Borgbewoner bleef maar veranderen

De Menkemaborg, aan de Menkemaweg 2 in Uithuizen, is tot 1 oktober dagelijks geopend van 10-12 uur en 13-17 uur. Na 1 oktober op maandag gesloten.

De betiteling 'borg' is van de laatste eeuwen. In de middeleeuwen heetten zulke gebouwen steenhuizen. Ze waren meer steen dan huis, want gewoond werd er niet. Een steenhuis was niet meer dan een uit baksteen opgetrokken verdedigingstoren waarin de dorpelingen in barre tijden bescherming zochten. Het steenhuis (vergelijkbaar met de Frieze stins) stond op een verhoging, waardoor het mogelijk was om over de gracht naar de belegeraars te kijken.

De toren - eigenlijk een donjon - werd in de loop der tijd tot huisvesting verbouwd. Zo ontstond wat in Groningen de borg werd geheten. In feite was het een burcht voor de landadel, die het dorp en de omliggende gronden in bezit had. De functie van verdedigingsmiddel ging teloor toen het leven op het land een rustiger karakter kreeg. Aanpassingen aan de borg hebben dan ook in die tijd hun beslag gekregen. De Menkemaborg bijvoorbeeld onderging in het begin van de 18de eeuw een ingrijpende verbouwing die het defensieve karakter volledig teniet deed; het steenhuis had voordien al lang niet meer bescherming aan de Uithuizer bevolking hoeven te bieden.

De vernieuwbouw en de daarop volgende inrichting van de Menkemaborg in 1705 was voor conservator Freerk J. Veldman het vertrekpunt om zijn opvattingen over het leven van de borgbewoners vorm te geven. Veldman kwam precies een kwart eeuw geleden op de Menkemaborg, waar hij een situatie aantrof die alleszins bestudering en vervolgens restauratie nodig had. Op dit moment zijn de meeste plannen die Veldman bij zijn komst in 1970 had, praktisch verwezenlijkt. Alleen de tuin, waar de natuur ietsje meer tijd nodig heeft om de wensen van de conservator te volgen, wacht nog op een aantal plaatsen op herziening. Veldmans streven was en is nog steeds om de bezoeker op de Menkemaborg een blik te gunnen in het leven van de borgbewoners in de 18de eeuw. Maar hij schrikt er niet voor terug om ook negentiende eeuwse woon- en leefelementen te laten zien: “Ook na de vernieuwbouw van 1705 brachten de bewoners veranderingen aan volgens de mode van hùn tijd.”

Het terugrestaureren was voor Veldman één ding - hij ging zelfs zo ver dat hij alle waterlelies uit de gracht haalde omdat hij het oorspronkelijke 18de eeuwse beeld aanzienlijk minder romantischer achtte - bestudering van alles wat zich in het gebouw bevond was minstens even belangrijk. Jaren van studie heeft Veldman gewijd aan meubilair, schilderijen, behangsels en verflagen. Net als op zoveel andere kastelen was er niet echt veel meubilair op de Menkemaborg aanwezig. Zeker niet genoeg om er een levendig beeld van het leven van de vroeg 18de eeuwse bewoners Unico Allard en zijn vrouw Everdina Cornera van Berum te geven. De Allards, die de borg in 1705 betrokken, moeten well-to-do zijn geweest. Niet alleen financierden ze de vernieuwbouw, ze richtten het pand ook met veel smaak in. Voor tal van zaken werden architecten en ontwerpers van naam aangetrokken. Daarom steekt het te meer dat zoveel is verdwenen. Oorzaak daarvan was de kinderloosheid van Gerhard Alberda Menkema die in 1902 stierf. Na zijn overlijden werd op het voorplein van de borg een grote uitverkoop gehouden: kabinetten, antieke kasten, beelden, Wedgewoodserviezen en oranjebomen verdwenen zo uit het oog. Vanaf 1926, toen verre nazaten van Menkema het gebouw aan het Groninger Museum schonken, zijn er bezoekers welkom op de Menkemaborg. Ook nu nog is het museum de feitelijke eigenaar, hoewel een particuliere stichting als beheerder optreedt. Veldman kan voor waardevolle aanvullingen voor 'zijn' museum in het Groninger Museum terecht, zoals hij ook wel in andere musea keurend en bruiklenend rondgaat. Zo staat een mooie groep 18de eeuwse stoelen in wat het Zaal wordt genoemd, de meest representatieve ruimte in de borg. Het Zaal ontleent vooral zijn statigheid aan de indrukwekkende gebeeldhouwde eikehouten schoorsteenpartij.

Deze en de drie andere schoorstenen zijn in de afgelopen jaren het onderwerp van een intensieve speurtocht van de conservator geweest. Veldman: “Als je in deze zaal staat wordt je oog automatisch naar de schoorsteen getrokken. Wat je dan ziet blijkt een van de mooiste voorbeelden van barokke beeldhouwkunst in Groningen en misschien wel in heel Nederland te zijn. Tot voor kort wist niemand wie die beelden had gesneden en wie de schilderingen had gemaakt. Ik vond het al langer een uitdaging om daar achter te komen, maar ik heb die studie een poos moeten opschorten omdat er ook over de rest van het gebouw zo weinig bekend was.”

Veldman kwam er achter dat de vier schilderingen in de schoorsteenmantels van de van oorsprong Friese schilder Hermannus Collenius, die leefde van 1650-1723, moeten zijn geweest. Collenius heeft een behoorlijk groot oeuvre tot stand gebracht dat deels nog in Groningen is te vinden, maar ook een publiek tot ver over de grenzen heeft gevonden. Zo bezit een adellijke dame in Newby Hall in Noord-Yorkshire, Engeland, een prachtig schilderij van Collenius dat ze, waarschijnlijk vanwege de toegedichte waarde, veel liever houdt voor een werk van een leerling van Rubens. En dat was Collenius zeker niet. Ze piekert er daarom niet over 'haar' Collenius uit te lenen aan Veldman als hij in 1998 een grote expositie, gewijd aan de barok in Groningen, op verschillende lokaties in Groninger borgen en musea organiseert.

Op die tentoonstelling komt ook veel werk van de beeldhouwer Jan de Rijk (1661-1738). De bezoeker wordt uitgenodigd om een route te maken langs kerken en borgen in de noordelijke provincie waar De Rijks werk zich bevindt. Zijn oeuvre omvat namelijk een groot aantal herenbanken en preekstoelen. En De Rijk blijkt nu ook de maker te zijn van de schoorsteenmantels op de Menkemaborg.

Jan de Rijk maakte die kerkmeubels en ook de schoorsteenstukken als toegevoegd ambachtsman in opdracht van een kistemaker of schrijnwerker. In 20ste eeuwse ogen wordt zijn werk als kunst beschouwd, maar de 18de eeuwer zag het gewoon als een ambacht. Zo'n ambacht moest weliswaar degelijk en kunstzinnig worden uitgeoefend, maar de ideeën werden door iemand anders geleverd, in dit geval de schrijnwerker. De 'geestelijke vader' van De Rijk was behalve schrijnwerker ook bouwmeester. Allert Meijer (1654-1722) bracht het in de stad Groningen tot de niet onaanzienlijke functie van stadsbouwmeester.

Freerk Veldman: “Toen ik hier in 1970 kwam, werd gedacht dat er in het gevolg van de beroemde orgelbouwer Arp Schnitger die in Groningen veel orgels heeft gemaakt, ook een Oostfries zat. Het ging om een zekere Maier, die bekend is geworden als beeldhouwer en decorateur van orgelkasten. Ik ben in de beginfase van mijn werk op de borg veel kerken gaan bekijken om te zien of de schoorsteenmantels in stijl iets met de orgelkasten en de herenbanken hadden te maken. Ik vond dat die preekstoelen en banken van een uitzonderlijke kwaliteit waren, ze steken er echt boven uit in vergelijk met andere beeldhouwwerken. Op een gegeven moment vond ik in de Hervormde Kerk in Pieterburen, niet zo ver van Uithuizen vandaan, een vergelijkbaar stuk. Door in kerkelijke rekeningen te gaan neuzen, kwam ik er achter dat er voor dat stuk een bedrag was betaald aan de kistemaker Allert Meijer. Daarmee verviel voor mij de naam Maier, dat moest toch iemand anders zijn, ook al leek die naam er veel op. Vervolgens heb ik een rekening gevonden waarin Meijer voor het snijwerk een bedrag betaalt aan ... Jan de Rijk. Toen was de cirkel gesloten. Ik kwam er achter dat Meijer de verbouwing van de Menkemaborg moet hebben ontworpen en dat Jan de Rijk zijn hulpje was. De Rijk was afkomstig uit Enkhuizen, kreeg zijn opleiding in Amsterdam en verhuisde omstreeks 1690 naar Groningen. Waarom hij uit Amsterdam is weggegaan, is evenmin bekend. Misschien heeft hij er weinig opdrachten gekregen, aan het einde van de Gouden Eeuw was de concurrentie in de hoofdstad groot en waarschijnlijk liep het aantal opdrachten terug, als gevolg van de economische neergang die zich omstreeks die tijd voordeed. Feit is dat De Rijk in Groningen veel opdrachten kreeg, hoewel hij hier ook een aantal baantjes had. Zo was hij jarenlang kok in het Anthonygasthuis, en is zelfs nog 'binnenvader' in een groot weeshuis geweest. Daar had hij de leiding over de weesjongens, die hij leerde hout te bewerken.”

Nu Veldman het meeste werk van Jan de Rijk heeft bestudeerd, kon hij een goede indruk van zijn kwaliteiten krijgen. “Ik vind dat De Rijk van meer dan lokaal belang is. De schoorsteenstukken op de Menkemaborg en de preekstoel in de Hervormde Kerk in Uithuizermeeden beschouw ik als zijn beste stukken, zijn chef d'oeuvre.”

De Menkemaborg bevatte eertijds vijf schoorsteenmantels van de hand van Jan de Rijk. Eén ervan is bij een verbouwing van de voorkamer in de 18de eeuw verhuisd naar de pastorie in het dorp. Die is in 1940 afgebroken, maar de mantel werd gespaard. Die staat nu in de borg Verhildersum in Leens. Veldman is ook in die borg conservator.

Opvallend gegeven: de schoorsteenmantels hebben nooit gediend voor de functie waar ze suggeren. Veldman: “Ze zijn loos, er zit geen schoorsteen achter. Ze zijn gemaakt ter versiering, om de vertrekken allure te geven. Een haardvuur hoefde hier niet te zijn, want de bewoners kwamen hier alleen in de zomer. Als het koud werd, vertrokken ze naar Groningen-stad.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden