Bollenpellen met een januskop

“Het terrarium van de literaire kritiek is niet alléén maar gevuld met fijne figuurzagers.” De schrijver Joost Zwagerman reageert op de beweringen van Rob Grootendorst, Arjan Peters en Atte Jongstra (respectievelijk 26.9, 10.10 en 17.10 in Letter & Geest) over de 'crisis in de literaire kritiek'. Grootendorst constateerde in zijn oratie: “Als een schrijver in het openbaar reageert, is er meestal iets bijzonders aan de hand.” Zwagerman: “Het is moeilijk om de vinger te leggen op de werkwijze van een recensent die op malafide wijze schrijvers en boeken afbrandt.”

Na Atte Jongstra's reactie op de oratie van Rob Grootendorst over een kennelijke crisis in de literaire kritiek zullen de lezers van Trouw ongetwijfeld het beeld hebben van Amsterdam als een dorpsplein waar schrijvers en critici malkander jolig op de schouders slaan en vrolijk bassend 'beste vent' noemen.

Van een criticus die zijn werk doodzwijgt of afkraakt maar die in zijn vrije tijd blijkt te punniken raakt de hartelijke Jongstra acuut slap in de benen. Hij blijkt continu bevangen door een bedwelmende grootmoedigheid waar hij ons in Trouw luid kond van heeft gedaan, zó luid dat hij de indruk wekt vooral zichzelf te feliciteren. Die Jongstra, dat is me pas een sportieve kerel!

Doorheen Jongstra's hyperbolische warm-menselijkheid schemert natuurlijk het grootste gelijk van de wereld: een criticus is ook maar een mens die verslag doet van zijn individuele leeservaringen en vervolgens tot een afgewogen oordeel komt. Wie zijn wij, schrijvers, om de recensent die leeservaring en dat eindoordeel te ontzeggen? Jongstra noemt T. van Deel, Robert Anker, Jaap Goedegebuure en Carel Peeters voor wie hij, ondanks hun afwijzende reacties op zijn boeken, warme gevoelens koestert. Dat lijkt heel ruimhartig maar is feitelijk doodnormaal. De vier zijn in hun oordelen soms hardvochtig en omstreden maar nooit rancuneus of malafide. Zij werken zich niet op over de ruggen van schrijvers maar bespreken slechts hun boeken. Het is, anders dan Jongstra blijkbaar denkt, geen bijzondere prestatie om deze critici niets te verwijten.

Toch roept Jongstra's jolige portrettering van critici als brave borsten onvermijdelijk de vraag op hoe hij zal reageren als hij in die beregezellige literaire microkosmos van hem eens een type tegenkomt dat bij de bakker geniepig voordringt en thuis zijn kinderen afbekt. Als Jongstra telkens wordt geslagen door de gesel der mildheid bij het bespieden van al die doodgoeie recensenten die zijn werk maar niks vinden, dan zal hem ongetwijfeld een morele schok overvallen als hij eens stuit op een criticus die zijn werk wél waardeert maar die, oei, een louche sujet blijkt te zijn. Critici zijn net mensen, en dus is het terrarium van de literaire kritiek niet alléén maar gevuld met fijne figuurzagers maar ook met types wier kritisch oordeel geregeld wordt vertroebeld door rancune en ressentimenten.

Zo signaleerde Nelleke Noordervliet in de essaybundel 'Het scherm der verbeelding' (1998) dat Michaël Zeeman zijn positie in het tv-programma 'Zeeman met boeken' soms misbruikt om een persoonlijke ven-detta met een schrijver te beslechten. Dat is smullen voor de kijker, concludeerde Noordervliet niet zonder cynisme. Dat is het zeker. Maar intussen knaagt zo'n vendetta als van Zeeman aan de ongeschreven en door Jongstra in zijn artikel terecht hooggehouden wet dat iedereen te allen tijde moeten uitgaan van de integriteit en onafhankelijkheid van de literaire recensent.

In interviews worden schrijvers door journalisten die tuk zijn op een opstootje vaak aangespoord om iets grimmigs te zeggen over recensies op hun werk. Cees Nooteboom, W. F. Hermans, Renate Dorrestein, Harry Mulisch, Geerten Meijsing: ik heb ze allemaal in interviews op radio en tv wel eens iets monkelends horen beweren over hun onwelgevallige recensies. Maar dit soort reacties speelt zich af in de marge van de literatuur.

Van een heel andere orde is het wanneer een schrijver besluit om in geschrifte een criticus van repliek te dienen. Dit is zeldzaam, meent Grootdendorst. Het wordt onder schrijvers over het algemeen niet chic gevonden om te reageren op een recensie. Is dat nou wel zo? Er zijn volgens mij drie legitieme redenen voor een schrijver om, al of niet polemisch, op de kritische praktijk van een recensent te reageren. De belangrijkste is wel als er een literair beginsel, een poëtica, kan worden bediscussieerd die het incidentele belang en bereik van een recensie overstijgt. Frans Kellendonk reageerde in het essay 'Ons wilde westen' (1986) op de beruchte depreciërende recensie die Aad Nuis schreef over zijn roman 'Mystiek lichaam'. A. F. Th. van der Heijden trok in een polemische open brief van leer tegen Wam de Moor nadat deze zich als jurlylid van de AKO-Prijs had verslikt in een al te gemakzuchtige kritiek op Van der Heijdens 'Advocaat van de hanen'.

Een tweede reden tot het geven van weerwoord is literair gezien van minder belang, maar minstens zo legitiem. Als een criticus een feitelijke onjuistheid debiteert, is het niet anders dan redelijk dat de schrijver een corrigerende opmerking kan maken. Dat kan gaan om kleinigheden maar ook om discutabele generalisaties. Een kleinigheid: ik herinner mij een recensie in de provinciale GPD-bladen waarin een criticus een romanpersonage noemde dat met de beste wil van de wereld niet in die roman was terug te vinden. Mal foutje van de recensent, naar aanleiding waarvan een luchthartig polemiekje voorstelbaar is.

Een discutabele generalisatie: T. van Deel beweerde onlangs dat 'de literaire kritiek' van mening is dat het werk van een aantal schrijvers, onder wie Ronald Giphart, min of meer is afgezakt naar het niveau van pulp. Dat is een opmerking die niet strookt met de feiten. Gipharts laatste roman 'Phileine zegt sorry' werd in NRC Handelsblad in een paginagroot stuk zéér lovend ontvangen door Hans Goedkoop. In de Volkskrant prees Aleid Truijens Gipharts taalgebruik, en ook Hans Warren zag niets dan goeds in de roman. In Gipharts geval is 'de literaire kritiek' dus niet unaniem afwijzend, zoals T. van Deel beweert.

De derde legitieme reden om een criticus te antwoorden is de minst prettige. Soms overkomt het een schrijver dat zijn werk in handen valt van een criticus bij wie, zoals gezegd, rancune en eerzucht de toon en het oordeel van zijn recensies bepalen. In die gevallen moet de schrijver toezien hoe zijn werk wordt misbruikt voor paljasserij en populisme. Uit een boek wordt bijvoorbeeld nu net die ene zin gelicht die niet goed loopt en hopla, daar kan de criticus die liever zelf goede sier wil maken dan een boek terzakekundig bespreken op een makkelijke manier een lange neus trekken.

Deze werkwijze trof Rob Grootendorst aan in de kritieken van Arjan Peters. Grootendorst noemde Peters' manier van recenseren 'een beetje goedkoop'. De paljas reageerde vervolgens als gestoken. Peters sloeg aan het schimpen, banaliseren en verdraaien. Schimpen: Grootendorst verdronk in jargon. Banaliseren: Grootendorst slijmde met zijn favoriete leerlingetje Connie Palmen. Verdraaien: Grootendorst jutte schrijvers op om met modder te gooien.

Het is moeilijk om de vinger te leggen op de werkwijze van een recensent die op malafide wijze schrijvers en boeken afbrandt. De recensent kan simpelweg de vermoorde onschuld spelen: ikke, niet eerlijk? Kom nou, die schrijvers motte niet zo zeuren. In het geval van Arjan Peters heeft de schrijver Huub Beurskens adequaat diens trucs en tactieken ontmaskerd. In een essay in De Gids met als titel 'Een valse hofhond' ploos Beurskens uit hoe Peters in de bespreking van een van zijn titels onder het mom van literaire kritiek bezig was met effectbejag, persoonlijke belediging, inlikkerij en zelfpromotie.

Niet lang na publikatie van Beurskens' essay schreef ik in Vrij Nederland dat Peters voor het Literair Produktiefonds allerlei wervende tekstjes schreef over boeken die hij elders, in de Volkskrant, had afgekraakt. Léon de Winter, Jan Wolkers, Maarten 't Hart, Adriaan Morriën, Kristien Hemmerechts, Renate Dorrestein en vele anderen, ook ikzelf: allemaal hebben we ooit wel eens die speciale Janusbehandeling van Peters gekregen: loven op het ene podium, kraken op het andere, en dan bovendien nog vanwege exact dezelfde kenmerken die Peters telkens uit de boeken lichtte.

Bij de Volkskrant was men not amused, en Peters werd een een aantal maanden op non-actief gesteld. Daar begreep hij niets van, getuige zijn commentaar in NRC Handelsblad: “Als ze iedereen een schrijfverbod opleggen die zoiets gedaan heeft, kunnen ze de literaire kritiek wel opdoeken.” Dáár zullen Carel Peeters, Robert Anker, Jaap Goedegebuure, T. van Deel en zelfs de grootmoedige liefhebber Atte Jongstra van hebben opgehoord.

In de raadselachtige beleving van Arjan Peters zijn al zijn collega's dus net als hijzelf niet te beroerd geweest om voor een zak met geld hun oordelen tegen te spreken. De waarheid is natuurlijk dat er niemand in de literaire kritiek is te vinden die bereid is geweest om twee of drie petten op te zetten - niemand, behalve Arjan Peters.

Het is natuurlijk een gotspe dat uitgerekend deze Arjan Peters, die zijn oordelen laat afhangen van het periodiek waarin ze gepubliceerd worden, twee weken geleden een hoge borst opzette tegen Rob Grootendorst en hem doorzaagde over de edele taakstelling van de recensent. In zijn verweer tegen Grootendorst speelt Peters de vermoorde onschuld. Zo gaat hij er prat op dat hij nooit een schrijver op zijn uiterlijk afzeikt. “Het gaat niet om het uiterlijk van de auteur,” bezweert hij ons. De Januskop liegt wederom dat het gedrukt staat. In de Volkskrant noemde hij Jeroen Brouwers een 'pafferige jankebroek' en maakte hij hem zowaar uit voor 'speknek'.

Voorts maakte Peters zich in een corrupte (want elders door hemzelf tegengesproken) recensie vrolijk om Adriaan Morriën die hij in de Volkskrant voor 'likkebaardende loerder' uitschold. Peters weet hoe hij de schrijvers moet aanpakken: je zult moeten boeten voor je leeftijd of lichaamsgewicht.

'Nooit kan men mij erop betrappen dat ik...' 'Nimmer, in welk openbaar optreden ook, ga ik er prat op dat ik...' Ja hoor, jongen. Een echte criticus zou er niet eens aan zijn begonnen, aan zo'n beschamend staaltje zelfrechtvaardiging met al die amechtige 'nooits' en 'nimmers'. Een echte criticus hoeft zijn meningen en werkwijze niet te verdraaien, verhullen en goed te praten. Bij een echte criticus is iedere recensie opnieuw een bevestiging van zijn smaak, werkwijze en integriteit.

Het is voor onze veelkoppige vriend maar goed dat er weinigen zijn die zich herinneren wat hij begin jaren negentig allemaal voor lovends opschreef in het studentenblad SUM. Als journalist voor SUM genoot Peters alle journalistieke vrijheid, dus het argument als zou hij 'verplicht' deze wervende stukjes hebben moeten schrijven kan hij deze keer achterwege laten. Schrijvend voor SUM prees Peters een aantal jonge schrijvers, onder wie Ronald Giphart en Jack Nouws, de hemel in. Goeie boeken, van die jongens. Totdat hij het podium van de Volkskrant betrad. Toen pakte hij diezelfde jongens meteen maar stevig aan. Want in SUM maak je natuurlijk wél goede sier en in de Volkskrant juist niét als je dat soort jonge schrijvers gunstig beoordeelt. Het is de valse hofhond Arjan Peters ten voeten uit: blaffen zoals de baas het wil.

En uitgerekend dit keffertje zet zich nu vast in het been van Grootendorst, die op zijn beurt mijn verontwaardiging over Peters' gelegenheidsoordelen afdoet als een 'persoonlijke wraakactie'. Om met vriend Peters zelf te spreken: wat krijgen we nou weer? Ik kan het Atte Jongstra nazeggen: ook mijn werk is wel eens zuur onthaald door critici, onder wie Van Deel en Goedegebuure. En net als Jongstra peins ik er niet over om Goedegebuure en Van Deel hun zuurheid te ontzeggen. Het is ook lichtelijk pathetisch als Grooten-dorst de in zijn optiek zogenaamde rechteloosheid van de schrijver vergelijkt met het recht van 'de zwaarste crimineel op een adequate verdediging'. Kom kom. Literaire kritiek is iets anders dan een juridische staat van beschuldiging. Wie niet tegen stevige kritiek kan, moet maar gaan bollenpellen in plaats van boeken schrijven.

Maar de strapatsen van Arjan Peters hebben nu juist niets te maken met een literaire discussie, ook al wendt Peters zelf het tegendeel voor door in zijn antwoord op Grootendorst met bespottelijke bluf de literaire purist uit te hangen terwijl hij zichzelf door zijn morele onbetrouwbaarheid al lang buiten het literaire discours heeft geplaatst. Ook al voert hij wederom wekelijks het hoogst mogelijke woord in de Volkskrant, zijn stem als geloofwaardig recensent is hij door eigen schuld voorgoed kwijt. Ik wil graag degene zijn die hem daar telkens weer even op wijst als hij, zoals tegen Grootendorst, aan een van zijn schijnheilige zelfrechtvaardigende riedels begint.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden