Review

Bomans zocht zijn leven lang erkenning

Bladerend in de registers op de 'Werken' van Godfried Bomans kom je soms tot verrassende ontdekkingen. Niet alleen blijkt een aantal van zijn stukken - soms in gewijzigde vorm, vaak ook niet - meer dan een keer gepubliceerd, ook de periodieken waarin ze verschenen, zijn op z'n minst curieus te noemen.

De meeste pagina's in het laatste deel van de 'Werken' zijn ingeruimd voor Mengelwerk, 'werk van allerlei aard' (Van Dale). Die stukken werden de afgelopen decennia vaak gebundeld onder titels als 'Buitelingen', 'Van de hak op de tak' of 'Capriolen'. Meestal geschiedde dat zonder bronvermelding, maar vaak ging het om bijdragen uit de Volkskrant en Elsevier. Uit dit zevende deel blijkt echter overduidelijk dat Bomans daarnaast voor de meest uiteenlopende media schreef. Een artikel voor Onze Taal prijkt naast een uit het personeelsorgaan van een verffabriek en een bijdrage voor de Katholieke Illustratie wordt afgewisseld met een oproep tot behoud van het jongensinternaat Aloysius van de Congregatie van O. L. Vrouw van Zeven Smarten.

En zo was het instructieve, maar vooral vermakelijke 'Bezoek aan een golfkarton-fabriek' geen stukje voor Elsevier, maar wel degelijk een bijdrage voor een brochure van golfkartonfabriek Van Meurs. Of de fabrikant blij was met de typische Bomans-slotzin (,,Zelden heb ik zoveel zorg zien besteden aan iets, dat zo volkomen waardeloos is. Dat een aantal volwassen mensen hun beste krachten wijden aan een product, dat na aankomst door de ontvanger direct wordt weggegooid, is een mystieke ervaring'), dat vermeldt de historie niet.

Critici zagen en zien in dergelijke veelschrijverij een bewijs voor hun stelling dat Bomans (1913-1971) zijn talent versnipperde - en bijvoorbeeld ná 'Pieter Bas' en 'Erik' nooit meer aan het schrijven van 'een groot boek' is toegekomen -, terwijl zijn bewonderaars zijn veelzijdigheid alleen maar onderstreept zien.

Wel is vast komen te staan dat hij geen 'nee' kon zeggen, wanneer hij weer eens voor een 'stukje', een lezing en een radio- of tv-optreden werd benaderd. Dat al deze nevenactiviteiten uiteindelijk van invloed zijn geweest op Bomans' bescheiden plaats in de vaderlandse letteren lijkt dan ook een niet al te boude veronderstelling. Dat hij zich daarnaast al die belangstelling van buiten de literaire wereld maar al te graag liet aanleunen, staat evenwel ook vast, anders zou hij nooit in 1971, het jaar van zijn overlijden, lijsttrekkers-in-verkiezingstijd hebben geportretteerd, een aantal televisie-interviews voor de NCRV hebben gedaan, een vermoeiende reis door Vlaanderen (met gesprekken voor de BRT-televisie) hebben gemaakt en op het verzoek van de Vara-radio zijn ingegaan om een week op het onbewoonde Rottumerplaat door te brengen.

Nu de uitgave van bijna zesduizend bladzijden uit Bomans' werk (het is expliciet níet zijn Verzameld Werk!) is voltooid, zijn er wel een paar opmerkingen te maken. Allereerst valt de recalcitrante Bomans op, die tegen het gezag en allerlei Wichtigtuerei ten strijde trekt. Hij doet dat echter wel op een hem typerende wijze: niet met de degen van de directe frontale aanval, maar met het floret van de milde ironie wordt elke autoriteit tot ware afmetingen geminimaliseerd. Het blijkt uit de avonturen van Pa Pinkelman, waarin prominente politici letterlijk in hun hemd (of in pyjama of ondergoed) worden gezet, maar ook uit de pseudo-wetenschappelijke verhandeling over de door hem verzonnen Thomas Robert Spoon, compleet met voetnoten en 'literatuurverwijzingen'.

Dan is er de romantische Bomans die vaak over zijn kindertijd schrijft, want in de woorden van de auteur: ,,De eigenlijke vondst der romantiek is de vreugde der melancholie'. Die jeugd in het Rijke Roomsche Leven was veilig en vertrouwd geweest, en dat beschermende miste hij later. Hij was overigens realist genoeg te erkennen dat ook in die periode kerkelijke aangelegenheden niet altijd de schoonheidsprijs verdienden, maar had - zoals meer katholieke generatie- en geloofsgenoten - grote moeite met het overboord zetten van allerlei geloofszekerheden, zonder dat er uitzicht op iets 'vervangends' was. Daarom bleef Bomans in wezen naar die tijd terugverlangen en er vol melancholie over schrijven, omdat hij voortdurend naar warmte en geborgenheid op zoek was.

In een woordspeling op een citaat van Baudelaire sprak hij, vermoedelijk minder gekscherend dan het in eerste instantie lijkt, over 'luxe, kalmte en volop thee'. Het succes van 'Pieter Bas' en 'Erik', die immers grotendeels vanuit het perspectief van een kind waren geschreven, zal hem daarom veel voldoening hebben geschonken.

Ook de miskende Bomans moet worden genoemd. Zijn opvoeding in het door een autoritaire vader gedomineerde gezin was waarschijnlijk een medeoorzaak voor het zoeken van de zoon naar erkenning. Michel van der Plas, die in 1982 'Het leven van de jonge Bomans 1913-1945' publiceerde, vermeldt dat de kleine Godfried in de kinderwagen reeds constant vroeg: ,,Ben ik toet (zoet)? O'. Later probeerde hij tevergeefs waardering van zijn vader te krijgen en het motto dat hij aan zijn eersteling 'Pieter Bas' (1937) meegeeft luidt daarom niet toevallig: ,,Ich bin immers so froh! Weiter bin ich nichts' (cursivering van mij-WSl.).

Ook in latere bundels en 'losse stukken' is er sprake van de vraag naar erkenning. In 'De avonturen van Pa Pinkelman', die vanaf 1945 jarenlang als dagelijkse strip in de Volkskrant verschenen, besluit het echtpaar Pinkelman-Pollewop bij de schrijver van hun belevenissen op bezoek te gaan en reist dus naar Haarlem. ,,Zeg', zei Pa Pinkelman tegen een der voorbijgangers, ,,er moet hier in de buurt een gek wonen. Waar kan dat ergens zijn? 'Dan moet u in de Zonnelaan wezen', zei de man, 'daar woont, op nummer 17, iemand die stellig aan uw verwachtingen beantwoordt'.' Het verhaal wil dat nog dagen later stapels fanmail bij Bomans werden bezorgd - op Zonnelaan 17 in Haarlem, inderdaad.

Een stuk ter gelegenheid van de 50ste verjaardag van Carmiggelt (1963) laat weer iets van ontbrekende waardering zien, maar is tevens illustratief voor de stilist Bomans die hij vóór alles was. Na een paar inleidende woorden over hun beider schrijverschap vervolgt Bomans: ,,Nu is het ook weer niet zo, dat ik héél veel beter ben dan Simon Carmiggelt. Ik ben dat wel, maar dat laat ik niet merken. Je moet nooit, zeg ik altijd, een mens ontmoedigen. Ik blijf vlák voor hem uit lopen, zodat hij telkens denkt: nou ben ik er bijna en dát houdt de vaart erin. Trok ik alle registers open, dan was hij natuurlijk nergens (...). Het verschil tussen Carmiggelt en mij is, dat hij niets te zeggen heeft en het heel aardig zegt, terwijl ik eigenlijk nog minder te vertellen heb, maar het zó doe, dat de mensen het wel drie keer moeten overlezen, voor ze merken dat er niets staat.'

Afgezien van het waarheidsgehalte van die allerlaatste toevoeging - want hij had dikwijls héél wat te zeggen - kan met recht zijn unieke schrijfstijl als belangrijkste element in Godfried Bomans' oeuvre worden gezien. Het is waar: delen van zijn werk zijn gedateerd (geraakt); er is een bepaalde gemakzucht in zijn aanpak aan te wijzen - namen als Flopjeshoofd, Kneepkens, Determeyer, Jacobs en Ramakers duiken met de regelmaat van de klok in zijn stukken op - en zijn verdichtsels en mystificaties zijn inmiddels legendarisch (en een ramp voor zijn aanstaande biograaf).

Het is trouwens niet zo moeilijk in het werk van élke willekeurige auteur minder geslaagde of zelfs zwakke passages aan te wijzen. Maar Bomans' mindere momenten worden hem, dikwijls uitvergroot, ook postuum nog steeds nagedragen. Daarnaast is er te weinig oog geweest voor zijn grootste talent: hóe schrijf ik het op. De verzorgde zinsbouw, de trouvailles en ,,het secuur zoeken naar dát woord dat spanning aan de zin geeft' (Jeroen Brouwers) maakten van het onbenulligste onderwerp nog een stilistisch hoogstandje.

En 'gedateerd'? Een opstel als 'Wat is een Nederlander?' uit 1964 had ongewijzigd in het vorig jaar in deze krant verschenen 'Klein woordenboek van de Nederlandse identiteit' kunnen worden opgenomen en de 'Sprookjes' (eerste uitgave: 1946) zijn stuk voor stuk pareltjes die nu, dankzij de bezorgers Feilzer en Van Zonneveld, voor iedereen bereikbaar zijn.

De waardering-in-den-lande kwam in de verslagenheid bij Bomans' onverwachte overlijden in december 1971 tot uiting. Zullen de nu gebundelde duizenden bladzijden uit zijn werk de 'officiële' literatuurcritici alsnog tot een royale erkenning van zijn verdiensten kunnen overhalen?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden