Review

Bordewijk en andere literaire jodenhaters

In 1912 werd Nederland opgeschrikt door een vroege Fassbinder-affaire. Op aandringen van de toenmalige opperrabbijn van Noord-Brabant verbood de burgemeester van 's Hertogenbosch de opvoering van het toneelstuk 'De Violiers' van Willem Schurmann.

Dit stuk, dat ging over de malafide zakenpraktijken van de joodse gebroeders Violier, werd in joodse kring opgevat als grievend want antisemitisch. Voorstanders en tegenstanders vlogen elkaar in de haren. De beroering verhinderde niet dat het stuk, waarin Willem Royaards een hoofdrol speelde, nog jarenlang volle zalen zou trekken.

Dat vertelt Henriette Boas in 'Belletrie als bron', een opstel over de verschijning van joden in de Nederlandse literatuur sinds de zeventiende eeuw. Volgens Boas worden joden afgebeeld als exotische buitenstaanders.

In toneelspelen uit de 17-de en de 18-de eeuw is de jood doorgaans een karikatuur. Ook in de negentiende eeuw blijft hij een stereotype. In het algemeen, aldus Boas, spreekt uit de niet-joodse letterkunde van die tijd 'wantrouwen en misprijzen' jegens joden.

Zij illustreert dit onder meer met de Ideeën van Multatuli, waarin de Amsterdamse Jodenhoek van omstreeks 1835 wordt geschetst. 'Met een zekere wellust en niet zonder overdrijving' beschrijft Multatuli de vuilheid van de huizen in de wijk en het kromme Nederlands dat de bewoners spreken.

Niet alleen bij Multatuli, maar ook bij Justus van Maurik zijn joden een 'grappig volkje': lieden die op de lach-spieren werken en over wie op neerbuigende toon wordt bericht. Frederik van Eeden produceert in 1884 een ronduit antisemitisch toneelspel, 'Het Poortje of De Duivel in Kruimelburg'. Hierin neemt Satan de gedaante aan van een opzichtig geklede joodse antiekhandelaar, die op oneerlijke wijze een kostbare gevelsteen bemachtigt.

Tot in de twintigste eeuw wordt gebruikgemaakt van het cliché van de jood als oplichter en bedrieger. Vooral Bordewijk blinkt hierin uit. In een aantal van zijn romans en verhalen figureren uitgesproken onsympathieke joden. In 'De laatste eer' (1935) beschrijft hij een joodse begrafenis met zulke bijtende spot, dat Boas zijn toon als 'antichristelijk' bestempelt.

Het grootste deel van het opstel is gewijd aan het werk van joodse auteurs, van Carry van Bruggen tot en met Gerhard Durlacher, van Marianne Philips tot en met Arnon Grunberg. Maar zelfs deze boeken, aldus Boas, bieden geen volledig beeld van het Nederlandse jodendom. De auteurs van vóór 1940 hadden een beperkte kennis van de joodse godsdienst. Ze toonden geen aandacht voor het Jiddisj of voor het zionisme. De meesten van hen waren socialist, zoals Herman Heijermans, die het in zijn romans nadrukkelijk opnam voor het misdeelde proletariaat. Hij had geen contact met het georganiseerde jodendom en kende het joodse leven nauwelijks. Toch verhinderde dat hem niet om over joden te schrijven. De joden van Heijermans zijn in de regel niet minder hatelijk dan die van Multatuli. Een aantal bekeert zich weliswaar tot het christendom, maar geen doopwater kan hen van joodse smetten reinigen.

Eén van de vroege toneelstukken van Heijermans, 'Ghetto' uit 1898, is een schoolvoorbeeld van joodse zelfhaat. Zo aanstootgevend anti-joods is de teneur van dit stuk, dat de politie bij de première demonstraties vreesde, die evenwel uitbleven.

Door joden gepubliceerde boeken over de periode 1940-1945 zijn evenmin representatief voor het jodendom, aldus Boas, omdat daarin uitzonderlijke omstandigheden aan de orde komen: vervolging en vlucht, onderduik en gevangenschap.

Ook de romans van jongere joodse auteurs worden overschaduwd door de Tweede Wereldoorlog. In dit recente werk zijn joden steevast probleemfiguren die worstelen met hun identiteit of met getraumatiseerde ouders. Een gelukkig gezinsleven is er niet bij. Nergens eet men onbekommerd boterkoek. Nergens ontsteekt men zonder melancholie de sabbatkaarsen. Een positieve schildering van een traditioneel of zionistisch joods milieu ontbreekt volledig. Boas komt dan ook tot de conclusie dat het jodendom in de Nederlandse letterkunde door de eeuwen heen een vreemd element is gebleven.

Aan het slot bekritiseert zij scherp de in 1999 verschenen en door Daphne Meijer samengestelde bloemlezing 'Levi in de Lage Landen, 350 jaar joodse schrijvers in de Nederlandse literatuur'. Dat doet ze met zoveel kennis van zaken, dat de lezer vervuld raakt van spijt. Waarom is dit belangrijke werk aan Meijer overgelaten? Henriette Boas had het blijkbaar beter gekund.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden