Boezewinkel en Scheffer sluiten aan bij de vaderlandse top, maar daaronder gaapt een groot gat

BEEK - Toen Adri van der Poel bij de eerste veldrit na zijn in Montreuil veroverde wereldtitel in regenboogtrui het rugnummer ophaalde, keken de collega's belangstellend naar hem. Dat was een rare gewaarwording na al die jaren dat hij het wegrennen met het crossen combineert en in dat laatste specialisme altijd voorin te vinden is.

JOHAN WOLDENDORP

Van der Poel, financieel rijker dan de zes andere leden van de nationale selectie tezamen, loopt op zijn 37ste nog steeds over van eerzucht en enthousiasme. Nee, het gevoel dat hij zijn titel waar moet maken bekruipt hem niet meer - daarvoor is zijn erelijst indrukwekkend genoeg - maar het moment van afscheidnemen vindt hij nog lang niet aangebroken. In dit prille veldritseizoen heeft hij alweer twee overwinningen en evenzovele tweede plaatsen geboekt en na ampele onderhandelingen verlengde hij ook zijn contract met de wielerploeg van Jan Raas tot eind 1997. De speerpunten zijn onveranderd de grote crosses en de voorjaarsklassiekers.

Van der Poel is er bij in de eerste wereldbekerwedstrijd, zondag in het Zwitserse Eschenbach, en heeft, net als zijn landgenoten Richard Groenendaal en Wim de Vos, een overeenkomst getekend voor de zeven Super Prestige-wedstrijden van dit seizoen. Op 2 februari lijkt het 'technische' WK-parcours in München op zijn maat gesneden.

“Als je ziet hoe hij met zijn sport omgaat”, zegt bondscoach Martin van Dijk vol bewondering, “dan kun je geen andere conclusie trekken dan dat hij nog even ambitieus is als op zijn 23ste. De sport is niet alleen zijn beroep, maar ook zijn hobby. Hij houdt zich 's zomers en 's winters in topconditie. Er is bij hem nauwelijks sprake van terugval. Dat dankt hij aan zijn atletische vermogen, maar ook aan de discipline die hij zichzelf oplegt.”

Passen en meten

Al acht jaar bivakkeert Van Dijk met zijn drie selecties (elite, espoirs en junioren) in het Gelderse Beek, om van daaruit collectieve trainingen te organiseren. Het is passen en meten voor de gemeente-ambtenaar uit Kampen. Het seizoenbudget is de afgelopen jaren wel gestaag gegroeid, maar bedraagt anno 1996 niet meer dan zestig mille. De bondscoach kan er mee leven - hij weet niet beter - en mag in noodgevallen een beroep doen op enkele andere potjes. De materiaalbegroting blijkt nogal ruim opgezet, en verder is er ter leniging van de nood nog een fondsje voor maatschappelijke ondersteuning. Dat heeft hij nodig om de reizen van de mindere goden naar de wereldbekerwedstrijden mede te financieren. De UCI betaalt iedere deelnemer een onkostenvergoeding van 500 Zwitserse francs (een kleine 700 gulden), hetgeen betekent dat de KNWU niet voor de reiskosten op hoeft te draaien. Wanneer het circuit zich naar Italië en Tsjechië verplaatst, is dat voor Van der Poel en Groenendaal geen, maar voor De Vos, Boezewinkel en Scheffer wel een gevoelige aderlating. Dus past de KNWU bij.

Het veldrijden heeft door de jaren heen altijd enkele toppers voortgebracht: Hennie Stamsnijder en Reinier Groenendaal in de jaren tachtig, Adri van der Poel en Groenendaal jr erna. De basis is echter smal, realiseert Van Dijk zich. Boezewinkel en Scheffer zijn bezig de aansluiting met de vaderlandse top tot stand te brengen, maar daaronder gaapt een groot gat.

Het wachten is primair op een wereldtitel voor Richard Groenendaal. In 1995 was hij er in Zwitserland dicht bij, begin dit jaar moest de nationale kampioen zich morrend schikken in het lot dat een landgenoot op de cruciale dag in de vorm van zijn leven verkeerde. De Brabander heeft de 'pech' dat hij op elke ondergrond goed uit de voeten kan en zich niet een 'heel' seizoen op één specialisme richt. De Belgen Herijgers en Vervecken zijn typische zandrijders, de Zwitsers meer klimmers. Van Dijk denkt dat Groenendaal zichzelf in München in een gunstige uitgangsstelling kan manoeuvreren. “Het is een technisch parcours, waar je met een korte versnelling snel een hoog tempo moet halen.”

De kleine crossfamilie is gebaat bij een continue stroom successen. Verzwelgen in de anonimiteit kan betekenen dat het veldrijden ten onder gaat in het mountainbike-geweld dat sinds Atlanta is ontketend. Die vorm van doemdenken gaat Van Dijk te ver. Enig oorzakelijk verband is ook niet aanwezig, zo betoogt hij, omdat de ATB'ers typische duursporters zijn en crossers meer explosieve types. Beide disciplines kunnen onafhankelijk van elkaar worden beoefend, al zijn ze voor de toppers nauwelijks te combineren. Voor de jeugd ligt dat anders. Junioren mogen op een terreinfiets deelnemen aan veldritten en omgekeerd. “Voor de nationale selectie ligt de combinatie met de weg meer voor de hand, omdat onze parcoursen steeds sneller en schoner worden”, legt Van Dijk uit. Zoals Van der Poel de voorbije maanden amper op de mountainbike stapte - vorig jaar nam hij nog deel aan de Tour de France en viel daarin zo ongelukkig dat hij met een achterstand aan het veldritseizoen begon - zo heeft Bart Brentjens het oorspronkelijke plan laten varen de komende winter mee te draaien in het crosscircuit. De wereld- en olympisch kampioen zal er een handjevol rijden, puur als training.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden