Bouwen aan een thuis voor de wereldtop

sportcampus | Het vergde drie olympiades om Papendal om te vormen van congrescentrum tot toonaangevende topsportcampus. Volgens Maurits Hendriks vormen daar niet de hoogwaardige accommodaties de motor, maar de dagelijkse topsportdynamiek daaromheen.

De afspraak is op kantoor, maar Maurits Hendriks vindt voor een interview over Papendal de omgeving van topsport passender. Gekleed als doorsneecoach, op feloranje sportschoenen, leidt de technisch directeur van NOC-NSF zijn gasten naar het restaurant op de topsportcampus. Een grote, rumoerige ruimte waar sporters van uiteenlopende pluimage eten en ervaringen delen.

Onderweg vertelt Hendriks dat hij als jonge hockeyer in de jaren zeventig op Papendal trainde. Een deprimerende omgeving toen, een vergadercentrum waar amper een topsporter in het wild viel te ontwaren. Nu meldt hij dat Papendal 'mondiaal een van de toonaangevende omgevingen' voor topsport is.

Het kan dus verkeren. Hendriks verhaalt over het Australian Institute Of Sport in Canberra, een van de eerste plaatsen waar werd bewezen dat sportprestaties systematisch maakbaar zijn. Daar legden de Australiërs de basis voor hun succesvolle Spelen van 2000 in Sydney. Nederland, met topsportbeleid in kinderschoenen en een fractie van het Australische budget, excelleerde met een plaats bij de toptien.

"Twee mensen van onze staf waren vorig jaar in Canberra, de tranen schieten je in de ogen. Het is vervallen, geen sporter wil daar meer naartoe. Dat is nu zoals Papendal dertig jaar geleden. Het bewijst dat je niet zomaar succesvol blijft. De sportwereld is ingrijpend veranderd."

Wie had destijds kunnen bevroeden dat Nederland, vlek zonder topsportcultuur, nu nauwgezet zou worden gevolgd door de grote sportlanden? Zeker na Sotsji, waar schaatsend Nederland opzien baarde, is de belangstelling voor het Nederlandse topsportsysteem sterk toegenomen.

Buitenlandse bonden

"Er melden zich op Papendal meer landen dan wij aankunnen. We zouden dit complex deels kunnen financieren met bezoeken van buitenlandse bonden, maar dat zou ten koste gaan van de kwaliteit van de omgeving. We doen het alleen als de betreffende Nederlandse bondscoach ze graag wil hebben om mee te sparren. Zo hebben we de afgelopen jaren Brazilië vaak langs gehad: volleybalteams, hockeyteams, boksers, handboogschutters."

"We hebben er niet bij stilgestaan, maar het is wel ons doel geweest om toonaangevend te worden. De buitenlandse belangstelling is de bevestiging dat dat gelukt is. Toen de Amerikaanse trainer Rana Reider door de atletiekunie hierheen werd gehaald, kwam zijn atleet Christian Taylor, olympisch en wereldkampioen hink-stap-springen, vragen of hij zich hier mocht vestigen. Nergens op de wereld, zei hij, had hij een betere trainingsomgeving gezien. Hij woont hier nu al ruim een jaar permanent."

"Datzelfde zien we in Eindhoven met De Tongelreep als zeer hoogwaardige omgeving voor zwemmen. Zoals Heerenveen dat is voor turnen en straks, met Thialf in de nieuwe setting, voor schaatsen, en Amsterdam met het centrum op de Bosbaan voor roeien. Papendal kan samen met die drie cto's (Centrum voor topsport & onderwijs, red.) concurreren met wat in de wereld als topniveau wordt gezien. Daar gaan we zeker de vruchten van plukken."

Vorig jaar noemde Hendriks in Trouw Papendal, fraai gelegen in het natuurgebied nabij Arnhem, de 'kathedraal' van de olympische topsport. Zou je het niet ook, minder sacraal, 'medaillefabriek' kunnen noemen? Hij knikt bedachtzaam. "Ik kan me nog goed herinneren dat ik voor de Olympische Spelen van Londen tegen Jochem Schellens, directeur van Papendal, zei: 'Ik hoop wel voor jou dat er medailles vallen. Want wat wij hier investeren, daarvoor moet wel worden geleverd.' In die tijd kwamen er niet veel WK-medailles van Papendal."

Nu wel. "Een mooie ontwikkeling was destijds dat de hockeymeiden hier gingen trainen. Daarmee werden de kansen van Papendal vergroot. En het BMX-programma leverde een hele mooie medaille op van Laura Smulders. Vier jaar verder kan je de statistieken erop naslaan: we hebben nu veel stabiele, medailleleverende programma's. Handbal is erbij gekomen, volleybal, handboogschieten, baanwielrennen, de mannenhockeyers."

Atletiek bleef lang achter, erkent Hendriks. "Dat zat hier al lang, maar was nooit van podiumniveau. Peter Verlooy en Charles van Commenée (de laatste was de voorganger van Hendriks, red.) besloten in 2005 dat het in de atletiek anders moest. Er werden harde keuzes gemaakt, veel atleten verhuisden naar Papendal. Hetzelfde gebeurde met handbal. Daaraan zie je dat minimaal acht jaar nodig is om met structureel goed werk van een start naar een stabiel medailleprogramma te gaan."

Er komen steeds meer van die programma's, steeds met als doel het behalen van een stabiele plaats bij de mondiale toptien. Bij voorkeur op basis van diversiteit, niet zoals in 2000 alleen maar dankzij drie excellerende gouddelvers.

"Diversiteit is een groot goed in Nederland. En met 27.000 sportverenigingen hebben we in elk dorp sportaanbod. Dat neemt men als vanzelfsprekend aan, maar dat is het helemaal niet. We hebben die diversiteit nog niet in medailles, ik zou de Olympische Spelen heel succesvol vinden als dat zou lukken. Zonder vechtsport was een onderdeel van de Nederlandse bevolking niet in de olympische ploeg vertegenwoordigd. Dat stoorde mij in hoge mate. Nu hebben we weer olympisch boksen, dat was vijf jaar geleden ondenkbaar."

Voeding

"Toen ik hier in 2009 begon, was de vraag wat we moesten doen om naar het volgende niveau te komen. Een aantal basisstenen van goede trainingsfaciliteiten was voor elkaar. Maar met bijvoorbeeld voeding ging het nog nergens over. Op het gebied van technologie zijn voeding, herstel en kennisdeling de drie acceleratoren geweest. Voor de topsportmedische voorzieningen hebben we een heel netwerk van mensen erbij gehaald."

"Voor een goed topsportprogramma heb je de beste atleten nodig met de beste coaches en de beste trainingsfaciliteiten, heel simpel. Kom je daarmee in de mondiale topacht, dan moet je de kleine verschillen die resten in je voordeel laten omslaan. Dan kan je niet aankomen met een sportarts die het zelf nog moet uitvinden, daar gaan de Dafnes en de Epkes niet hard meer van."

"Je hebt een expertveld nodig dat al op een hoger niveau staat dan de sporter. Wereldleidend in innovatie zijn we nog niet, maar dat is wel onze ambitie. We hebben nu het begin van een structuur die de komende jaren iets gaat opleveren. Twintig jonge sportwetenschappers werken als embedded scientists verspreid over Nederland in topsportprogramma's. Daarbuiten vormen ze een eigen netwerk, met aansluiting bij kennisinstellingen en labs en ze vinden hun weg naar innovatiebudgetten. Daar heeft een coach geen tijd voor."

"De toetssteen voor kwaliteit bedenken we niet hier op Papendal, zoals sommige mensen denken. De toetssteen is simpel: wat werkt in de sportwereld? Wat doen de landen waarvan jij verliest? Dat bepaalt wat voor programma je moet hebben om succesvol te kunnen zijn.

"Wil je het systeem van de vier hoogwaardige cto's productief maken, dan gaat het niet alleen om de topsportsetting, maar ook om de individuele ontwikkeling van de sporters. Onderwijs en vorming als mens moeten daarin aan de orde komen. Dat is makkelijk gezegd en héél moeilijk te realiseren. Je moet afspraken maken met scholen, met het ministerie. Ook daar maken we kleine stappen, onder meer met het ontwikkelen van een elektronische leeromgeving. Maar elke universiteit heeft nog een eigen topsportregeling.

"Er zitten op Papendal zo'n 350 sporters in een hoogwaardige omgeving. De senioren hebben dat voor 100 procent nodig, anders doe je niet mee. Maar de helft zit in fulltime talentenprogramma's en voor talenten kent een hoogwaardige omgeving een keerzijde: het gevaar dat we ze pamperen, alles is voor ze geregeld. Daar zit een kantelpunt waarop we grip proberen te krijgen. Met mensen die kinderen kunnen meenemen in het ontwikkelingstraject om een succesvolle topsporter te worden."

In de judobond zag lang niet iedereen de afgelopen jaren in wat Papendal te bieden heeft. Hendriks: "Voor judo waren overtuigende redenen om het topsportprogramma te veranderen, die sport hebben we sterk uitgedaagd. Wat er lag, was voor ons niet toekomstzeker. Hoe garandeer je juist voor die kwetsbare sporters dagelijks medische verzorging op topniveau op verschillende steunpunten? De bond koos zelf voor Papendal, dat heeft niets met de bezetting maken. Het zit hier bomvol, als er iemand bij wil, moet er iemand anders weg. Bij judo hoor ik verschillende geluiden, van heel cynisch tot laaiend enthousiast. We hebben nu een lijst van 95 judoka's die hier hebben ingetekend. Die kunnen niet wachten om hier te beginnen."

Vergelijk judo met hockey, zegt Hendriks, ook een sport met een eigen, beschermde clubomgeving. "De hockeymeiden waren dit helemaal niet gewend. Die zeiden: 'Wij dachten dat wij er veel voor deden, totdat we elke dag met jongens van BMX zaten te lunchen. Toen ging voor ons een wereld open over wat leven voor de sport is'."

Op de topsportcampus Papendal is de motor niet de hal of de atletiekbaan. De motor is dat wat er in de topsportdynamiek van de hele dag eromheen gebeurt. Je dagindeling, rusten, goed eten, de studie erbij doen. Dat kunnen hele pittige dilemma's zijn voor jonge mensen. Maar hier zijn dat gedeelde dilemma's.

"Verreweg de meeste sporters hebben deze omgeving nodig. Daarmee zeg ik niet dat iedereen op Papendal aardt, er zijn er ook die na een half jaar weggaan. Daarom ben ik blij dat we niet slechts één cto hebben. Uiteindelijk kiest elke sporter voor zijn eigen setting."

Maurits Hendriks, technisch directeur van NOC-NSF.

Sifan Hassan, met op de fiets haar coach Honore Hoedt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden