Botsing tussen buik en hoofd

Verstandelijk kunnen we homo’s accepteren. Maar emotioneel kan dat anders liggen. Over homovijandige gevoelens moeten we gewoon kunnen praten, vindt moraalfilosoof Jan Verplaetse.

Jan Verplaetse

Ben je hetero? Ben je homo? Ben je lesbo? Je seksuele, etnische, religieuze, sociale of culturele identiteit doet er ethisch gezien niet meer toe. Het is een privézaak of zelfs een kwestie van lifestyle. Respect, tolerantie en non-discriminatie zijn de morele en juridische beginselen waarmee de samenleving deze moderne ethiek bewaakt. Hoewel deze ethiek wordt gedragen door brede lagen van de bevolking en juridisch verankerd ligt in mensenrechtenverdragen, blijven er eilanden bestaan van vijandigheid tegen medeburgers die anders zijn, ofschoon ze zich conform die nieuwe ethiek gedragen.

Bijvoorbeeld vijandigheid ten aanzien van homoseksuelen. Recente studies stellen een hardnekkige homovijandigheid vast, in de eerste plaats bij adolescenten en allochtonen. Maar ook bij volwassen autochtonen merken onderzoekers een latent onbehagen over te veel aandacht voor en te grote zichtbaarheid van holebi’s – homo’s, lesbiennes en biseksuelen.

Deze homovijandigheid ligt genuanceerd. Vanuit een rationeel en principieel oogpunt juichen we de gelijkberechtiging van homoseksualiteit toe. Van op veilige afstand onderschrijven we de uitgangspunten van de moderne ethiek of promoten we die zelfs. Komt homoseksualiteit echter te dicht in onze onmiddellijke buurt, dan nemen homovijandige emoties de overhand. Onze moderne ethiek van tolerantie en respect lijkt weinig greep te hebben op dit diepere emotionele verzet. Hoe kan dit?

In enkele decennia is de West-Europese houding tegenover homoseksualiteit enorm gewijzigd. In Nederland en de Scandinavische landen vindt 90 tot 95 procent dat holebi’s hun levenswijze zelf mogen kiezen. In 1970 vond nog 25 procent van de Nederlanders dat de beste oplossing voor homoseksualiteit ’een flink pak rammel’ was. Parallel aan deze acceptatie door de brede bevolking, werd homoseksualiteit in West-Europese landen uit het strafwetboek gehaald.

Dit beeld van algemene homoacceptatie in West-Europa raakt verstoord als we inzoomen op specifieke groepen. Zo zijn homonegatieve attitudes wijd verspreid onder adolescenten, vooral bij jongens tussen 12 en 18 jaar. Ook moslims hebben het moeilijk met gelijke rechten voor holebi’s. 40 procent van de moslimjongeren van 16 jaar wijst homoseksualiteit af, wat aanzienlijk hoger is dan bij de christelijke en niet-religieuze jeugd.

Dit verschil tussen moslimjongeren en autochtone scholieren verdampt wanneer we de principiële homoacceptatie verlaten en kijken naar concrete vragen rond directe omgang met holebi’s. Van de Nederlandse scholieren vindt 38 procent het vies als twee homo’s met elkaar vrijen en stemt 40 procent van de scholieren in met de uitspraak „homo’s of lesbo’s zouden niet tot mijn vrienden of vriendinnen mogen behoren”. Wat houdt die emotionele homovijandigheid precies is? Wat gaat door het hoofd van iemand die geen homo’s als vriend of vriendin wil hebben? Amsterdamse onderzoekers isoleerden vier triggers die terugkomen in gesprekken met daders van antihomoseksueel geweld, maar ook bij risicogroepen waaronder straatjongeren, voetbalsupporters, militairen en studentenkorpsen.

Ten eerste ergeren deze jongeren zich aan de zichtbaarheid van homoseksuelen. Ze trekken te veel aandacht en leggen te veel klemtoon op hun geaardheid. Een tweede trigger is het vrouwelijke gedrag van homomannen. Dat mannen zich te vrouwelijk gedragen, stuit deze jongeren tegen de borst. Genderverwarring vormt een bron van ergernis die agressie opwekt. Maar veruit de belangrijkste trigger is seks. Homoseksualiteit staat synoniem voor anale seks tussen mannen, wat als weerzinwekkend wordt ervaren.

Die weerzin is zo groot dat daders en risicogroepen uit hun dak gaan bij de gedachte door een homo versierd te worden. Die angst is zo krachtig dat een knipoog, een uitgestoken hand, een hand op de schouder of zelf een zijdelingse blik in de mannentoiletten, voldoende is om de lont aan het vuur te steken. De weerzin voor anale seks en de angst om lustobject te zijn – beide hangen volgens mij samen – zijn directe aanleiding in bijna 40 procent van alle onderzochte Amsterdamse geweldgevallen. Dit verklaart meteen ook waarom nauwelijks vrouwen slachtoffer of dader van antihomoseksueel geweld zijn. Lesbische seks vindt men minder vies, wordt minder scherp veroordeeld en vormt geen bedreiging. Agressie is bijgevolg niet nodig. Antihomoseksueel geweld is een mannenzaak.

Vraag je daders waarom homoseks walgelijk is, dan blijven zij het antwoord schuldig. Af en toe rechtvaardigen zij hun afkeer in termen van ’onnatuurlijk’ of ’zondig’, maar doorgaans komen zij niet verder dan „ik weet het niet”. Dit suggereert dat homovijandige emoties een diepere voedingsbodem hebben. Culturele denkpatronen hebben ongetwijfeld grote invloed op onze latere morele opvattingen, maar we wachten niet op deze culturele injectie om onze houding tegenover homoseksualiteit te bepalen. Vooraleer cultuur en ideologie hun intrede doen, laten we ons moreel oordeel afhangen van meer basale codes. We zijn geen onbeschreven blad tot we iets vernemen over moderne ethiek. Aan onze latere hoofdmoraal gaat altijd eerst een buikmoraal vooraf.

Recent psychologisch onderzoek maakt duidelijk dat jonge kinderen ook niet wachten op ouderlijke instructie om hun wereld in te delen. We hebben al vanaf verbazend jonge leeftijd een helder idee van soorten en categorieën. Geef je een baby van zes maanden foto’s van honden en katten, dan zal hij die foto’s na inspectie in volgorde aanraken of leggen. Vermoedelijk behoort het tot onze aangeboren uitrusting om onzekerheid in onze omgeving weg te nemen. Hoe vroeger kinderen nuttige of gevaarlijke voorwerpen van elkaar kunnen onderscheiden, hoe beter. Heldere indeling verhoogde onze levenskansen.

Geslacht is ook zo’n categorie. Vanaf twee jaar zien peuters jongens en meisjes als verschillend. Voor kleuters van vier zijn jongens met lang haar jongens en geen meisjes. Peuters laten zich nog vangen. Kinderen zien het verschil tussen man en vrouw als even fundamenteel als dat tussen een kat en een hond. Wat er ook gebeurt, een jongen blijft een jongen, een meisje blijft een meisje.

Denken in ’natuurlijke’ categorieën veroordeelt uitzonderingen. Op afwijkingen reageren kinderen bijzonder scherp. Zeker als het om gender gaat. Onderzoek toonde erg consistent aan dat kinderen tussen vier en elf jaar het overtreden van genderrollen afwijzen. Vooral vrouwelijke jongens worden krachtig veroordeeld. Jongens zijn niet alleen jongens, maar moeten ook jongens blijven. Kinderen vinden jongens in meisjeskleren even erg als stelen.

Wat kinderen of jonge tieners van homoseksualiteit denken, is nauwelijks bekend. Door ethische schroom of politieke gevoeligheden durven onderzoekers dit wellicht niet systematisch aan kinderen te vragen. Naar mijn idee speelt walging daarbij een belangrijke rol. Mensen beschikken, net als sommige andere zoogdieren, over een mechanisme dat ons behoedt voor contact met stoffen die schadelijk zijn voor onze gezondheid.

Walging zorgt ervoor dat we die stoffen vermijden of niet verder innemen. We sluiten onze mond en neus en wenden ons af. Sommige stoffen wekken universeel weerzin op, zoals uitwerpselen, bloed, slijm of rottend vlees omdat ze nu eenmaal krioelen van de bacteriën of virussen. Andere stoffen vindt men weerzinwekkend in de ene maar verrukkelijk in de andere cultuur. Denk maar aan varkenspootjes.

De ontwikkeling van walging doorloopt verschillende stadia. Vanaf een jaar of drie leren peuters zuivere walging voor uitwerpselen en bedorven etenswaren, waarna het palet met de jaren steeds uitgebreider wordt tot afgeknipte nagels, los haar of zweet. Rond zeven jaar ontwikkelen kinderen een bijzondere vorm van walging, met name besmettingsweerzin voor stoffen die in contact geweest zijn met schadelijke voorwerpen. Ze drinken geen water meer waarin een kakkerlak heeft gelegen. Vanaf hun tiende ontwikkelen jongeren nog een andere vorm van weerzin. Ze gaan walgen van gedrag dat niet zozeer schadelijk is voor de gezondheid maar dat in strijd is met morele regels. Veilige seks met familieleden of dieren vinden ze afschuwelijk. Ook al beseffen deze tieners dat je daar niet ziek van wordt. Men spreekt van morele walging. Bij een jonge adolescent is het hele walgingsysteem volledig ontwikkeld, ook al zal het afhangen van cultuur en identiteit waarvoor hij of zij precies walging voelt.

Walging is een emotie die breed openstaat voor culturele invulling. Toch zijn er transculturele patronen aan te wijzen. Zo is walging beter aan te leren naarmate het voorwerp intenser lichamelijk contact met zich meebrengt en een apart zintuiglijk palet heeft. Om die reden zijn voedsel en seks meer walginggevoelig en zijn filosofische ideeën of neutrale stoffen, bijvoorbeeld gras of water, dat veel minder. In de tweede plaats werkt walging volgens wetten die gelden in het magische denken. Had je contact met een voorwerp waarop een smet rust, dan kleeft die smet nu aan je eigen handen. De smet zelf is onzichtbaar en onverklaarbaar, maar voelt niettemin reëel aan. Alleen door een reinigingsritueel geraak je ervan af.

Al deze gevoelens en denkpatronen vind je massaal terug bij jongeren die homoseksualiteit voor de geest halen. En wellicht niet alleen bij hen. Zo vormt het vrouwelijke gedrag van sommige homo’s een inbreuk op de categorieën waarmee jonge kinderen hun wereld indelen. Tot op een leeftijd waarop we beter weten, verwerpen we genderafwijkingen resoluut. Maar niet iedereen doet afstand van die aanvankelijke afwijzing. Sommigen blijven er trouw aan. Hun latere morele oordeel berust nog altijd op dit initiële protest. Of dit verzet wordt gerationaliseerd waardoor homoseksualiteit ’onnatuurlijk’ wordt.

Afwijkingen zorgen gemakkelijk voor walging. Denken we homoseksualiteit niet in termen van rechten en vrijheden, maar in beelden van seks en erotiek, dan betreden we een uiterst walginggevoelig domein. Seks is naast voeding het gebied waar walging het gemakkelijkst optreedt. Uit biologisch oogpunt is dit erg begrijpelijk. Geen menselijk contact is tegelijk intiemer en gevaarlijker. Met walging bewaken we onze seksuele integriteit. Wat door het hoofd gaat van iemand die door homo’s denkt versierd te worden, laat zich gemakkelijk raden. Al is die gedachte meestal fantasie, wie erin gelooft ervaart een combinatie van angst en walging. Het is die gedachte die terugkeert bij jongeren of volwassenen die niet bevriend willen zijn met een homo. Hun afwijzing berust op deze mengeling van angst en weerzin.

Komt homoseksualiteit te dicht in onze onmiddellijke buurt, dan blijkt onze beschavingslaag nogal dun. Onze moderne ethiek van tolerantie, respect en gelijkheid houdt die diepere gevoelens en denkpatronen meestal in toom, maar dit lukt niet altijd. Precies dit verklaart de discrepantie tussen principiële homoacceptatie en hardnekkige homonegativiteit. Onder het vernis van non-discriminatie gloeien primitievere sentimenten die rationele argumenten slechts moeizaam doven. Om die reden tref je openlijke homovijandigheid meer aan bij jongeren en moslims. Zij zijn nog niet volledig ingelijfd in dat nieuwe ethische discours van tolerantie en gelijkheid. Rationeel overtuigen blijft hier de boodschap.

Maar volstaat die strategie voor een volledige acceptatie van homoseksualiteit? En niet alleen op het principiële niveau? Ik denk het niet. Willen we dit bereiken, dan nemen we die diepere emoties en denkpatronen beter ernstig. We moeten jongeren en volwassenen vertellen dat we op ethisch vlak geen ongeschreven blad zijn. Want ook wie de moderne ethiek volledig onderschrijft, kampt soms met het onbehaaglijke conflict tussen rationele acceptatie en emotionele afwijzing.

Kortom, we moeten af van de schroom om homovijandige gevoelens ter sprake te brengen. Beschouw ze niet als culturele toevalligheden, maar als taaie weerstanden in de strijd voor meer homoacceptatie waar ook ter wereld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden