét Alzheimer’. Toen ze tijdelijk moest worden opgenomen in een verpleeghuis, omdat hij na een operatie even niet voor haar kon zorgen, overrompelde het hem geestelijk dat Nelly het daar naar haar zin had. Het was een klap voor hem dat ze hem ogenschijnlijk niet miste. Hij stortte in, maar na een paar maanden krabbelde hij weer overeind. Hij snapte dat het zo beter was voor hen allebei. Vanaf dat moment zocht hij haar elke dag op.

Na haar overlijden, in december 2008, zocht hij nieuwe bezigheden. Hij werd lid van een boekenclub en ging er elke dag met zijn scootmobiel op uit, weer of geen weer. Trots vertelde hij over het aantal kilometers dat hij had gemaakt. Hij kwam wel een keer met een lege accu middenin een bos tot stilstand. Pap, ga nou eens rustig zitten, zeiden zijn kinderen geregeld. Maar calvinist die hij tot op het bot was, moest hij altijd iets doen en zich nuttig maken voor de gemeenschap.

Mensen die Leo de Jonge hebben gekend in de jaren dat hij een van de grootste architectenbureaus van Nederland leidde, met op het hoogtepunt in de jaren zeventig 150 medewerkers, kunnen zich moeilijk voorstellen dat hij ooit een verlegen jongetje was, dat met enige afgunst keek naar zijn oudere broer Joop die altijd de show wist te stelen. Joop kon alles beter, was voor niets of niemand bang en had met zijn vlotte babbel en knappe uiterlijk legio vrienden. Leo was de tweede in het gezin van vijf kinderen van Jos en Jaan de Jonge, die begin vorige eeuw vanuit Zeeland naar de Randstad waren gekomen. Eerst naar Amsterdam, later naar Rotterdam omdat daar meer te bouwen viel voor Jos, die architect was. De droom van zijn vader – gymnasium en piano spelen – had Leo niet waar kunnen maken. Voetballen kon hij ook al niet. Hij zag zichzelf als een sulletje, een slungel met een brilletje.

Na vijf moeizame jaren haalde hij het mulo-b-diploma, maar doorleren op de hts moest hij in de avonduren doen. Overdag werkte hij als timmermansleerling. Toen na het bombardement op Rotterdam de administratie van de school bleek verbrand, besloot hij zich stiekem een klas hoger in te laten schrijven, meteen in de vijfde. Dat was hard werken, maar zo werd het verlegen jongetje dat architect wilde worden, wel een verbeten vechtjas, zou hij later zelf schrijven in een logboek over zijn leven.

Zijn zelfvertrouwen groeide nog verder toen Nelly, de onbereikbaar geachte zus (mét hbs-B diploma) van zijn maat Henk Burggraaff in militaire dienst, zijn liefde bleek te beantwoorden. Nelly verliet het ouderlijk huis met tuin in het Gooi om met haar broodmagere nerveuze echtgenoot in Rotterdam te gaan ’inwonen’ op een bovenetage. Tien jaar woonden ze daar en er werden twee dochters geboren. Daarna verhuisden ze naar een huis met tuin, waar ze nog drie zonen kregen.

Voor zijn jonge gezin had Leo amper tijd, al probeerde hij wel bij de avondmaaltijd te zijn. Tot de vaste rituelen daarbij hoorden het lezen uit de Bijbel, het bidden en het zingen van psalmen. Leo en Nelly waren allebei gereformeerd in hart en nieren en dat droegen ze ook uit. Er werd nooit alleen gebeden voor eigen lief en leed, ook de noden in de wereld kwamen altijd aan bod. Als er veel wereldleed was, kon het gebed soms zo lang duren, dat na het Amen een van de kinderen met het hoofd in het etensbord in slaap gevallen was.

Leo werkte toen inmiddels op het architectenbureau van zijn vader in Rotterdam, waar duizenden woningen gebouwd moesten worden vanwege de woningnood. Omdat er grote schaarste was aan materialen en aan geld, moest er doelmatig worden gebouwd.

Tot zijn verrassing werd Leo als jong architect uitgenodigd om in het kader van de Marshallhulp naar Amerika te gaan om kennis op te doen over goedkope en industriële bouwsystemen. Hij moest alleen reizen en zou zich pas in Amerika bij een groep andere Nederlanders uit de bouwwereld aansluiten. Achteraf bekende hij dat zijn verlegenheid en onzekerheid weer behoorlijk hadden opgespeeld. Doodeng had hij het gevonden, maar eenmaal in Amerika had hij zijn ogen uitgekeken. Voor zijn zelfvertrouwen was het een enorme opsteker. De houding van de Amerikanen, verwoord in de zin It’s new, let’s try it beviel hem wel.

Terug in Nederland paste hij die vernieuwingsdrift toe in zijn ontwerpen, niet zozeer wat betreft de vormgeving maar vooral op het sociale vlak. Hij morrelde aan starre regels die niet bijdroegen aan het woonplezier van mensen. Hoogbouw was volgens hem hoe dan ook niet geschikt voor gezinnen met kinderen. Maar omdat de bouwtrein door moest denderen en er productie moest worden gedraaid, viel vaak niet te ontkomen aan rechttoe rechtaan bouwen.

Toch wist hij dingen bij te sturen, op het oog geen ingrijpende veranderingen, maar voor die tijd behoorlijk revolutionair. Zo kreeg hij het voor elkaar om in Amsterdam-Noord een aantal woonflats die achter elkaar in het gelid zouden worden gebouwd, te laten knikken, zodat de mensen allemaal een vrij uitzicht kregen. Veel werd gestandaardiseerd in de naoorlogse woningbouw. In de woonwijken die uit de grond werden gestampt, waren de straten kaarsrecht met huizenblokken al even star in het gelid aan weerszijden. Notenbalken zonder muziek, noemde Leo de Jonge ze. Hij probeerde toch wat muziek aan de notenbalken toe te voegen. In plaats van veertig mensen op een galerij te zetten, streefde hij naar twaalf. Hij ontwierp het eerste Centraal-Wonenproject van Nederland, de Wandelmeent in Hilversum. De menselijke schaal en ’gemeenschapsbevorderende’ woningbouw waren voor hem belangrijker dan een mooie gevel. Daarmee onderscheidde hij zich van beroemder geworden tijdgenoten die iconen ontwierpen, zoals Van den Broek en Bakema met hun Lijnbaan. Ook bij de bouw van tehuizen voor ouderen of geestelijk gehandicapte kinderen onderscheidde hij zich door zich te verdiepen in hun belevingswereld. In zijn hele oeuvre valt dat op.

Hij koos bewust voor de sociale kant van de architectuur, nadat hij eerst had laten zien dat hij ook iconen kon bouwen, maar die hadden in zijn ogen minder prioriteit. In Heerjansdam bouwde hij een prachtig raadhuisje met heel veel glas, zodat de bewoners vanaf de straat zo de raadzaal konden inkijken en ook konden zien wie er bij de burgemeester op bezoek kwam.

Nog indrukwekkender was de kweekschool St. Lucia in het centrum van Rotterdam die hij ontwierp in opdracht van de franciscanesser kloosterorde. Eigenlijk werkten de nonnen altijd met de katholieke architect Kraaijvanger. Maar deze stelde moeder overste zuster Augusta voor om deze opdracht aan de gereformeerde Leo de Jonge te geven, omdat die toch al bezig was met de bouw van een garage naast het klooster. De nonnen wilden de school graag boven de garage laten bouwen. Van ontzuiling was toen nog geen sprake, maar Kraaijvanger bezwoer zuster Augusta dat ze die gereformeerde architect wel kon vertrouwen.

Leo de Jonge was daar zo verguld mee dat hij zich voornam om een ’blij, wit en stralend gebouw’ te maken dat afweek van al die ’sombere rotscholen’ waar hij zelf op had gezeten. Het moest een feest worden en dat werd het ook. Tot in de kleinste details had hij zich verdiept in de belevingswereld van de scholieren. Om te voorkomen dat ze last zouden hebben van het lawaai van de garage, liet hij de onderramen naar buiten toe openvallen, zodat het geluid als het ware van het gebouw weg werd geslingerd.

Het ruime en lichte gebouw met dakterras is onlangs aangewezen als rijksmonument. Leo de Jonge heeft dat nog net gehoord, voordat hij op Tweede Kerstdag overleed, vredig en gelukkig dat hij zijn Nelly weer zou zien. Een groot deel van zijn nalatenschap had hij bestemd voor goede doelen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden