BOTHO STRAUSS

De naamloze litanie op deze en de volgende pagina's is afkomstig uit de roman Wonen schemeren liegen van de Duitse schrijver Botho Strauss. Strauss veroorzaakte eind 1993 in Duitsland deining met het artikel Anschwellender Bocksgesang, gepubliceerd door het tijdschrift Der Spiegel. 'Bocksgesang' is de letterlijke vertaling van het Griekse woord tragedie. De aanzwellende tragedie die hij in de moderne wereld ontwaarde was - al te kort samengevat - de teloorgang van traditionele waarden als gezag en gehoorzaamheid, trouw, sociale stabiliteit, religie, historisch besef en nationaal saamhorigheidsgevoel. Oorzaak is de alleenheerschappij van de rede, met haar moderne mythen en linkse heilsleren als 'de maakbare samenleving', waarin 'infotainment' in de massamedia hoogtij viert en geen emotie nog authentiek is. De mens is daardoor volledig vervreemd van zijn wortels, van de archetypische wereld, die wordt beheerst door archaïsche, irrationele en nooit veranderende oerkrachten, heilige vrees en rituelen, en heeft in zijn hoogmoedswaanzin zichzelf tot maat en zin van alle dingen verheven en dreigt nu in chaos, versnippering en geweld ten onder te gaan. Juist de kunstenaar, de dichter-filosoof, moet alleen ten strijde trekken tegen de uitwassen waartoe het Verlichtingsdenken heeft geleid en het contact met die oerkrachten herstellen. Daarvoor gaat hij het beste te rade bij de negentiende-eeuwse metafysische romantici. Het moeilijke Spiegel-artikel vol metaforen werd opgevat als een uiterst rechts politiek manifest en leidde tot grote verontwaardiging ter linkerzijde en luid gejuich ter rechterzijde. Strauss zelf lijkt niet erg gelukkig te zijn geweest met die ontvangst, zoals bleek uit zijn verdediging in een ander tijdschrift, Theater Heute. Een jaar later verscheen zijn roman Wohnen dümmern lügen, waarin we de strekking van Bocksgesang in andere vorm terugvinden: een zelfde aanklacht tegen de moderne maatschappij wordt nu met een zekere zelfironie in de mond gelegd van een wat dubieuze romanfiguur, die in een louche café sigaretten gaat halen terwijl zijn vriendin buiten op hem wacht. Natuurlijk krijgt hij slaande ruzie met de andere cafébezoekers - over een film die hij pornografisch en mensonterend acht en waaruit hij en zijn vriendin zijn weggelopen, maar die door de anderen prachtig wordt gevonden - en wordt door de kastelein eruit gegooid. Zijn verstandige vriendin verwijt hem: 'In een spelonk vind je een stel barbaren. Wie anders? Wat verwacht je dan? Met opzet ga je juist naar dat soort spelonken, omdat je van te voren weet dat je daar met iemand ruzie kunt zoeken'. De man steekt vervolgens over haar hoofd heen 'als sprak hij voor een volle zaal', van wal met een 23 bladzijden lange monoloog. De roman Wonen schemeren liegen is deze week bij De Arbeiderspers verschenen in een vertaling van Nelleke van Maaren. Noten Theodor Düubler (1876-1934): Duits schrijver die in zijn hoofdwerk Das Nordlicht een mediterrane en een noord-europese benadering van natuur en mythe probeerde te verenigen.

Georg Simmel (1858-1918): Duitse filosoof en socioloog.

Bernard van Clairvaux (1090-1153): stichter van het cisterciënzerklooster in Clairvaux, prediker van de tweede kruistocht en schrijver.

Michelangelo Antonioni (1912). Italiaans filmregisseur.

Les chemins de la liberté Roman in drie delen van Jean-Paul Sartre, in de jaren '50 een cultroman van existentialistische jongeren.

Johann Georg Hamann (1730-1788): Duits schrijver, voorloper van de romantiek, die het rationalisme bestreed en de taal als een goddelijke openbaring beschouwde.

Bernard Groethuysen (+/- 1880-1946), Frans filosoof, betrokken bij de NRF en de uitgeverij Gallimard. Vooral bekend omdat hij Kafka in Frankrijk heeft geïntroduceerd.

Santiago Cajal, voluit Ramon y Cajal, (1852-1934), Spaans neuroloog en Nobelprijswinnaar.

Ernst Mach (1838-1916), Oostenrijks filosoof en natuurkundige, bekend als de uitvinder van het Getal van Mach en het Principe van Mach.

Jean Louis Rodolphe Agassiz (1807-1873), Zwitsers geoloog, bioloog en paleoloog. Tegenstander van Darwins evolutietheorie.

Oknos of Ocnus: een allegorische figuur op een schilderij van Nicophanes die een touw vlecht dat aan de andere kant door een ezel wordt opgeknaagd.

anagoge - geestelijke of zinnebeeldige bijbeluitleg

dextera porrecta - uitgestrekte rechterhand

facies non uxor amatur - het gezicht, niet de vrouw wordt bemind

mnemosyne - bij de oude Grieken de goddelijke personificatie van de herinnering

“Daar zou je je niets van hoeven aantrekken... als je een wat bredere visie had.” “Hoe dan? Ook jouw naaktheid draagt na zo'n film in mijn ogen het burgerlijk lompenkleed van de onbeschaamdheid, van een zieke, uitgebloeide, statische en zinloze onbeschaamdheid. Allemaal reclame, alleen nog fetisj, geen lichaam meer, nog slechts zelfvoldane reclame voor een handelsartikel dat niet meer bestaat - zingenot! Ontzetting moet je om het hart slaan, ontzetting - werkelijk naakte ontzetting - bij de daad in het burgerlijk lompenkleed. Maar misschien is mijn hoop al gericht op het onheil. Op een beeldenstorm zoals de wereld nog nooit heeft beleefd... Die moet over ons komen, want uit onszelf komt niets meer. Ieder moet het gevoel hebben dat hij toekijkt hoe

iemand aan het kotsen is zodra op het witte doek een gulp opengaat... Hoe kan een kunstenaar, die toch de meester van het indirecte en van de fijnste nuance geacht wordt, zich juist op dit bijzonder gevoelige, dit heiligste punt gedragen als de meest ordinaire realist?! En mijn geliefde? Welja! Die is heel tevreden met de copulaties die ze heeft gadegeslagen. Trekt zich er niets van aan. Ach, ik alleen ben de protestschreeuw van de geknevelde lust! Ik alleen ben zo verloren, omdat de verandering van de wereld geen gelijke tred met de mijne houdt!... Wat je geleerd hebt kun je niet

meer gebruiken. Het ambacht is uitgestorven voor je je leerjaren achter de rug hebt. Zoals ook de vrouw voor wie ik ooit leerde liefhebben niet meer onder de vrouwen te vinden is. Overigens meen ik te hebben gezien dat maar heel weinig gezichten door zinnelijke vreugde of nieuwsgierigheid kunnen oplichten. Zinnelijke nieuwsgierigheid speelt, op onze breedtegraden in elk geval, slechts een ondergeschikte rol op het menselijk gezicht, komt slechts heel zelden en dan nog gereguleerd te voorschijn, en doet zich bijna nooit in zuivere vorm voor. Dat wat vooral straalt en de gezichten bezielt is begeerte naar sociaal profijt. De kwestie van zingenot moet worden afgehandeld tegen de achtergrond van een conversatie tussen twee

caissieres in de supermarkt over de vakantiedagen die ze nog tegoed hebben, twee vrouwen die van elkaar afgekeerd op hun geslacht zitten, artikelen over de scanner trekken en hun klanten geen blik waardig keuren... De kwestie van zingenot, voor ons de meest prangende die in alles centraal staat, moet worden afgezet tegen de ontzettende massa aan sociale tijd waarin ze geen enkele betekenis heeft, waarin de naakte onzinnelijkheid het dagelijks leven en zijn bezigheden beheerst... Het oog en de hand van de mens zijn onbeholpen geworden, onbeholpen ook zijn begerige ziel die elke zekerheid ontbeert. Waar zijn de bezwaarden, de Mahler- en Dostojevski-persoonlijkheden... waar zijn ze, de onverbeterlijk eigenwijzen, de strijdenden, de verscheurden, de naar heil hunkerenden en in verzoeking geraakten, de

emotionele vondelingen van hun verpletterende passies? Weg. De geest die de splijting moet bevatten is glad, spiegelglad als een gezonde lever. Alleen ik treed naar buiten, in de tuin der geschokten, ontzetten, door schrik bevangenen, en sla mijn rozenstruikige, opwaarts strevende taal uit, ik, de lichtdoorlatende... Er zijn genoeg mensen in staat om viereneenhalf uur in de bioscoop te zitten teneinde een film van ongelooflijke lengte te bekijken. Maar mijn voordracht zouden ze nog geen tweeëneenhalf uur kunnen volgen? Ik spreek nu eenmaal precies zo lang als Theodor Düubler destijds zijn

werk Das Nordlicht voordroeg. Ik bied geen korte, handzame, vlotte, gepolijste brokken. Ik sta bekend om mijn epische breedsprakigheid. Een voordracht die niet voor ruim een-derde uit nadrukkelijke herhaling, voor een-derde uit stormachtige voorzetten en voor een-derde uit gedachtenstreepjes, fermaten, bestaat, een voordracht die niet een Brucknerachtige lengte heeft is de moeite niet waard - die kun je op informatiestencils bij de zaaldeur uitdelen. Samengevat! Bij mij kan niets worden samengevat... Historische breuk en einde van de geschiedenis - we hebben ons aardig uitgeput in geschieddronken bewustzijn. Nu moeten wij, en de kunstenaar als eerste, weer overgaan tot de orde van de dag van het eeuwige. In alles wat voorgevallen is de opwaartse beweging, de anagoge opsporen.

In het huis van het zijn worden de meubels met veel lawaai versleept. Het kan niet verschrikkelijker worden dan het verschrikkelijke besef al is. Elke voorstelbare gruwel. Erger dan voorstelbaar bestaat niet. Het verschrikkelijkste aan het verschrikkelijke is dat het komt zoals beschreven en voorzien... Nog spreekt de rede kordate taal, in het benoemen van de kwalen en de zorgen wordt haar betoog merkwaardig genoeg steeds vaardiger en behendiger - maar de aardkrachten hoeven maar een weinig in beweging te komen of ze overstemmen haar. We zijn er laat bij, mijn liefste, laat. We hebben op een onchristelijk uur het nieuwe begrepen. En nu het nieuwe werkelijk aanbreekt is ons begrip verbruikt. Nu de patronen alle doorgespeeld, de affecten alle uitgewoed zijn, laat de tijd de beer los. “We bevinden ons in

revolutionaire historische processen,'' zegt de kinderlijke openbare mening. In feite is onze actuele belangstelling overdreven gespannen gericht op diegenen die na ons komen en die eens overtuigender en moeitelozer zullen weten wat ons heden betekent. We zien groen van jaloezie vanwege hun bedaarde terugblik. Ons, de meesters van het historisch overzicht, ons moet dat gebeuren, zo laat nog, een zo overweldigend, onbeslist, onuitgegist heden!... Maar wat, zo zou ik wel eens willen weten, is een wereldbeeld waard dat in de loop der geschiedenis voortdurend verandert, zichzelf corrigeert en tegenspreekt, vergeleken bij de oeroude betrouwbare wereldjes rond pissebed en libelle, doornhaai of luipaard? Zoals het 'wereldbeeld' van de mier is bepaald door de aaneenschakeling van elkaar melken, de permanente chemotactiele verbinding, zo is het onze daarentegen

onbepaald geworden door de doorlopende productie van valse wereldbeelden. Steeds zal het beeld dat we ons van de wereld vormen primitiever zijn dan de breintechniek waardoor het is ontstaan. Hersenen en werkelijke wereld staan dichter bij elkaar dan wereldbeeld en wereld of hersenen en hun illusies. Niets kunnen we goed zien, we zijn door emoties dolgedraaide blinden, nijvere onbezonnenen... De natuur van de mens is beeldvormend, zoals de natuur van de elkaar melkende mieren chemotactiel is. En dit betrouwbare apparaat der permanente misleiding is het hoogste dat de natuur heeft voortgebracht! Het wordt beheerst door een niet aflatende activiteit van vervaardigen, van creëren, van fabriceren van kleur, vorm, zin, gedaante en samenhangen. Alleen in zijn rusteloze nijverheid is de mens geïntegreerd in de

natuurgebeurtenissen en zelfs in de blindheid van zijn handelen nauw verwant aan die dieren die zich in hun schoonheid categorisch afsluiten voor het schoonheidsverlangen dat de menselijke beschouwer op hen loslaat... Het frank en vrij in de lucht goochelende pauwenoog valt in werkelijkheid alleen te vergelijken met de van telefoon naar telefoon snellende beursmakelaar. Niets dan drukke activiteit gaat om in de vlinder, dat 'symbool van de menselijke ziel'. Overal moet je het oneigenlijke, de catachrese van onze beeld- en voorstellingswereld opsporen en aan de kaak stellen... Goochelen! Lieve hemel!... Vrij! Mijn god... Ook nog 'frank'? Wanneer leren we eindelijk, als we al geen afstand kunnen doen van onze mateloze inbeeldingen, ons in een volstrekt vreemde wereld met de nodige

metaforische terughouding te bewegen? Het gezwets van het leven zelf? De leugen van het leven zelf... niets dan snoevende grootspraak!... Ontroostbaar stemt bij langere aanblik de boom die niet in staat is trots op zichzelf te zijn. Treurig en teleurgesteld trekt onze ziel zich in de loop der jaren van de afwijzende schoonheden der natuur terug - ze wilde zich immers verenigen met wat haar zoveel genoegen bereidt. Plotseling begrijpt ze het dode stuk hout, de dode bloem en heeft alleen nog gevoel voor de damp der moleculen. De ziel ervaart pas laat haar eenzaamheid en haar eenzame narcisme: ze heeft altijd alleen zichzelf liefgehad. Geest en ziel hebben in hun vertrouwde samenspel alles, maar dan ook werkelijk alles te zamen voortgebracht, zowel de schoonheid der dingen als het gevoel voor die schoonheid. En dat gebeurde enkel en alleen omwille van het menselijk welbehagen!...

Ik probeer het levende levenloos te zien. Als een vlinder om een voorjaarsbloem fladdert is in zijn wezen niets voor mijn menselijk herkennen begrijpelijk, zelfs niet als ik hem aerodynamisch analyseer en tot in de kleinste vleugeltrekking doorgrond... Pas als ik zowel in het kleinste als in het grootste in het licht, de adem, het bloed, de blik - op datgene ben gestoten wat volstrekt van de mens is afgekeerd, zal ik het wonder der onverschilligheid beginnen te vermoeden waarin wij en ons menselijke herkennen niet meer zijn dan een toevallige nijverheid tussen miljarden anderen. Dat is de kern van de mystiek, dat is tot bovenaan toe dicht zijn, in de wereld ingesloten zijn. Daar zit ik levend ingemetseld met mijn liefste, zoals vroeger het Soedanese stamhoofd als hij geen kinderen meer kon verwekken, met een laatste concubine op schoot... De mooist

vibrerende snaar onder de levenlozen zou je willen zijn... Men spreekt over luide klanken die van onze planeet zouden opstijgen en in het heelal uitwaaieren... maar de muziek speelt daarbuiten om de metalen stilte die ons bedreigt af te weren. Muziek is een grote strijd aan het sferenfront... Wat betekent: de mensen begrijpen elkaar niet? Ze begrijpen elkaar maar al te goed! Al het geklets leidt uiteindelijk tot de stemvoeling in het donker die ze nodig hebben als ganzen!... Simmel en X, hoe heette hij ook weer? hebben tegen elkaar staan brullen omdat ze wilden mededelen, hebben luidkeels, bijna woedend tegen elkaar gesproken zonder dat de een naar de ander had geluisterd en toch hadden beiden het gevoel dat ze elkaar uitstekend begrepen... Op de bijbelomslag had zijn whiskyglas een donkere kring gemaakt. Hij had het daar niet alleen neergezet, maar er bij het oreren ook verscheidene malen langdurig op

geslagen... Stel je voor dat het zover zou komen dat iedereen zijn hoofd wenst te bedekken, verlangt naar een pruik om zijn haar niet te hoeven tonen - iedereen plotseling als van schaamte bezeten... Hoe moet dat dan met mijn hoofd? Ik kan het toch niet voortdurend met mijn blote hand bedekken?... Wat betekent die schedelschaamte, denk je? Het is niet alleen een oriëntaals, een joods gebruik dat vrouwen in het bijzijn van vreemde mannen hun haar moeten bedekken... Iedereen wil zijn hoofd bedekken, iedereen! Haarpracht - Haarschaamte. Als alles plotseling in zijn tegendeel verkeert, vriendin, als alles weer eens in zijn tegendeel verkeert: hoogmoed in deemoed, contourvergroting in contourverkleining, imponeergedrag in verlangen naar onopvallendheid, alles wat elkaars tegendeel is, macht onmacht. De fraaie hoed is de vergulde schaamte, de haardecoratie de

wervende bloem van de haarschaamte - en schaamte is de bron van alle lust: verwerping van alle ontbloting, gesloten pariëtaal oog... Al het toekomstige zal herinnering zijn. De toekomst zelf zal het werk der herinnering zijn... Maar waar blijven de utopie, de dromen, de droom van de mensheid? De mensheid droomt niet. Alleen één individueel mens droomt steeds. Dromen zijn van de ziel en de nacht. Het woord droom kun je niet naar believen verplanten... Wie heeft de wereld globaal gemaakt? Wie zijn de geniepige uitvinders van het geheel? Niet de boer, niet de fabrieksarbeider, niet de moeder, zelfs niet de toerist. Filosofen! Eerst filosofen en dan hun late leerlingen, de technici. Het geheel: een drogbeeld, een

dwanggedachte... Ik heb de hele wereld bereisd en niets gezien. De bonte wereld is waardeloos als een uitgetrokken narrenkleed. De nar is er allang uitgegleden en ver weg gevlucht. Zijn koning achterna. In ballingschap heeft hij zich overigens ontwikkeld tot een degelijk financieel beheerder en praktisch bedrijfsleider... Wie was dat ook weer, Bernard van Clairvaux? Die liep drie keer om het Meer van Geneve en merkte het meer niet op, omdat hij in vrome gedachten verzonken was. Het niet-zien van het geloof en de liefde, en de beeldeloosheid van de beelden tegenwoordig die ons willen uitputten. Ik schaam me voor het onzichtbare voor elk gefilmd gezicht. Van het gelaat mag niet meer dan het verloren profiel worden getoond. Zonder schroom geen liefde. Natuurlijk - als woorden slechts teloorgang van het woord, als beelden slechts grenzeloze teloorgang van het beeld zijn, dan tast dat die beide wonderen zelf niet aan: het woord en het beeld... Bovendien heerst er tegenwoordig die negatieve

zelfverafgoding van de mens en het mensenwerk... De laatste rationele overweging luidt: Alles komt van het kwaad, is verpest... geniet nooit van de zon!... houd van geen rivier, geen boom, kijk wat eraan bedorven, verrot is. Daarmee sluit de cirkel van de geschiedenis van de christelijk-gnostische minachting voor de natuur zich... Petrarca beklimt de Mont Ventoux, geniet van het uitzicht, is verrukt van het geestelijk karakter ervan en leest, boven aangekomen, in de Confessiones, leest bij Augustinus hoe verwerpelijk het is de natuur te bewonderen. De vrije natuur Gods bestaat niet voor de vromen. Onmiddellijk daalt hij af en keert terug naar zijn studeerkamer... Theologie van het afval, theologie van de oikonomia, van de eeuwige huishoudorde, absconditus Deus sub contrario, Zijn intreden in de

verwisseling... Iedere belangrijke tegenstelling gaat terug op een oerdubbel van het religieuze zijn... De beeldenvijand en de beeldenaanbidder. De reformator en de religieuze dweper. De dogmaticus en de mysticus. Het schip der geestdrift heeft twee boorden. In de wisselende stormen der tijd maakt het af en toe slagzij. De opvarenden moeten dan op de hoge kant springen: revolutie, het uur van de beeldenstormers. Later moet dan de heerschappij van de iconoclasten weer doorbroken worden. Het zwalkt van links naar rechts, het schip van de voortdurend geestdriftigen, in de eenvoudigste zin is het de razende wieg van de mensheid, en die is eeuwig hulpeloos, eeuwig pasgeboren... Ah! En onze vroege verering voor tranen?... Het hele bestaan, de schepping zelf balt zich samen in het vlies van een enkele traan... Geschiedenis bestaat alleen om de voortdurende stroom van tranen op gang te houden... de dorst om te huilen... Herinner je je de lange terrassen, de kiezelpaden in het park, La Notte, Antonioni's zeer ruime isolaties... nee, je herinnert je die niet. Je kent ze niet meer, de ernstige, koele stilte, het

zwijgzame pathos van de mislukking, moderne mannen in niet-nonchalante, niet-sportieve kledij. En de adembenemende onschuld van een blondine in een mantelpakje met driekwart jasje en witte naaldhakken. Het waren de eerste eenzamen die we te zien kregen, die eenzamen met stijl en levensgevoel... duistere, ondoorzichtige betrekkingen tussen een handjevol nachtelijke mensen. Modernen!... Helden van de verveling en de afkeer, edelen van het ik. Ach, ook wij hadden tot voor kort iets eigens, iets dat ons paste kunnen toevoegen aan het eeuwige thema van de verveling, een onmiskenbare variant van het grote ennui, niet zo verschrikkelijk grof als het vormeloze monster vrije tijd dat mensenmassa's verslindt... maar we hebben de kans voorbij laten gaan. Nu is het te laat. De verveling is weg en zal niet zo snel terugkomen, in elk geval niet als kenmerkend gevoel van een tijdperk... Ja, het leven na La Notte, de

mentaliteitsgeschiedenis van de westelijke wereld heeft ons belet goede existentialisten te worden. Les chemins de la liberté! Ha! En nu? Een nieuw existentialisme, een nieuwe heraldiek van de mislukking. Een gevoel dat de wereld faalt. Een soort rouw over de teloorgang van alle begrijpelijkheid... En pril begin, wat is dat? Alleen nu-gemaakt, anders is het niet voorhanden. In een tijd zonder beloften waarin alles wordt afgedankt worden we overmand door ons eigen prille begin, toen we alleen van beloften leefden. En zo komt het dat je je ver van de mensen verwijdert, alleen om de beloften van het hart nog eenmaal te voelen, beter, harder en helderder, dat wil zeggen: zuiverder, door en door zuiver. Het verlangen wil geen natuur, geen groei, geen differentiatie, niet de verveelvoudiging van verschillen, niet de vergroting van de afwijking, van de

individualiteit. Het verlangen van een mens blijft, van zijn eerste glimlach tot zijn laatste gebed, koppig vasthouden aan on- en bovennatuurlijke genieën, aan schoonheid en magie. We zien toch dat niet al het levende leeft, dat kunsten, ideeën, verwachtingen half levend, half anorganisch zijn en sentimenten als sedimenten moeten worden behandeld en wij een laag op de aardbodem zijn, een extra stratum waarin, als pendant van ons leven, het anorganische hart klopt... We klinken alleen anders dan kikkers. Rechtop lopen is de mens aangeboren, pas waar zijn knie zich losmaakt krijgt hij waardigheid. Maar ze weten het niet, ze weten het niet... Ik vertrouw alleen de stemmen der bezwaarden... Ik lijd slechts uit de bron van het oeroude lijden... en ben toch de metgezel van een altijd turnende, aerobicende, volmaakt buigzame vrouw tegen wie ik, terwijl zij onverzadigbaar haar ledematen buigt en strekt, geluidloos en stom op een steeds onbeschaamdere ademhaling na... mijn hart uitstort... De redenaar. De geweldenaar. De naar volmaakte gewichtloosheid

strevende vrouw. Zij vormen de zinnebeelden, de portaalfiguren van het tijdperk der tegencommunicatie. Jij luistert en luistert! Dan ga je van mij naar die ander, keert terug als de onverbiddelijke die haar lange been op de kleine kruk zet waarop hij zijn uren in herinnering heeft doorgebracht, terwijl hij nu voor jou, voor je hiel op zijn knieën valt. De slinger tussen deemoed en hoogmoed die steeds zwaarder slaat... ik voorvoel een lang verblijf in onduidelijke omstandigheden. Wat zegt je ander hier nu allemaal van? Hij die je mijnentwille treitert... mijnentwille? Omwille van je grillig gemoed. Is er nieuws van de ander? Hij weet dat ik... ik praat? Misschien zou hij mijn beste vriend zijn geworden. De nabijheid is bewerkstelligd. Als grijsaard verheug je je - als laatste, hoop je! - over een metgezellin die eens door velen werd bezeten... In elk geval heeft ze wat geleerd, heeft ze een hoop te vertellen... Wat wil je zien van een mens? De cadens van een hand is voldoende: een scherm voor de ogen, om de vreemde te bespieden. Dextera porrecta van de begroeting. Het rusten op de knie van de oprechte luisteraar tegenover je... Maar die ondervragingen!... Terwijl de wereld steeds vaardiger, behendiger en technisch beter toegerust wordt, worden de ware geliefen steeds

linkser en onbeholpener... Om de verbazing, het niet-begrijpen, de woordledigheid tot uiting te brengen volgt de beet in de schouder van de ander of in de eigen handbal. Zolang hij zichzelf bijt, zwijgt hij. Als hij de ander bijt, spreekt zijn zwijgen zonder dat hij het doorbreekt... Zoals ieder weet: je zoek niet de ondeugd, maar de overtreding van het verbod. Onze lust gaat mank aan te zwakke verboden... Vermoedelijk is elke vrouw voor de een een horige en knielende, maar voor de ander een onverbiddelijke gebiedster. Ze bezit het wezen van de onderdrukster noch het wezen van de lijdzame. Ze is het een of het ander al naar gelang de situatie in de strijd... Of ze beledigt de een om de beledigingen van de ander te kunnen verdragen. Of: het feit dat ze hem bemint, laadt degene die ze niet bemint met liefde, die hij vervolgens elders, bij andere vrouwen,

verspilt... Ik droomde met het doel in een ander wakker te worden. Ik beging onrecht met het vooropgezette doel dat het rechtmatige zich sterker kan doen gelden... Ik misleidde om iemand de ogen te openen... ik zeg dit omdat we onder de zon in een wildernis van doelen en plannen leven - eenzaam, met woeste excuses... Maar als ik jouw gezicht verwacht, die honderd bruine sproeten op je witte huid, die heldere vermoeidheid in je blik, het lange, fijnbesneden masker tussen haar en kin - facies non uxor amatur! Ja, ik wil je fier temidden van al die gewichtloze vrouwtjes, van de alledaagse ontreddering van het andere en onvoldoende andere geslacht. Dat je kiest voor fierheid en zekere smart. De nerveuze schrik te zijn afgesneden van een geweldig bestaan moeten anderen ondergaan, in elk

tijdperk nemen ze in aantal toe... Zonderlingen! Afgezonderd van alles wat verwarmt en versterkt... Ik heb niet veel begeerte. Ik dacht dat die groter en schandelijker zou zijn... Ken je dat?... Het is er, het is voorhanden, het is nabij, concreet, voelbaar, beeldend, maar niet meer aan te raken, niet met begrippen te benoemen of, indien benoemd, niet meer in zijn kenmerkende eigenheid benoemd. niet meer zoals het tot ons spreekt , zoals het ons mogelijkerwijze bevreemdt... we bezitten niet meer die geheime, vrezende manier van benoemen. Er is iets, een electronisch apparaat, ja goed, hoe heet het? Rekenmachine? Weinig woord voor veel ding. Daarnaast een theepot van zwart... hoe heet dat spul? Makrolon. Zegt me niets. We bevinden

ons in een ergonomisch verantwoord ingericht kantoor... dingen te glanzend, te nieuw, voortdurend vernieuwd, het oog, de zinnen, de herinnering, de metafoor vinden geen scheuren en gaten in de voorwerpen om zich aan te hechten... deze dingen stralen alleen maar, ze scheiden een lichte, kille glans af die je niet kunt beroeren of beschrijven... alleen nog de onhandige hand, het ouderwetse tasten van het hart valt min of meer te beschrijven, onttrekt zich niet onmiddellijk aan het begrip, maar misschien duurt ook dat niet lang meer, de wolk van chroomglans en abstractie rukt op tegen het allerintiemste om het onbenoembaar te maken, onbenoembaar voor de beschouwer, degene die het ervaart. Wat voelt hij nog? Brandschoon, brand zonder vuur... Ik kan het zien, het verheft zich van de rode straat, maar het oog is niet het metende orgaan. Ik kan het ervaren, dat is het metende orgaan...

Alles is verdwenen... bij die dingen... hoe heet het? Hoe heet het? Wat is het? Deze dingen hebben geen naam... geen zelfstandige naamwoorden... hoe kan ik het noemen? Wat is er eigenlijk benoembaar aan? Bijna niets... Je zult zien dat het steeds moeilijker wordt de dingen bij hun naam te noemen. Ze zijn arglistig geworden en weten zich tegenwoordig vliegensvlug aan vaste betekenissen te onttrekken. Daar sta je dan met je lege woord - het ding is allang veranderd!... In onze taal heerst de oneindige weergalm van het uitwijzende, het uit de taal wijzende woord. Daarom is die taal van het begin af aan op de vlucht, verdreven of verstoten. Een universum van je eruit kletsen... Het doel, het doel dat alle talen dwangmatig en hulpeloos nastreven is die éne klank van harmonie tussen hemel en aarde en alle schepselen. Maar de taal bazuint het noodlot van het verstoten zijn uit. Hij lijkt op de

wanhopige intonatiepogingen van een zanger op de ochtend dat hij zijn stem verloor... Alle taal is onmenselijke belofte (ons is het inderdaad goddelijkere beloofd, namelijk de natuur overtreffend te spreken). Alle taal is schoppen van naamloosheid in je ingewanden... Ik moet me verstaanbaar maken met een snelheid die niets te maken heeft met mijn begrijpen. Voortdurend is een noodaggregaat ingeschakeld om me verstaanbaar te maken. Nabijtaal zoek ik, niet het verre rumoer onder de mensen. Vrij en grenzend aan het onbegrijpelijke... Iemand die pretendeert de Duitse taal te beheersen heeft ongeveer evenveel macht als een museumsuppoost die beweert dat hij heer en meester is over al deze schilderijen... ik heb ze niet geschapen, maar ik ben er heer en meester over! De enige die met recht iets over de taal te zeggen heeft is degene die zich erdoor laat overmeesteren, stompen, bijten en door elkaar rammelen die zich

door de ganse grootheid, door de onvoorstelbare hoeveelheid ervan laat overrompelen. Maar degenen die er alleen door smalle spleten en flexibele sjablonen onderkoelde, voyeuristisch-technische betrekkingen mee onderhouden, zijn als mensen op culturele reizen die laatdunkend over het lang geleden verstomde orakel wauwelen, omdat zij zelf het niet kunnen vernemen... Maar zo zal het altijd zijn: sommigen schommelen veilig overdag en vallen 's nachts, anderen vallen door de dag en stijgen 's nachts... Hoe nu, mijnheer, u heeft alleen fraai gesproken? Maar in de nacht is dat geen fluit waard. Gebakken lucht!... Weet je, je vergist je nooit erger dan wanneer je een mens in zijn duidelijke contouren en onmiskenbare kenmerken meent te ontdekken. In werkelijkheid is zijn getrouwe beeltenis het fantoombeeld dat hem zoekt. Zo ziet iedereen eruit en iedereen is: de Ongevere, het flikkerende, steeds vervloeiende beeld. Het product van

talloze contouren laat zijn 'caracteristicum' gewoon open en tracht het uit alle macht op te sporen... hoewel de donderdag, letterlijk opgevat, me doet schudden... Uiteindelijk word je bij kop en kont gepakt door de ontketende letterlijke betekenis die met dierlijke kracht op ons afstormt. Het taalbeest en het menselijk gestel... Hoe angstaanjagend het ook lijkt, er is geen uitweg uit de anagoge zinnenaard, de gewelddadige opkomst der zinnen in hun vervluchtiging... De wereld draait uit me weg in steeds kleinere spitse ovalen... zoals de rivier sneller stroomt voor de waterval, zoals de dagen korter worden voor het einde van het jaar, zoals het latere leven naar de dood lijkt te vlieden, zoals de mug steeds kleinere cirkels draait in het wegstromende spoelwater, zo belandt ook het zekere, machtige noemen in de maalstroom waarin het

millennium wegloopt. En toch beveel ik mijn ziel met bovenmenselijke kracht weerstand te bieden, een stalen krijger van rust te zijn. Staan, stokstijf en star blijven staan, niet toegeven aan het snelle verliezen. Niet met betoverde blikken staren naar een hemel vol boerenbedrog!... Maar soms in halfslaap slaat het angstvisioen toe, en het definitieve oordeel, de afsluitende zekerheid luidt: je zult nooit hebben gedacht wat je eens in een eerste opwelling bijna gelukt was te denken... je zult nooit hebben geleefd zoals je eens in een eerste opwelling bijna gelukt was te leven!... De heremiet wordt verscheurd door de taal die hij niet tot gebed weet te beteugelen. Wat hij heeft gezegd valt hem in de rug aan en bijt zich vast in zijn schouder. Mijn woorden hebben zich in mijn vlees gebeten als

murenenmuilen... Je moet weer Hamann lezen om te leren dat de geest door scheuren en barsten wegglipt, dat alle wijsneuzen die de taal willen verhelderen vervelend zijn... dat je je elk moment kunt laten gaan... dat passie, drang en emotie de hoogste zaken in het leven, in de religie én in de stijl zijn, de paulinische geloofsstorm, de augustinische introspectie... Hij trouwde met de boerendochter Regina Schumacherin, in wier armen zijn vader stierf. Leefde samen met zijn zwakzinnige broer. Zonder Haman geen Duits. Zonder de Duistere uit het Noorden geen licht... Het ene moment zie ik de hele stralende opbouw, de innerlijke, hechte ideale architectuur van waarden en schoonheidsbegrippen, de hele onnatuurlijke hiërarchie die heilzaam en alom in het verborgene werkzaam is - en het volgende moment herken ik met evenveel vreugde de wonderen van de vliedende, weifelende vormen en onzekere plannen, de onafzienbare rijkdom van het oplossen,

de oneindige ontspannenheid wier heerlijkheid zich openbaart in het feit dat geen enkel mensenbewustzijn er heer en meester over kan zijn. Zo, lijkt het, wordt onze geestdrift steeds tussen twee onbepaalden heen en weer geslingerd: willen begrijpen en niet willen begrijpen. Het oude met definitieve contouren zien glanzen en het nieuwe niet kunnen overzien, hetgeen - hoe helder de blik ook mag zijn - altijd en eeuwig een gevoel van duisternis oproept... Uit duizenden vervagende gezichten duikt het ene geliefde gelaat op. In duizenden verstrooide goudkruimels verbergt zich de loop van een gesloten ring. Door de zigzag, de wirwar van haastige episoden waait de adem van een lang épopée. Uit myriaden melkwegen kijkt ons een kindergezicht met wereldlege ogen aan. Duizend leventjes krioelen in een biografie en vermeerderen zich als bacteriën in een modderplas. Ieder is doorgangshuis voor duizenden anderen. Waar ooit vaste plaats en starre tijd waren zijn nu alleen nog sprongen en vonken. Waar ooit

twee gescheiden ruimten voor goed en kwaad waren, zijn nu membraanovergangen waardoor de demonen van plaats wisselen en zich vermengen... Ach! Slaagde ik er nog maar eenmaal in de omtrek van een mens waar te nemen in plaats van me onmiddellijk in zijn veelvoudige gestalte te verliezen en geen gezicht meer te kunnen onderscheiden, juist door de herinnering aan datzelfde gezicht! Al die mensen die ik half zag, half was... Het mensenleven als iets dat ernaar streeft te worden herkend. Het voltrekt zich in de zekerheid van een ander oog, dat overzicht heeft en vorm herkent waar de voortlevende zich alleen bewust is van de warrige, sporadische sporen en brokken van zijn leven. Het vertrouwen in een alomvattend gezien- worden is gebaseerd op de eenheid van God die het Ene ziet in dit losse, wilde kaf dat we

voor Hem verspreiden in de wind, allang gescheiden van het koren, de vrucht. We weten dat Hij niet het verstrooide, maar juist het ene gezicht, het beslissende, geldende kenmerk, het geliefde herkent. Zonder deze zekerheid herkend te worden zouden we geen ogenblik overeind blijven. Rechtop staan om herkend te worden... Als ik bedenk dat ik nooit een kaal, grof takje wilde zijn dat ergens vaag in de wirwar wijst... En toch viel dat niet te voorkomen. Ik ben met de takken in de dorheid getrokken... Oprecht staat het land in de winter. Oprecht wit. Pantomime, al wat roept. En de kraaien, een dreigende vinger van de nacht... Er komt geen zon. We zijn heel alleen, wit en zwart... De takken streven omhoog, het haar is ten berge gerezen. Alles vergaat in opwaartse richting. Zelfs de sneeuw stijgt zodra we hem niet zien... Markeringen, brandmerken, kettingen en palen: wat hebben ze niet allemaal

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden