'Bouterse hoort in de bak'

Stanley Rensch gaat terug naar Suriname. De mensenrechten-activist neemt een zeker risico, want met zijn openlijk beleden opvattingen maakt hij zich niet geliefd. Bouterse is de wortel van alle kwaad: “Bouterse is het symbool van de verkrachting van de democratische spelregels” “Het enige dat we nastreven is onderzoek naar de misdaden en rechtsvervolging. Dan pas kan Suriname met een schone lei beginnen.”

Zijn bekendheid als voorman van het mensenrechtenbureau Moiwana '86 biedt hem uiteraard ook de nodige bescherming. Hij is immers niet zo maar een 'marron', geuzennaam voor de bosnegers uit de binnenlanden van Suriname, zoals die uit het dorpje Moiwana, waar de troepen van legerleider Bouterse op 21 november '86 onder het mom van strijd tegen het jungle-commando van Ronnie Brunswijk tientallen bosnegers afslachtte, vrouwen en kinderen vooral. En ermee heeft kunnen wegkomen, hij, Bouterse. Net als met de decembermoorden van '82.

Herman Gooding, een inspecteur van de Surinaamse politie, heeft nog een tijdje onderzoek gedaan naar die moordpartij in Moiwana. Drie verdachten van de slachting had hij al getraceerd. Geheel tegen de zin van de - militaire - autoriteiten in Suriname, en in augustus 1990 werd Gooding na een bezoek aan Fort Zeelandia, na een stevig onderhoud met Bouterse's militaire politie, met kogels in het hoofd teruggevonden. Dader(s) onbekend.

En nog steeds heerst in Suriname een sfeer van rekeningen vereffenen, van verholen terreur, de dreiging met liquidatie. Vandaar Stanley Rensch' pleidooi, begin september hier in Den Haag voor leden van de Tweede Kamer, om vooral terughoudend te zijn met terugsturen van jongens naar Suriname die, al dan niet via het junglecommando, zich destijds tegen Bouterse en de zijnen hebben verzet.

Vandaar ook dat hij alléén teruggaat. Zijn vrouw, geboren Nederlandse, blijft hier in Assen achter, net als zij twee zoons, elders in Nederland. Hij hoopt dat ze later kunnen komen, als alles rustig en veilig is. Maar Stanley Rensch wil naar huis, home is where the heart is, en voor hem is dat Suriname. Niet Paramaribo, maar het èchte Suriname, de binnenlanden, zíín grond.

Niet dat er veel vrije tijd zal overschieten wanneer hij back home is, zegt hij. Het wordt hard werken, met Moiwana '86, waarvan hij het directeurschap inmiddels heeft overgedragen aan de juriste Ineke de Miranda, zelf is de 54-jarige Rensch nu voorzitter van de stichting. En zolang moordpartijen van december '82, van november '86, in Pokigron, de moord op Herman Gooding, niet zijn opgehelderd, zolang ook zal Moiwana '86 niet zwijgen.

Hij weet dat hem in Suriname weinig vrolijks te wachten staat, en dat betreft niet alleen de aversie jegens hem en zijn mede-activisten. Politiek lopen de spanningen binnen de regering van president Venetiaan hoog op, en Bouterse, de vroegere legerleider, die bij de laatste verkiezingen met zijn Nieuwe Democratische Partij politiek nogal op een zijspoor is gekomen, probeert nu via allerlei slinkse wegen en sterke positie te herwinnen. En het feit dat van de regeringscoalitie Nieuw Front, fractieleider Rogers nog niet zo lang schande riep omdat Bouterse door Nederland de toegang werd ontzegd, duidt er op dat hem dat al aardig lukt.

Tja, en dan dat leger. Dat altijd rondwarende spook van het leger. Rensch: “Het is tekenend voor het klimaat, hè. Dat onvermogen van de bestuurders om het leger betrouwbaar onderdeel van de rechtstaat te maken. De pas benoemde legerleider Artie Gorré, nota bene een vroegere compaan van Bouterse, heeft zijn ontslag al weer ingediend. Die merkt ook dat het met onwillige honden slecht hazen vangen is.”

Rensch wil niet iedereen binnen de legertop over een kam scheren. Er zijn genoeg mensen binnen het leger die het idee van de democratische rechtstaat omarmen, die inzien dat het loont om in het gareel van die rechtstaat te lopen. Maar wie 'leger' zegt, zegt Bouterse, en zijn voormalige coupmakkers, Sital, Graanoogst, Boerenveen. Bij Boerenveen valt meteen ook de associatie met cocaïnesmokkel, net als bij Bouterse zelf trouwens. En wanneer de leider van een apparaat als het leger een criminele inborst vertoont, en niet van hogerhand gecorrigeerd wordt, dan raakt dat apparaat gecorrumpeerd, zegt Rensch.

''Toch schuilt de grootste dreiging niet in het leger als coup-instrument. Dat gevaar is afgenomen, omdat zelfs binnen dat leger Bouterse's positie is verzwakt. Het grootste gevaar is de àngst van de bestuurders voor de militairen, voor de politici die met Boutserse gelieerd zijn. Daardoor is er gebrek aan slagvaardigheid, het heeft een verlammende werking op de leiding van het land. Bouterse weet dat en maakt daar gebruik van.''

De afkeer van Rensch voor de voormalige 'bevel' is hartgrondig. “Bouterse hoort in de bak”, zegt hij, “die man loopt daar als een zombie wat te raaskallen, en dat maakt nog indruk op politici ook.” Keer op keer drong Rensch er bij de Surinaamse autoriteiten op aan nou eindelijk Bouterse en de zijnen aan te pakken. Stapels dossiers hadden hij en zijn Moiwana-medewerkers, met behulp van Nederlandse juristen, inmiddels klaargelegd over de mensenrechtenschendingen waaraan Bouterse en het leger zich in de jaren tachtig hadden schuldig gemaakt. Een 'laatste kans' heette het, maar de reactie was op z'n zachtst gezegd lauw.

Minister van justitie Girjasing zei dat er ook hongerige magen te vullen waren in Suriname, dat had prioriteit. Irritatie dus over die lastpak Rensch, die onruststoker. Daar zat men in Paramaribo nou echt niet op te wachten, 'het land heeft het al zo moeilijk, en al dat gestook speelt de neo-koloniale krachten in Nederland aleen maar in de kaart en isoleert Suriname nog meer', zo ongeveer. Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral, maar dan in het Sranangtongo.

Rensch: “Weer die onwil, die onmacht, net zoals met die uitspraak van het inter-Amerikaanse hof voor de rechten van de mens, in Costa Rica. Dat veroordeelde vorig jaar oktober Suriname tot betaling van een schadeloosstelling van 400 000 dollar aan de nabestaanden van de marrons die in '87 bij Pokigron door de militairen werden vermoord. Voor 1 april dit jaar moest het bedrag betaald zijn, nou, er is nog geen cent van gezien.”

En over alles hangt steeds weer de schaduw van Bouterse, voor Stanley Rensch de wortel van alle kwaad. “Bouterse is het symbool van de verkrachting van de democratische spelregels, van de rechten van de mens. Dat internationale isolement is de schuld van Bouterse, en van de mensen die hem de hand boven het hoofd houden, niet van de mensen die hem aanklagen. Bouterse is ook het symbool van de verloedering op economisch en maatschappelijk gebied in Suriname. Je staat aan het hoofd van een misdaadimperium dat drugs smokkelt en verstrekt aan de kinderen van je eigen volk. Zo maak je je eigen volk kapot, hetzelfde volk waarvan je zegt de leider te willen zijn. Ja, Bouterse is de Pablo Escobar van Suriname.”

Illustratief voor de verloedering, vindt Stanley Rensch, is de staat waarin het paleis van de president verkeert. Dat ooit zo prachtige gebouw van monumentenzorg staat al heel lang in de steigers, geheel vervallen, net als de nabije en vroeger al even prachtige Gravenstraat.

De president, Ronald Venetiaan. Bij zijn aantreden in 1991 had Rensch nog hoop dat met hem, een man met schone handen, een man die niet tot de oude politieke nomenclatuur behoorde, niet tot de kaste vastgeroeste politici, de Lachmons, de Arrons, dat met die naam de Wende in de Surinaamse politiek zou intreden. Maar ziet, in juni 1992 bij zijn staatsbezoek in Nederland, op de laatste dag waar hij in de Amsterdamse RAI de Surinaamse gemeenschap in Nederland toesprak, vermeed Venetiaan zorgvuldig over de december-moorden te spreken. Nee, de Surinaamse president sprak daar slechts over “de tragische gebeurtenissen van december '82” en riep op tot verzoening. Toen was het voor Rensch duidelijk dat ook van de nieuwe president geen vuist tegen Bouterse te verwachten viel.

“Zijn taak is het de man te etaleren die de basis heeft gelegd voor de verloedering van de Surinaamse samenleving”, zegt Rensch. “Maar hij durft 'Bouta' niet aan te pakken. Nee, we zijn echt niet bezig met een man hunt, maar laat Bouterse nou eens eindelijk publiekelijk naar voren brengen wat er in december '82 heeft plaatsgevonden, en in '86. Alles wat wij van Moiwana aan Venetiaan vragen is: laat een onderzoek instellen naar de schending van de mensenrechten, vervolg indien nodig de daders, en zorg voor schadeloosstelling van de slachtoffers en nabestaanden. Dat laatste is heel belangrijk, de doden breng je niet meer terug, maar je kunt wel een gebaar maken naar de mensen die geleden hebben en nog lijden. Dan pas werk je aan verzoening.”

De coupplegers en de moordenaars lopen nog vrij rond, en wat erger is, zegt Rensch, ze hebben voor een belangrijk deel de touwtjes nog in handen ook, ze zitten of zaten tot voor kort op de beste plekken. Neem de moord in maart 1990 op twee ongewapende lijfwachten van Ronnie Brunswijk in Paramaribo, daar waren twee officieren bij betrokken: Melvin Linscheer, een vertrouweling van Bouterse, en Rupert Christoffel.

Na de decembercoup van datzelfde jaar, de zogeheten 'telefooncoup' waarbij Bouterse simpelweg via de telefoon president Shankar en zijn regering naar huis stuurde, kon Linscheer aanblijven als commandant van de zuidelijke troepen en werd Christoffel minister van defensie. Christoffel kon daarna een militaire opleiding in Brazilië volgen en staat op de nominatie om Etienne Boereveen op te volgen als chef militaire politie.

Wat Rensch ook steekt is dat in de discussie over de wantoestanden in Suriname alles geconcentreerd is op de decembermoorden van '82, waar een deel van de politieke en intellectuele oppositie tegen Bouterse werd omgebracht, terwijl amper vier jaar later, in Moiwana, de troepen van Bouterse een grotere slachting aanrichtten. Rensch: “Maar daar kraait nauwelijks een haan naar, ook niet in Nederland. Iedereen heeft het maar over de decembermoorden. Daar in de binnenlanden, dat was maar een stelletje bosnegers, hè.”

Het typeert volgens hem de verhouding tussen 'het arrogante' Paramaribo en de rest van het land, iets wat we in Nederland de 'randstadmentaliteit' zouden noemen. Alle gewicht valt op Paramaribo, het zuigt alles op uit het binnenland, met daarbij de discriminatie door de stadscreolen van de boslandcreolen en de indianen. “Het heeft ook te maken met de slechte communicatie met het binnenland, en de indianen en de marrons hebben geen eigen voice. Niemand trekt zich wat aan van hen. De advocaat-generaal van het openbaar ministerie, mevrouw Rozenblad, zei tegen ons toen we met de feiten over de slachting in Moiwana aankwamen: 'als jullie meer dan honderd lijken hebben gevonden, dan komen we kijken'. Pàts, keihard!”

Maar het is niet alleen de allerbelabberste situatie van de mensenrechten die de relatie met Nederland op een dieptepunt heeft gebracht, zegt Rensch. Het heeft ook van doen met de stijl van regeren in Suriname. Van Venetiaan met name, die zich nogal krampachtig verweert tegen de in zijn ogen te grote bemoeizucht van Nederland. En dat komt soms over als arrogant of gekwetste trots. Zeker, Rensch vindt de kwalificatie 'man van goede voornemens en brave gedachten' wel passen bij 'Vene'. Maar binnen diens Nieuw Front-beweging heerst nog te veel de ouderwetse ideologie over kolonialisme en nationalisme, vindt hij, van die ideeën, zoals in de jaren vijftig uitgedragen door mensen als Nkruma van Ghana en Kenyatta van Kenia.

“Het zich op alle fronten willen afzetten tegen de voormalige kolonisator terwijl elders in de wereld juist onderlinge en internationale samenwerking de trend is. Ik vind het onbegrijpelijk waar we in onze relatie met Nederland heen willen, er is nou eenmaal een traditioneel soort familieband, daar kun je niet omheen, en het is geen schande hulp te vragen aan hen die het beter hebben. Met die blabla, die post-tweede wereldoorlog-retoriek schiet je weinig op”, zegt Rensch.

Die halsstarrige houding jegens Nederland vertaalt zich in zoeken naar nieuwe 'bondgenoten' en investeerders. En doordat in Suriname het water tot aan de lippen is gestegen, en het land economisch zeer zwak staat, is die keuze niet altijd even gelukkig. Rensch noemt als voorbeeld de Indonesische Mussa-groep, die nu zo'n beetje het tropisch regenwoud kan leegroven, omdat ze een zeer voordelige deal heeft gesloten met de Surinaamse regering, die alles doet om maar aan buitenlandse valuta te komen. “Zo'n Mussa-groep koestert natuurlijk geen enkele morele of historische verantwoordelijkheid ten opzichte van Suriname, wat je van Nederland nog wel zou kunnen verwachten.”

Suriname zoekt nu ook nadrukkelijker toenadering tot de Latijns-Amerikaanse regio, een trend die onder het bewind van Bouterse al is ingezet. Tot grote buur Brazilië bijvoorbeeld, maar vanuit dat land waar Suriname op menig landkaart niet eens voorkomt, wordt de liefde niet echt beantwoord.

“Denk maar niet dat Latijns-Amerika zich iets aan ons gelegen laat liggen”, zegt Rensch. “Veel landen zien in Suriname slechts een handige springplank naar Nederland, naar Europa. Als je je zo 'anti' opstelt tegenover Nederland, verlies je het belang van het eigen volk uit het oog.”

We moeten goed begrijpen, Rensch pleit absoluut niet voor 'terugkeer in de moederschoot', de onafhankelijkheid in '75 is een prachtig iets, maar hij hoopt vurig op herstel van de familieband met Nederland. Dàt is de enige redding voor Suriname, en niet alleen vanwege de 1,3 miljard gulden die in Den Haag nog ligt te wachten, maar vooral door de echte familierelaties tussen de 400 000 Surinamers 'thuis' en de 250 000 die inmiddels in Nederland wonen. En dankzij wie Suriname nog ìets van welvaart kan proeven, via de pakketjeseconomie die vanuit Nederland wordt onderhouden. “Als dat niet gebeurt, gaan we eraan.”

Hij vindt het overigens terecht dat Nederland op die 1,3 miljard blijft zitten, zolang Suriname niets doet aan de sanering van de economische puinhoop. Die sanering is noodzakelijk, maar Rensch vermoedt dat Paramaribo niet kan, maar ook niet wìl voldoen aan de strenge normen die het internationaal monetaire fonds stelt, en waaraan ook Nederland wenst vast te houden. “Het is natuurlijk prettiger voor Suriname om maar te blijven hameren op 'het verdrag' met Nederland dat nog zoveel geld belooft, dan in de kamer van het IMF te staan en de keiharde monetaire voorwaarden te moeten slikken.”

Ach ja, Stanley Rensch weet heus wel dat hij en z'n Moiwana '86 door menigeen in Suriname - en niet alleen de Bouterse-kongsi - worden neergezet als verlengstuk van Nederland, als 'agenten van de BVD en de CIA', zoals Bouterse maar al te graag rondbazuint, maar daar trekt hij niets van aan. “De informatie die we krijgen en verzamelen, is openbaar, net als de gegevens over Moiwana zelf. Voor ieder toegankelijk. Het enige dat we nastreven is onderzoek naar de misdaden en rechtsvervolging. Dan pas kan Suriname met een schone lei beginnen. En als we landen en instanties kunnen mobiliseren om een einde te maken aan de machtspositie van Bouterse en zijn trawanten, dan zullen we dat graag doen.”

Zeker, Nederland is Moiwana's voornaamste subsidiegever, dit jaar komt het bedrag uit het ontwikkelingsbudget van minister Jan Pronk op zo'n kleine kwart miljoen, maar daarmee beschouwt Rensch zich nog allerminst de 'white man's black man', Nederlands 'favoriete Surinamer'. “Ik voel me geen tool van Den Haag, en ik laat mijn mening niet beïnvloeden in de hoop dat men mij daarmee niet associeert. Ik kan iedereen recht in de ogen kijken.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden