BONHOEFFER

“We moeten het riskeren om aanvechtbare dingen te zeggen als daardoor maar vitale vragen worden aangeroerd.” Op 9 april 1945 werd de Duitse theoloog en verzetsman Dietrich Bonhoeffer door de nazi's vermoord.

Op het moment dat deze woorden werden uitgesproken, was de Duitse theoloog en verzetsman Dietrich Bonhoeffer posthuum al uitgegroeid tot datgene wat hij nimmer had voorzien en zeker niet zou hebben begeerd: de mondiale goeroe van het christendom na Auschwitz. En zoals dat vaker gebeurt met denkers die zich niet meer kunnen verweren, is vervolgens iedereen met Bonhoeffers religieus gedachtengoed op de loop gegaan: de god-is-dood-theologen, de voorvechters van het politiek geïnspireerde christendom, aanhangers van de zo verguisde bevrijdingstheologie. De lijst is niet volledig of afgesloten.

Zo ontstond het beeld van Bonhoeffer als een radicaal die afscheid neemt van God, kerk en christendom, naast dat van de conservatieve romanticus die tegen alle seculariteit en individualisering in zoekt naar religieuze verbanden, en tot slot de mysticus die dweept met de persoon van Jezus Christus.

Wie was deze Bonhoeffer door wie John Robinson (Honest to God) zich liet inspireren, van wie Harvey Cox (The secular city) even vol was als Dorothee Sölle, en wiens geloofsoverpeinzingen ook andere theologen - Metz, Moltmann, Shault - nog steeds bezighouden.

De meningen over Bonhoeffers persoonlijkheid lopen evenzeer uiteen als die over zijn theologische bedoelingen, waarvan Van Ruler eens zei: “er zit iets leerzuchtigs en dwingerigs, ook iets hooghartigs in zijn oeuvre dat mij tegenstaat”. Noemt de een (G. Rothuizen) hem “de profeet van de 21-ste eeuw”, de ander (H. van Hoogstraten) ziet Bonhoeffer als een neuroticus met suïcidale neigingen.

De burger-aristocraat Dietrich Bonhoeffer (1906-'45) laat zich ook ongemakkelijk in karakteristieken vatten. Enerzijds was er de hoffelijke causeur en geniale pianist, middelpunt van elk gezelschap waarmee hij in contact kwam, anderzijds de afstandelijke leermeester van de alternatieve predikantenopleiding in Finkenwalde die toegaf dat naast zijn eigen familie er slechts één was die hem tutoyeerde. Een man die zich met grote overgave bezighield met de geestelijke zorg voor Berlijnse arbeidersjongeren, maar die tot in zijn laatste maanden op lichtelijk elitaire toon sprak over de geestelijke noden van het plebs. De man ook die zijn 18-jarige verloofde, Maria von Wedemeyer, soms schreef op een manier waarvan iedere feministe nu zou gruwen.

Trots én ootmoedig, conservatief én iconoclastisch was Bonhoeffer produkt van het Duitse Bildungsbürgertum dat zijn kinderen opvoedde in gestrenge soberheid. Wat niet belette dat in het geval van de familie Bonhoeffer - vader de meest prestigieuze psychiater van Duitsland, moeder afkomstig uit een geslacht van hofpredikanten - het op de grond gevallen speelgoed onmiddellijk werd weggegooid. Zelfstandigheid, zelfontplooiing en zelfbeheersing vormden de kern van het hoogburgerlijke ethos dat in deze kringen werd hoog gehouden, naast intellectualisme en liberaliteit.

Religie speelde in het Bonhoeffer-milieu een ondergeschikte rol, de evangelische kerk werd om haar kleinburgerlijkheid met dédain bekeken. Toen Dietrich niet alleen theologie ging studeren, maar zich daarna ook nog voorbereidde op het predikantschap was de familie dan ook lichtelijk geschokt. Is dat aanvankelijk mede de reden geweest waarom hij die keuze maakte - rebellie tegen het ouderlijk huis?

Maar er is meer. Er is de Bonhoeffer die een dag na Hitlers benoeming tot rijkskanselier (30 januari 1933) in een radiolezing het Führerprincipe met de grond gelijk maakte. Er is de Bonhoeffer die als een der allereerste kerkelijke voorgangers in nazi-Duitsland de evangelische kerk publiekelijk opriep tot verzet tegen wat later zou uitmonden in de Endlösung der Judenfrage. Want: “Nur wer für die Juden schreit, darf auch Gregorianisch singen” (toen hem in april 1935 de ariërverklaring ter tekening werd voorgelegd weigerde hij, daarmee iedere kans op een academische carrière verliezend). Er is de Bonhoeffer die als een van de weinigen binnen de Bekennende Kirche de rug recht hield toen pressie en moedeloosheid hun tol eisten.

En tenslotte is er nog de Bonhoeffer die in juli 1939 een comfortabel verblijf in de Verenigde Staten afbrak om het lot te delen van de christelijke broeders en zusters in een Duitsland dat met open ogen de ondergang tegemoet liep. (Dat hierin bij Bonhoeffer de wens tot zelfdestructie meespeelde, zoals enkelen beweren, wordt door geen enkel feit gedekt.)

Het bracht hem na terugkeer tot de beslissende stap die hij met gevangenschap en dood zou moeten bekopen, een stap die sommigen in Duits-evangelische kring hem tot op de dag van vandaag nadragen: zich aansluiten bij het actieve verzet.

Een man van de kerk die samenzwoer tegen de door God boven hem geplaatste 'wettige overheid' - dat beeld blijkt ook nu nog gevoelens van onbehagen op te roepen bij een deel van de Duitse kerkelijke Prominenz. Dat de meerderheid van de protestantse (én rooms-katholieke) pastores en theologen in het toenmalige Duitsland zich verrassend soepel boog onder het nazi-juk schokt kennelijk minder.

“Had ik me beperkt tot zijn vroege werk, in kloeke studies samengevat en geschreven in dik professoren-Duits, dan was er niks aan de hand geweest. Maar toen kreeg ik de brieven uit (de gevangenis van) Tegel in handen!” De woorden zijn van Frits de Lange, gepromoveerd op een proefschrift over Burgerlijkheid bij Dietrich Bonhoeffer en ze spreken voor velen. Toen na Auschwitz en Hirosjima de verbinding tussen hemel en aarde definitief verbroken leek en het vertrouwde godsbeeld in scherven lag, klonk posthuum een stem die precies bleek te vertolken wat mensen dachten. Wat viel er te zeggen na de dood van God? Niets, luidde het antwoord. Het wordt hoog tijd dat we leren zwijgen.

Lang vóór Thomas Altizers 'donkere nacht van de ziel' zei Bonhoeffer dat wij eerst door een pijnlijke stilte heen moeten voordat we nieuwe beelden van God kunnen oproepen die de 'mens zonder religie' mogelijk weer zullen inspireren. De tijd van de vrome, inhoudsloze woorden die slechts ingewijden begrijpen, is voorbij. Het komt er op aan een nieuwe taal te vinden die het aanschijn van de aarde kan veranderen, omdat ze datgene vertolkt wat mensen beweegt.

In zijn woorden: “Een taal misschien volkomen areligieus, maar bevrijdend en verlossend, als het spreken van Jezus”.

Zelfs bij Karl Barth, zijn grote theologische voorbeeld en Kampfgenosse in de anti-nazistische kerkenstrijd, miste Bonhoeffer een 'vertaling' van de christelijke waarheden op een wijze die de geseculariseerde mens van de 20-ste eeuw weet te inspireren. Metafysische zaken als de maagdelijke geboorte en de Drieëenheid moesten volgens Barth “rauw gegeten” worden. Dat, zo besefte Bonhoeffer al ruim vóór Auschwitz, lag moderne mensen wel erg zwaar op de maag.

Zijn advies: Geen paniek, ook al lijkt alle grond onder je voeten weg te zakken. Blijf vol vertrouwen wachten op het moment dat Hij in aangepaste taal de dialoog hervat. En volg ondertussen in je dagelijks, maatschappelijk handelen het voorbeeld van Christus na (Nachfolge, 1937).

Vijftig jaar later, in een tijd waarin christelijk Europa getroffen lijkt door een neutronenbom - de kerkgebouwen staan er doorgaans ongeschonden bij, maar de gelovigen zijn grotendeels verdwenen - duurt het wachten nog altijd voort.

De combinatie van denker én activist, predikant én man van het verzet die hem doet glanzen voor zwarte en andere bevrijdingstheologen, maakt hem in het westen bij een deel van het theologisch establishment verdacht. Het feit dat de gevangenisbrieven op menig nachtkastje liggen, doet zijn zaak evenmin veel goed. Is hij wel serieus te nemen, een man die ook pas 39 was op het moment van zijn dood?

Het antwoord luidt voluit bevestigend. Al is veel van zijn werk fragmentarisch en onaf, roept het soms meer vragen op dan dat het antwoorden geeft, toch hoort hij thuis in de rij grote protestantse theologen van deze eeuw: Barth, Bultmann, Tillich. Meer nog dan zij wist Bonhoeffer, bijna intuiéief, de kern te vatten van het goddeloze realisme van de moderne mens die zelfs in persoonlijke noodsituaties van schuld, lijden en dood niet langer naar Hem vraagt. Hij creëert zijn eigen zingeving en komt bij de existentiële vragen niet langer automatisch uit bij God. En niemand, zegt Bonhoeffer, die hem dat kwalijk nemen mag.

De oude volkswijsheid dat nood leert bidden, bleek zelfs tijdens de meest helse bombardementen op Berlijn niet op te gaan. Ook voor Bonhoeffer niet. “Toen we gisteren (tijdens een luchtaanval) weer op de (gevangenis)vloer lagen en iemand hardop 'ach God, ach God' riep - anders een zeer lichtzinnige broeder - kon ik echt geen christelijk woord van bemoediging of troost tot hem spreken; ik merkte dat ik op mijn horloge keek en zei: 'nog hooguit tien minuten en het is voorbij”(Tegel, 29 en 30 januari 1944).

Het zijn dit soort gedachten en overwegingen, schetsmatig neergelegd in de onvoltooide Ethik (1943) en in brieven die hij na arrestatie door de Gestapo (5 april '43) vanuit zijn cel schreef aan zijn vriend Eberhard Bethge, die hem tot profeet van de naoorlogse tijd hebben gemaakt. Vooral de brieven, in '51 onder de titel Widerstand und Ergebung (Verzet en Overgave) gebundeld, vonden mondiaal weerklank.

Hier maakte iemand van binnenuit genadeloos de balans op van het tekort van het officiële christendom. De vragen die hij erover stelde, leefden (en leven) bij miljoenen.

Als weinig anderen besefte Bonhoeffer dat er in het Westen een diepe kloof is gegroeid tussen burgerlijke religie en alledaagse realiteit, tussen kerk en gelovigen. Terwijl de moderne wereld bereid blijkt het lot in eigen hand te nemen, wordt haar nog van te veel kansels toegeroepen dat God de postreligieuze mens wel zal krijgen als deze maar genoeg in de penarie zit. Gods molen maalt langzaam!

Dit kerkelijk zoeken naar 's mensens beurse plekken, wees Bonhoeffer als onchristelijk van de hand. God als stoplap, als noodhulp bij existentiële grenssituaties heeft ook niet langer zin in een wereld die mondig is geworden en de gevolgen van haar keuzes zelf draagt. De tijd waarin men het geweten gelijkstelde met Gods woord is voorbij.

In de gevangenisbrieven heet het: “Ik zou van God niet aan de grenzen (van het bestaan) spreken, maar in het centrum, niet in zwakheid maar in sterkte, dus niet bij schuld en dood maar in het leven en de goede dingen van de mensen.”

Alleen zij die op hun kracht worden aangesproken zullen in staat zijn boven zichzelf uit te stijgen en zich te richten op de maatschappelijke noden, op het lijden van anderen. De wereld serieus nemen en erin leven “alsof God niet bestaat” - dat is de enige manier waarop kerk en christendom in onze dagen nog geloofwaardig kunnen zijn. Hemel en aarde blijken steeds meer samen te vallen. De metafysische vluchtweg, richting eeuwigheid, is sinds Bonhoeffer versperd en ook steeds meer christenen hebben dat anno 1995 in de gaten.

Het wordt tijd dat het westerse institutionele christendom dit feit serieus gaat nemen. Niet door hijgend de statistieken achterna te lopen - het beeld is van De Lange - en koortsachtig te overleggen welk theologisch modekonijn men uit de kerkelijke hoed kan toveren, maar door, aldus Dietrich Bonhoeffer, “zo over God te spreken dat er een verassend licht op onze wereld valt”. Een God over wie rabbijn L. Rubinstein, auteur van De God van de joden na Auschwitz, in naam van alle doden verbitterd riep: “Waar was Hij toen zijn volk werd gemarteld, vergast, verbrand?”

Een striemende vraag, mede gesteld aan een triomfalistisch christendom dat de illusie koesterde (en dit ten dele nog steeds doet) dat God op Golgotha buiten schot is gebleven.

Tegenover een kerkelijk concept dat de goddelijke almacht eeuwenlang centraal stelde en aan God dingen toeschreef die deze nooit doet, plaatst Bonhoeffer het kruis van Christus.

“God laat zich uit de wereld terugdringen tot op het kruis. God is machteloos en zwak in de wereld, en juist en alleen zo is Hij met ons en helpt Hij ons.” Een radicale gedachte die tot in onze tijd mensen diep choqueert.

Temidden van godverlatenheid en nihilisme biedt het beeld van God die zich manifesteert in het gekwetste gelaat van de ander het christendom een kans om ook voor postmoderne mensen geloofwaardig te zijn. Dat Hij in smartvol toezien deze wereld haar gruwelijke gang laat gaan, lijkt beter te verdragen dan een God die minzaam boven de wolken zweeft. De idee van de Almachtige, Alwijze, Algoede Schepper is met Auschwitz en Hirosjima definitief uiteen gespat.

In 1944 schreef Bonhoeffer somber: “Wij gaan een periode zonder ook maar enige religie tegemoet; zoals ze nu zijn, kunnen mensen eenvoudig niet meer religieus wezen.”

Heeft de geschiedenis hem gelijk gegeven? 'Nee,' zeggen velen, 'in het zicht van de nieuwe eeuw blijken zingevingsvragen populairder dan ooit'.

Wie Bonhoeffer zo tegen zijn eigen woorden keert heeft de inhoud niet begrepen. Areliogisiteit wordt door hem niet gezien als het einde van ieder gevoel voor zingeving, maar als teken van verval van een burgerlijk christendom dat verstrikt is geraakt in steriele instituties en in de daarbij behorende metafysische fraseologie.

“De kerk dient uit haar stilstand uit te treden. We moeten weer naar buiten gaan voor het geestelijke debat met de wereld. We moeten het riskeren om aanvechtbare dingen te zeggen als daardoor maar vitale vragen worden aangeroerd.”

En daarna volgt als een zweepslag: “Jezus roept ons niet tot een nieuwe religie, maar tot een nieuw leven in hem.”

Wie het institutionele christendom beschouwt als schepping van Christus en hieraan eeuwigheidswaarde ontleent, vindt Bonhoeffer tegenover zich. Van hem zijn ook de volgende zinnen: “De laatste verantwoordelijke vraag is niet, hoe ik me op heroïsche wijze aan de affaire kan onttrekken, maar hoe een komende generatie verder leven moet.”

De al in zijn tijd opstekende stormwind van de secularisatie die kerk en christendom na 1945 steeds harder in het gezicht sloeg, trof Bonhoeffer veel meer dan latere theologen voor waar wensten te houden.

Op beloken Pasen, de dag voordat hij werd opgehangen, legde Bonhoeffer zijn medegevangenen nog uit dat de vuile handen die ze plaatsvervangend voor anderen in het gewapend verzet en op het slagveld hadden gemaakt, waren uitgeboet door het lijden en sterven van Christus. Kort daarna ging de deur open en klonk het bevel: 'Gevangene Bonhoeffer, klaarmaken en meekomen'. Deze wist wat dat betekende: “Dit is het einde - voor mij het begin van een nieuw leven”. Hij stierf zoals hij geleefd had, beheerst en vol vertrouwen.

Professor Rothuizen zou later schrijven: “Bonhoeffer was god noch geniaal, heilig noch volmaakt. Hij was 'slechts een mens zoals wij' (Jacobus 5 : 17). Dat geeft de burger moed.” Zinnen waarop tittel noch jota valt af te dingen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden