Bonsai onnatuurlijk? Maar dat is een bloemstuk toch ook?

Een geslaagde bonsai is een boompje dat eruit ziet alsof het eeuwenoud is. Om dat voor elkaar te krijgen heb je niet zozeer groene vingers nodig als wel geduld.

Ben je op een verjaardagsfeestje dat stroef verloopt... je weet wel, de gasten zitten stijfjes in een kring want voor drank is het nog te vroeg, dan kun je de boel verlevendigen door het gesprek op bonsai te brengen. Grote kans dat er twee kampen ontstaan: een dat verrukt is van die schattige boompjes en een dat het een verminking van de natuur vindt.

Zelf heb ik nooit iets gezien in die kabouterboompjes in hun pindaschaaltjes. Omdat ik er geen verstand van had, zo merk ik nu. Want zodra je wat verder kijkt dan die boompjes klein zijn, ontdek je hoe fascinerend bonsai kan zijn. En zeg nou zelf: is er zoveel verschil tussen een gemanipuleerde boom en een bloemstuk? Zo'n kunstig gefabriceerd geheel van bloemen, takken en linten is toch ook niet wat de natuur heeft bedoeld? Om nog maar te zwijgen van een formele buxustuin of de Keukenhof!

Goed, nu ik mijn bekering tot het bonsaïsme heb gerechtvaardigd, gaan we kijken wat bonsai eigenlijk is. Het Japanse woord bonsai betekent 'gekweekt in schaal'. Wat in die schaal staat is een doodgewone boom of struik die zijn groeitempo aanpast aan de beperkte ruimte van het bakje waarin hij staat en aan de snoeibeurten die hij krijgt. Een minitatuurboom dus. Of struik.

Maar wat maakt bonsai nou zo intrigerend? Het is natuurlijk grappig om te zien hoe een woudreus zich presenteert als een rotsplantje. Maar nog veel wonderlijker is het dat zo'n madurodammetje er uitziet als een eeuwenoude boom. Wil je een geslaagde bonsai krijgen, dan ben je dus eigenlijk bezig met de verre toekomst van je boom. Om dat voor elkaar te krijgen heb je niet zozeer groene vingers nodig als wel geduld. Héél veel geduld. In Japan wordt een en hetzelfde boompje zelfs van generatie op generatie doorgegeven.

Het kweken van miniatuurbomen in schalen werd drieduizend jaar geleden al gedaan. Niet in Japan, maar in China. Toen de eerste bonsaibomen aan het eind van de 12de eeuw Japan binnenkwamen, werden ze geestdriftig onthaald door de hogere kringen. Aanvankelijk ging het er om de boompjes de meest bizarre vormen te geven, terwijl het vanaf de 18de eeuw juist mode werd om ze er zo natuurlijk mogelijk uit te laten zien.

De boompjes moesten worden teruggebracht tot hun essentie. Door goed naar 'wilde' bomen te kijken ontwikkelden de bonsaimeesters vijftien hoofdstijlen, die variëren van gekronkeld tot hellend en van waterval tot windgestriemd. Bovendien pasten ze allerlei technieken toe om hun doel - een boom met een natuurlijke uitstraling - te bereiken. Ze gingen zelfs zo ver dat ze een boompje eruit lieten zien alsof het door de bliksem was getroffen!

Europeanen leerden bonsai ruim een eeuw geleden kennen op wereldtentoonstellingen. Wereldwijd bekend werden de boompjes pas na de Tweede Wereldoorlog, doordat in Japan gelegerde Amerikaanse soldaten ze meenamen naar huis. In Nederland gingen de bonsai-ogen open in 1972, toen op de Floriade in Amsterdam een Japanse inzending werd tentoongesteld.

Een bonsaiboompje mag er dan uitzien alsof het ontworpen is voor de vensterbank, de meeste zijn toch echt buitenplanten. Alleen een paar (sub)tropische soorten moeten, net als kuipplanten, voor de eerste nachtvorst naar binnen. Wil je lang plezier hebben van je bonsai, dan moet je hem dus niet op de vensterbank zetten. Daar zal hij net zo lang staan te verpieteren tot hij dood is.

Een bonsai kan worden gekocht, gezaaid, gestekt, afgelegd of uit de natuur opgegraven. De makkelijkste manier is om een voorgevormd boompje te kopen. Als beginner kun je dat het best doen bij een specialist, want dan krijg je meteen tips en adviezen mee. Heb je die niet nodig omdat je alles al weet, dan kun je via internet een starterspakket bestellen. Of je koopt een jong boompje bij een tuincentrum en brengt dat eigenhandig in model. Het voordeel van een goedkoop boompje is dat je net zo lang kunt experimenteren tot je het in de vingers hebt. Ben je iemand met veel geduld en nog een heel leven voor je, dan kun je kiezen voor zaaien: na een jaar of tien heb je een leuke bonsai.

Het eerste wat je moet doen is bedenken welke stijl je jouw bonsai wilt meegeven. Laat je hem rechtop groeien, laat je de stam van richting veranderen of wil je een boompje dat te lijden heeft gehad van een snoeiharde westenwind? Houd er rekening mee dat de ene boom zich meer leent voor een bepaalde stijl dan de andere.

Boompjes die nog in ontwikkeling zijn staan in 'grote' potten. Zou je zo'n boom in een laag schaaltje zetten, dan kun je hem net zo goed meteen in de kliko gooien. Zodra de boom gewend is aan zijn pot, verhuis je hem naar een maatje minder en snoei je gelijk de hoofdwortels terug. Zorg dat de aarde in de schaal niet uitdroogt en bescherm de boom tegen harde wind, al was het maar omdat hij uit de schaal kan waaien. Welke meststoffen hij nodig heeft hangt af van de boomsoort. Het spreekt vanzelf dat een bonsai moet worden gesnoeid: takken, bladeren en wortels. En daarmee ben je er niet, want de boom moet met koperdraad in het gewenste model worden gebracht. Daarbij kun je kiezen voor Hokidachi of Chokkan. Voor Moyogi of Han-kengai. Al kan het natuurlijk ook zijn dat je de voorkeur geeft aan Fukinagashi. Begint het je te duizelen, dan kun je altijd nog lid worden van een van de elf bonsaiverenigingen in ons land en daar een workshop volgen.

Informatie: www.bonsainederland.nl en www.lodderbonsai.nl

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden