Bouwer in de wereld

Atze Sybrandy 1953-2014

Hij had altijd de mooiste verhalen over de landen waar hij ontwikkelingswerk deed. Over de ellende sprak hij weinig. Dat brak hem uiteindelijk op.

Hij was dolgelukkig met zijn nieuwe baan. "Ik ben 61 jaar en toch heb ik weer een contract voor twee jaar kunnen krijgen", zei hij opgetogen. Na de jaarwisseling zou hij beginnen bij Save the Children. Voor zijn eerste klus zou hij naar Liberia gaan, in het ebolagebied, acht weken werken, één week vrij. Dat ritme kende hij uit zijn lange verleden in de hulpverlening voor allerlei organisaties.

Atze Sybrandy werkte in vluchtelingenkampen in Rwanda, in Sumatra na de tsunami, in Haïti na de aardbeving, in Zuid-Soedan, Niger, Irak, Pakistan, Zimbabwe en Burma.

In de berichten die hij naar huis stuurde, schreef hij altijd mooie verhalen. Dat het soms levensgevaarlijk was, liet hij pas later voorzichtig merken. Zoals die keer dat hij bijna met een auto in het ravijn was gestort, of over zijn ontstoken blindedarm die door een gewone arts bij het schijnsel van een gloeilamp was verwijderd. Vanuit Burma schreef hij over de prachtige boeddhabeelden, niet over de immense spanningen tussen de bevolkingsgroepen.

Atze voelde zich fit. Voordat hij opnieuw naar Afrika zou vertrekken, wilde hij nog even naar een winters oord om te snowboarden. Dat had hij geleerd op z'n 52ste. Hij vroeg zijn zoon Daan, die er verstand van heeft, om voor hem een nieuw board te kopen. "Ik heb weer wat te besteden, dus koop een goede", zei hij.

Als zestiger drong af en toe het besef door dat hij eens met pensioen zou moeten gaan. Dat was dan weer aanleiding voor een wild plan: een lap grond kopen in Afrika en daar zelf een huis op timmeren. De drang om te bouwen zat in zijn genen. Als jongetje gaf hij daar al blijk van door konijnenhokken te timmeren (de konijnen zelf verkocht hij in de kersttijd).

Atze was de middelste van zeven kinderen. Hij was geboren in het Friese dorp Hylaard, waar zijn vader onderwijzer was. Toen hij nog maar een kleuter was, verhuisde het gezin naar Uithuizermeeden, in het noorden van Groningen, waar zijn vader hoofd van een lagere school werd.

Het gezin bleef onderling Fries spreken. Ook toen de kinderen volwassen waren, bleef Fries de voertaal op familiebijeenkomsten. Op feesten en partijen, ook in verre buitenlanden, tooide Atze zich graag met een haarband of bretels met de hartjes van de Friese vlag.

Atze bleef een middelpunt van de familie. Als kind nam hij graag de zorg op zich van kleinere zusjes: flesje geven, luier verversen en uitstapjes maken naar het park of de dierentuin. Later, op de familiebijeenkomsten met Pasen op een gehuurde boerderij, zorgde hij er altijd voor dat zijn kippen op tijd kuikentjes hadden om de boel op te vrolijken.

Na de mulo en de mts ging hij naar de hogere technische school in Groningen om weg- en waterbouw te studeren. Toen pakte hij ook zijn eerste bouwklus aan. Als student van begin twintig ging hij met zijn vader naar de bank en wist een hypotheek los te praten voor een huis in de Groningse Billitonstraat. Hij vertimmerde het huis om het geschikt te maken voor een woongroep: hijzelf, een broer en twee andere studenten.

Hij deed alles zelf, behalve gas en water. Vernuftig wist hij gebruik te maken van materiaal dat voorhanden was, zelfs sloophout. Dat kleur en vorm niet helemaal passend waren, deerde hem niet. Als het maar werkte en hij niets hoefde weg te gooien.

In 1976 deed hij zijn stage in Zuid-Afrika. Hij wilde de apartheid met eigen ogen zien. Afrika zou hem niet meer loslaten. In 1979 trok hij naar Rwanda voor de toenmalige Stichting Nederlandse Vrijwilligers voor de aanleg van waterleidingen. Dat was het begin van een onzekere loopbaan, van het ene project naar het andere.

In 1983 ontmoette hij in Nederland de verpleegster Johanna op een nieuwjaarsfeest. Ze gingen samenwonen en kregen twee kinderen: Daan en Maaike.

Bij het ontwikkelingswerk werden steeds meer lokale mensen ingeschakeld. Om hen beter te kunnen begeleiden, volgde hij een hbo-opleiding personeelswerk. Ook in Nederland kwam hem dat van pas. Hij werkte bij het arbeidsbureau in Groningen waar hij de moeilijke gevallen kreeg. Later deed hij hetzelfde in Hoogezand.

In de buurt van zijn studentenhuis, kocht hij een tweede pand, aan de Korreweg, dat geschikter was voor een gezin. Hij verhuurde de begane grond en ging boven wonen.

Atze nam in 1990 de zorg voor het gezin op zich toen zijn vrouw Jo medicijnen ging studeren. Hij bleek een goede huisman, die zelfs tuinpakjes voor de kinderen kon naaien.

Toen Jo na vijf jaar klaar was met de studie, begon het bij Atze weer te kriebelen. Op tv zag hij de beelden van kampen waar de ontelbare vluchtelingen van de stammenstrijd in Rwanda werden opgevangen. Hij had er ervaring en hij moest en zou daar opnieuw heen.

Nu werd hij ingehuurd als personeelswerker voor de massa aan hulpverleners in Rwanda. Dat zou zijn specialisme blijven.

Een jaar later verhuisde het gezin naar Delft, waar Jo kon beginnen als invaller voor huisartsen. Voor Atze betekende dat een nieuw bouwproject: een herenhuis aan de Julianalaan: een douche op zolder, een nieuwe keuken, de schuifdeuren in de kamer. Ook in de buurt werd hij actief. De drukte op de Julianalaan stoorde hem en hij ging samen met buurtbewoners in de slag met de gemeente om veilige oplossingen te bedenken. Even later zat hij weer in een ver land om daar oplossingen te vinden.

Dat verre werk werd minder toen er op ontwikkelingshulp werd bezuinigd. Een personeelswerker werd al gauw als een luxe gezien. Maar toen de wereld versteld stond van de tsunami die in 2004 Aziatische kusten had weggespoeld, werd Atze weer ingezet, nu op het Indonesische Sumatra. Dat gaf hem voldoening. Iedereen was doelgericht bezig en er was geen tijd voor onenigheid en politieke spelletjes.

Dat zou hij ook ervaren na de aardbeving in Haïti in 2010. Toen daar het ergste achter de rug was, bedacht hij weer eens een wild plan: hij zou een loterij opzetten voor de gokbeluste Haïtianen die wat geld hadden. De opbrengst zou naar de huizenbouw gaan. Wat voorbarig ging hij al op zoek naar geschikte bouwmaterialen.

Toen hij terugkwam in Nederland in 2012, was hij afgepeigerd. Het werk had hem dieper aangegrepen dan ooit tevoren. Of was het de opeenstapeling van ervaringen in al die landen waar hij had gewerkt? Zijn vrouw Jo had haar eigen problemen met een huisartsenpraktijk. Ze waren uit elkaar gegroeid. Het betekende het einde van hun huwelijk.

Atze ging naar een psycholoog die ervaring met oorlogstrauma's had. Het huis werd verkocht en Atze ging bij zijn jongere zus Annemarie in Heemstede wonen. Daar vond hij al gauw een klus: een serre bouwen aan haar huis.

Uiteindelijk vond hij een flat aan de Papsouwselaan in Delft. Hij verbouwde de woning, zodat hij een deel kon verhuren. Twee Chinese studentes kwamen bij hem inwonen. Atze zag de toekomst weer monter tegemoet, vooral toen dat nieuwe contract voor Liberia rond was. De Chinese meisjes zouden de flat bewoond houden en de planten water geven als hij in het buitenland was.

Niemand zag het aankomen, hijzelf ook niet. Was het die verwijde aorta? Of had het iets te maken met de keelontsteking die maar niet over ging? Niemand die het weet. Een van de Chinese meisjes vond hem dood in bed.

Atze Jan Sybrandy is geboren op 16 april 1953 in Hylaard, Friesland. Hij stierf op 21 december 2014 in Delft.

Op tv zag hij de kampen met vluchtelingen in Rwanda. Hij had er ervaring en hij moest en zou daar opnieuw heen.

Atze Sybrandy op zijn zestigste verjaardag.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden