Bos breekt door lef en daadkracht uit smalle marges

De Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker riep begin deze week na het nationaliseren van een bank glimlachend tegen een collega uit: „We are all socialists now!” Onze minister van financiën, Wouter Bos, legde het citaat en de gezichtsuitdrukking van de christen-democraat donderdag in zijn webdagboek vast.

Hij deed dat ook met de nodige ironie. Nog maar net drie jaar geleden, schreef hij, droeg hij het oude beginselprogram van de PvdA ten grave, dat nog opriep tot nationalisatie van het bankwezen. Als modern sociaal-democraat was hij zonder aarzelen daartoe overgaan. Maar nu had hij een bank genationaliseerd! ’Dit zijn krankzinnige dagen’, luidde de openingszin van zijn mijmeringen.

Zijn verbazing over de ironie van de gebeurtenissen heeft Bos in elk geval niet belet in de chaos van de financiële crisis handelend op te treden. Waarop de crisis zal uitdraaien is onvoorspelbaar, maar zijn slagvaardigheid zegt al iets over de rol die hij voor de overheid opeist in de noodzakelijke herordening. De betekenis van de nationalisatie van banken, ook al is zij tijdelijk, moet nu al op politieke waarde worden geschat. Als het erop aankomt is niet de markt, maar de overheid het laatste bastion waarop burgers kunnen vertrouwen.

Honderd jaar geleden droomden de politieke voorvaderen van Bos nog over wat de Duitse socialistenvoorman August Bebel de ’grote Kladderadatsch’ noemde, de onvermijdelijke ineenstorting van het kapitalisme. Nu kan een moderne sociaal-democraat handelend optreden, met instemming van het gehele parlement en toegelachen door christen-democraten, die toch in elke socialist nog wel ergens een Troelstra vermoeden.

De verbazing van Bos is dus wel te begrijpen, afgezet tegen de geschiedenis van de politieke beweging waaruit hij voorkomt. Die beweging heeft zich geleidelijk maar welbewust verzoend met een rol in de smalle marges van het bestel. In de jongste Miljoenennota verdedigde Bos als overtuigd adept van Joop den Uyl nog vol verve de betekenis van deze rol. Maar het verschil in politiek klimaat is vergeleken met dertig jaar terug groot. De progressieve scharen hadden in die dagen een sterk geloof in de maakbaarheid van de samenleving en de beslissende betekenis van de politiek. Dat geloof ging zo ver dat zelfs de droom van de Kladderadatsch terugkeerde en Den Uyl zich als ’zondige reformist’ gedwongen zag zijn verwachtingsvolle aanhang op de grenzen van de democratie te wijzen en ’een politiek van kleine stapjes’ te verdedigen.

Voor Bos was het zaak het geloof in zo’n politiek juist weer een beetje terug te brengen, zelfs nu de marges in de globaliserende wereld zeer smal zijn geworden. Soms bekruipt je het gevoel, zei hij op Prinsjesdag aan het adres van de sceptisch geworden burgers, dat de globalisering zich onvermijdelijk voltrekt en dat de mogelijkheden voor politici om het verschil te maken, stelselmatig kleiner en kleiner worden. Op dat moment kon hij niet bevroeden dat hij zo snel daarna de kans zou krijgen die marges eigenhandig te verbreden.

Het leiderschap van Bos kenmerkte zich tot nu toe door een weifeling in het elfde uur. In deze crisis heeft hij met dit element – dat hem zelfs het imago van een draaikont opleverde – afgerekend. In eendrachtige samenwerking met de christen-democraten Balkenende en Wellink, de president van de Nederlandsche Bank, heeft hij praktische daadkracht getoond en het initiatief gehouden. Schakers weten dat het doorgaans fnuikend is voor een stelling als je het initiatief kwijtraakt. Dat geldt ook in de politiek.

De politici van het midden hebben de laatste jaren het initiatief uit handen gegeven aan populisten ter linker- en rechterzijde. Marijnissen, Wilders en Verdonk hebben garen kunnen spinnen uit niet meer dan de suggestie van radicale daadkracht. Ze konden dat letterlijk zonder veel tegenspraak doen, omdat de schroefjesverdraaiers – zoals Den Uyl de politici noemde die in de smalle marge opereren – zich onvoldoende bekwamen in retoriek. Dit gebrek aan ambachtelijkheid mogen ze zich aantrekken, want dat zet ze tegenover praatjesmakers onnodig op achterstand.

Daar staat tegenover dat het midden concrete resultaten laat zien, zoals het najaarsakkoord. In het licht van de crisis in de financiële sector is de betekenis daarvan betrekkelijk, even zo goed draagt het bij aan de stabiliteit van de nationale economie. Vanuit de VVD is na de val van de Muur in 1989, die zij als een triomf van het liberalisme zag, zwaar tegen het overlegmodel gefulmineerd als een hindermacht die de dynamiek van de vrije markt in de weg stond. Maar in deze barre tijden bewijst dit model opnieuw zijn waarde.

Het zal een onbeantwoorde vraag blijven of een liberale minister van financiën net zo slagvaardig op de crisis had gereageerd als Bos, in wie de oude Adam van het socialisme in weerwil van honderd jaar reformisme snel ontwaakte. De eerste reactie van de VVD op de gedeeltelijke overname van Fortis was teleurstelling over het feit dat er geen oplossing in de markt was gevonden. Zo kort na de filippica van VVD-leider Rutte tegen een expansieve overheid was dat begrijpelijk. De reactie lag ook in lijn met de klassieke liberale visie dat de onzichtbare hand van de markt de fricties wel oplost.

Hiermee zijn tegelijk de hindernissen aangegeven, die een liberaal er in het elfde uur vermoedelijk van hadden weerhouden als overheid in te grijpen. En dat ook nog, zoals Bos in zijn dagboek schrijft, ’op een manier die niet eerder is vertoond’. Een verre voorganger van hem, Fons van der Stee, riep na de tweede oliecrisis eind jaren zeventig uit: ’Wat wij nodig hebben is lef!’ Hij is bij deze ernstigere crisis direct op zijn wenken bediend.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden