Boerenzoon met driekamerwoning

Nikita Chroesjtsjov werd in 1994 geboren in een straatarm gezin op het Oekraïense platteland. Op zijn veertiende trok hij naar de stad Joezovka, zijn vader achterna die werk had gevonden in een kolenmijn.

Hella Rottenberg

De kolenmijnen en het metaalbedrijf van Joezovka waren gesticht door de Britse investeerder John Hughes (Joezovka, Russisch voor 'stadje van Hughes' werd later omgedoopt in Donetsk). In Joezovka kon de jonge

Nikita zien hoe het moderne kapitalisme zich in het Rusland van na 1900 aan het ontplooien was. Arbeiders werkten er veertien uur achtereen en woonden in haastig neergezette barakken. Maar de industrialisatie bood ook ongekende kansen. Aan een energieke en leergierige jongeman als Chroesjtsjov, bijvoorbeeld.

In 1914, twintig jaar oud, had Chroesjtsjov al een goed betaalde baan als metaalarbeider. Taubman portretteert de jongeman als een ambitieus en op materiële welstand gerichte vent, die best zelf als fabrikant had kunnen eindigen als de Oktober-revolutie er niet tussen was gekomen. Toen hij in datzelfde jaar 1914 trouwde, kon hij meteen een ruime driekamerwoning betrekken. Een driekamerwoning! Daar kon de gemiddelde Rus in 1930, 1960 of 1980 alleen maar van dromen.

Zelf zou Chroesjtsjov daarover later zeggen: ,,Na de Revolutie was het pijnlijk me te herinneren dat ik als arbeider onder het kapitalisme in veel betere omstandigheden verkeerde dan mijn collega-arbeiders van nu, onder de Sovjet-macht.'' Hij zei dit toen hij niets meer te verliezen had, hij was al afgezet als partijleider en met pensioen. Maar het blijft verbazingwekkend, die erkentenis dat arbeiders onder het uitbottende kapitalisme in Rusland vóór 1917 beter af waren dan onder het door hemzelf opgebouwde communisme.

De persoonlijkheid van Chroesjtsjov heeft, zo blijkt ook hier, twee kanten, die door zijn biograaf telkens weer worden belicht: die van de carrièrist, die - naarmate hij meer macht vergaart - nietsontziender wordt, en die van de man van het sympathieke en menselijke gebaar, ondogmatisch, spontaan gebleven.

Taubman vertoont veel gevoel voor de complexe eigenschappen van de Sovjet-partijleider. Zijn oordeel over de politicus Chroesjtsjov is grotendeels negatief, maar voor de mens achter de functionaris houdt hij een zwak.

De historische betekenis van

Chroesjtsjov ligt ongetwijfeld in zijn breuk met het stalinisme. Toen hij eenmaal de hoogste machtspositie had bereikt, bevrijdde hij miljoenen politieke gevangenen en gaf de bevolking van de Sovjet-Unie weer lucht na de verstikkende jaren van angst en terreur. Maar het sleutelmoment in het politieke leven van Chroesjtsjov, de rede van 1956 waarin hij Stalin tot massamoordenaar bestempelt, komt pas halverwege het boek. Tegen die tijd heeft Taubman zoveel vreselijke dingen over Chroesjtsjov verteld, dat je als lezer nauwelijks meer kunt begrijpen dat diezelfde man zich later ontpopte als de vader van de dooi.

In de jaren dertig legde Chroesjtsjov een ontembare ijver aan de dag om de baas, Stalin, te behagen. Hij deed er graag nog een schepje bovenop. Toen hij in 1937 partijchef van de stad Moskou was, moedigde hij partijleden aan elkaar te verraden en hielp mee aan de arrestatie en liquidatie van zijn eigen collega's en vrienden. Van de 38 topfiguren in de Moskouse partijorganisatie overleefden er 3 de terreur van '37-'38.

Chroesjtsjov sprak in die tijd zinnen uit zoals: ,,Deze schoften moeten worden vernietigd. Onze hand mag niet trillen, we moeten over de lijken van de vijand marcheren naar het welzijn van het volk.''

Later hield hij verschrikkelijk huis in de Oekraïne, in Wit-Rusland en de Baltische landen. Tussen 1939 en 1941 werd tien procent van de bevolking in de pas geannexeerde delen van Wit-Rusland en de Oekraine naar het Sovjet-achterland gedeporteerd. Driehonderdduizend van hen kwamen daarbij om. Een half miljoen mensen werd ter plekke gevangen gezet, vijftigduizend van hen werden geëxecuteerd. Chroesjtsjov speelde bij dit alles een rol.

Taubman interpreteert Chroesjtsjovs besluit om zich na diens dood van

Stalin af te wenden niet als een moment van inkeer, maar als een nieuwe strategie om te overleven in de hoogste regionen van de macht. Taubman vindt bevestiging voor deze uitleg in de pas in 1999 gepubliceerde herinneringen van Chroesjtsjovs kompaan Anastas Mikojan. Mikojan beweert degene te zijn die Chroesjtsjov ertoe aanzette om op het eerste partijcongres na Stalins dood de massaterreur aan de kaak te stellen en hij zegt dit als volgt beargumenteerd te hebben: ,,Als wij het niet op dit congres doen, en iemand anders doet het voordat het volgende congres wordt gehouden, dan heeft iedereen het wettige recht om ons volledig verantwoordelijk te houden voor de misdaden die zijn begaan.''

Aan zulke getuigenissen is af te lezen hoezeer het de moeite waard is geweest dat Taubman, die zijn oorspronkelijke manuscript in 1989 klaar had, nog tien jaar gegraven heeft in archieven, en met familieleden en bekenden van Chroesjtsjov heeft gesproken. Weliswaar was er veel over Chroesjtsjov bekend en kon men naar zijn motieven wel raden. Maar de geschiedschrijving baseerde zich voornamelijk op de ongecensureerde en in het buitenland uitgegeven herinneringen van de man zelf. Allicht dat die zijn eigen daden in een gunstig daglicht stelden. Na de ineenstorting van het regime in 1991 kon Taubman de biografie van de Sovjet-leider completeren en uitdiepen.

Het resultaat is een heel levendige schildering van een boerenzoon die zich van de domme hield, daarmee iedereen te slim af was en zich zo naar de top wist te manoeuvreren. Een man die, toen hij eenmaal de plek van partijleider had veroverd, impulsief en krankzinnig riskant handelde, zwalkend van het ene avontuur naar het andere.

Want Chroesjtsjov mag dan slim zijn geweest, een verstandig, laat staan wijs, staatsman school er niet in hem. Als het internationaal spannend werd, kon hij 's ochtends het bevel geven de troepen halt te laten houden, 's avonds het besluit nemen ze toch te laten optrekken, en de volgende morgen, in een behoedzamere bui, kiezen voor het heropenen van de onderhandelingen. Zo ging het tijdens de bijna-opstand in Polen, in 1956. Tijdens de opstand in Hongarije, later in dat jaar, deed hij het tegenovergestelde.

Slecht op de hoogte, primitief reagerend, weifelend op zoek naar uitwegen, omringd door bangelijke ja-knikkers regeerde Chroesjtsjov op goed geluk een supermacht. Dat de Cuba-crisis niet op een atoomoorlog met de VS is uitgelopen heeft altijd al een wonder mogen heten, maar wie het verslag van Taubman leest, grijpt verbijsterd naar zijn hoofd. De vergelijking tussen het gevaar dat nu uitgaat van ongeregelde terroristen en het risico dat een Chroesjtsjov aan het hoofd van een kernmacht opleverde, dringt zich onontkoombaar op.

Taubman heeft een schat aan feiten en anekdotes opgediept en hij maakt van Chroesjtsjov een mens van vlees en bloed. Je hoort de man spreken met zijn beeldende en vaak bijzonder grove taalgebruik. Er is wat mij betreft één bezwaar tegen het boek: het is te dik. Taubman kan niet kiezen en dient daarom alles op, tot en met de gerechten die Chroesjtsjovs at voordat hij op het vliegtuig naar Moskou stapte om onttroond te worden. Maar dat is misschien een kwestie van smaak.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden