Boevink / Huismus

Dinsdag werd, laat in de middag, de Grote Huismus Tentoonstelling geopend in het Natuurhistorisch Museum in Rotterdam. En ondanks de gestaag neervallende regen was de belangstelling zo overstelpend, dat het museum voor het officiële gedeelte van de opening moest uitwijken naar de buren, naar de grote zaal van de Kunsthal. En zelfs die bleek te klein.

Onder de genodigden was een eregast, de inmiddels 86-jarige mussenspecialist par excellence Denis Summers-Smith, die in 1947 als eenvoudig vogelaar in zijn achtertuin begon aan een studie die nooit meer op zou houden. Hij voerde even het woord en vertelde dat zelfs de BBC al uitvoerig aandacht gewijd had aan de tentoonstelling in Rotterdam. De mus is hot.

Dat was al zo toen, deze week precies een jaar geleden, een musje werd neergeschoten dat in Leeuwarden een hal vol dominostenen was binnengevlogen. Ook toen internationale ophef – BBC, CNN – en hier te lande de massaal bezochte condoleance-site: dodemus.nl.

Wat maakt de mus zo heet? Ik zou zeggen: hij is een van ons. Hij is graag om ons heen. Hij is zo vanzelfsprekend in onze nabijheid, dat we hem nauwelijks aandacht schonken, zoals we doorgaans nauwelijks aandacht schenken aan het gewone, het alledaagse. Een mus heeft ook alles in zich om onopvallend te zijn. Hij kleedt zich onopvallend, een beetje groezelig grijsbruin met een vuile zweem en het vergt een bijzonder kunstenaarschap om zijn schoonheid te bezingen. Die bijzondere werken zijn te zien op de Grote Huismus Tentoonstelling, zoals bovenstaand detail uit een tekening van Peter Vos, de Rembrandt onder de mussentekenaars.

De mus, medebewoner van tuin en terras, is hot, omdat we ontdekt hebben dat het niet goed met hem gaat. Hij is opeens weg. Dat komt, zei de museumdirecteur, door purschuim, gamma-schuttingen en de kruimeldief. We stoppen onze dakranden en kieren dicht, vervangen heggen en bosschages door hekwerken en kloppen onze tafelkleden niet meer uit. Maar mooier is de verklaring van verpleeghuisarts en Trouw-columnist Bert Keizer, neergeschreven in het boek bij de tentoonstelling. De mus verdwijnt omdat onze eigen oudjes uit het straatbeeld zijn verdwenen en opgeborgen in ’vreemdsoortige terraria aan de rand van de samenleving vanwaar ze achter glas nog naar de wereld mogen tikken.’

Twee van hen wonen nog gewoon naast ons. Het zijn geduchte vogelvoederaars. Maar wat ze aantrekken zijn vooral duiven, roeken en eksters, die, in afwachting van hun voer, onze gammaschutting onderschijten. Ja, je mist ze ineens heel erg, de mussen, ’de cyperse dames en heren maat jutteperen’ (Judith Herzberg), het ’onkruid onder de vogels’ (J. Bernlef), die vogels ’zonder accessoires’ (Paul van Cappelleveen). Zo erg, dat ze al museaal geworden zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden