Boeren zonder subsidie

Met nieuwe lidstaten in aantocht, worstelt de Europese Unie met het debat over zijn landbouwsubsidies. Het advies van de andere kant van de aardbol: schaf die subsidies af! Nieuw-Zeeland kent sinds 1985 geen enkele landbouwsubsidie meer. En hoewel de overgang voor de boeren niet eenvoudig was, verlangen zij er niet meer naar terug.

Mike steekt twee vingers de lucht in, het teken om terug te schakelen naar de tweede versnelling, want we moeten een steile helling af met onze quads.

Quads, vierwielige motorfietsen, zijn hét vervoermiddel voor boeren in Nieuw-Zeeland op hun vaak heuvelachtige landerijen. Mike's vader, Keith Anderson zag er, bij het wegvallen van de landbouwsubsidies, een extra bron van inkomsten in. Zijn tot Happy Valley omgedoopte boerderij in de buurt van het stadje Nelson trekt nu jaarlijks honderden toeristen, die veel meer geld opleveren dan zijn schapen.

We farm tourists, zegt hij. Binnenkort hoopt hij nog meer toeristen te trekken met de aanleg van een flying fox, een katrolbaan met een lengte van anderhalve kilometer, waarmee je laag over de bomen scheert met snelheden tot meer dan honderd kilometer per uur. In een aan adrenalinesporten verslaafde samenleving als Nieuw-Zeeland lijkt succes verzekerd.

Op de boerderij van Keith Anderson hebben de schapen nog louter een functie als stoffering van zijn attractiepark. Andere boeren gaan minder ver, maar ook zij zijn, na het afschaffen van de landbouwsubsidies halverwege de jaren tachtig, naarstig op zoek gegaan naar andere bronnen van inkomsten. Michael en Janette Adams bijvoorbeeld hebben in het seizoen een paar keer per week logés op hun ruim zeshonderd hectare tellende gemengde bedrijf. Voor vijftig euro per persoon krijg je een warme maaltijd, een bed en een ontbijt alsmede een excursie over het bedrijf. Een andere belangrijke inkomstenbron voor hen is de handel. Michael koopt schapen en koeien op van andere boeren, mest ze af en verkoopt ze aan de slachterij.

Andere boeren zoeken het vooral in nieuwe producten. Zo is het areaal wijngaarden de laatste vijftien jaar meer dan verdubbeld en geldt Nieuw-Zeeland inmiddels als een van de meer succesvolle nieuwe wijnlanden. De arealen groenten en fruit zijn gegroeid, waarbij niet alleen de kiwi een succesvol exportproduct is, maar ook appels, peren, wortels en asperges.

Ook de veehouders hebben gediversifieerd. Naast schapen en koeien zie je steeds vaker lama's en alpaca's in de wei. Wol van die dieren is zeer gewild in Zuid-Amerika. Herten zijn eveneens een interessante neventak. Het vlees wordt tot ver buiten Nieuw-Zeeland geconsumeerd. De helft van het hertenvlees dat bij onze oosterburen op tafel komt is afkomstig van de andere kant van de aardbol. ,,Tja', zegt Ronny Horesh, ,,als jullie die markt laten liggen, moet je niet verbaasd zijn dat wij er in springen'.

Horesh is agrarisch econoom en bezig aan zijn laatste dagen bij het ministerie van land- en bosbouw. Na zeventien jaar ministerie maakt hij de overstap naar Federated Farmers, de grootste boerenorganisatie van Nieuw-Zeeland. Hij is degene die ooit heeft uitgerekend dat het bedrag dat de industrielanden besteden aan landbouwsubsidies voldoende is om alle koeien in die landen, zo'n vijftig miljoen, anderhalf keer de wereld rond te laten vliegen. ,,En dan is er nog genoeg over om ze allemaal 700 euro drinkgeld te geven', zegt hij. Inmiddels is ook die vergelijking een aantal keer de wereld rond geweest.

Een belangrijk effect van het afschaffen van de subsidies is volgens Horesh, dat de boeren in Nieuw-Zeeland ondernemers zijn geworden. ,,Vroeger was boeren een manier van leven. Nu is het een bedrijfsmatige activiteit. De boeren zitten daardoor veel dichter op de markt. Niet alleen de thuismarkt maar ook nieuwe markten overzee, zoals Azië en Noord- en Zuid-Amerika. En ze hebben geleerd om in te spelen op veranderingen in die markt.'

Dat is niet altijd zo geweest. Evenals hun collega's in West-Europa, de Verenigde Staten en Japan waren de Nieuw-Zeelandse boeren tot 1985 voor 30 procent van hun inkomen afhankleijk van subsidies. Omdat veel van die subsidies productgericht waren, voerden de boeren de productie zo hoog mogelijk op. Of er vraag was in de markt was niet van belang; de overheid betaalde toch wel de minimumprijs.

Begin jaren tachtig echter stond de economie van Nieuw-Zeeland onder zware druk als gevolg van de tweede oliecrisis en de kunstmatig hoog gehouden munt. In die crisissfeer werd in het najaar van 1984 het besluit genomen om de overheidsinvloed op de economie drastisch terug te dringen. Het scala aan landbouwsubsidies verdween bijna van de ene op de andere dag.

,,De directe gevolgen waren niet mis', vertelt Tony St. Clair, directeur van de boerenorganisatie Federated Farmers. De meeste boeren konden de eerste paar jaar alleen overleven door er een baantje bij te nemen in de bouw of als postbode. Daar waren ze niet blij mee. Onze toenmalige voorzitter, die zich realiseerde dat de afhankelijkheid van subsidies niet eeuwig kon blijven bestaan, heeft spitsroeden moeten lopen op bijeenkomsten van boeren. Nu zouden ze niet anders meer willen. Sterker nog, enkele jaren geleden bood de regering ons compensatie aan voor de dure Nieuw-Zeelandse dollar. De algemene reactie was; Nee, bedankt. Boeren hebben liever te maken met de onzekerheden van de markt dan met een grillige en bemoeizuchtige overheid.'

Naast gevolgen in de privé-sfeer had het afschaffen van subsidies ook economische gevolgen. Zo halveerde de grondprijs van de ene dag op de andere. Om te voorkomen dat een groot aantal boeren over de kop zou gaan, werd samen met de banken een schuldsaneringsregeling opgezet, waardoor het aantal faillissementen beperkt bleef. De verwachting was dat 10 procent van de boeren, zo'n 8000 bedrijven, het loodje zou leggen, maar uiteindelijk waren het er niet meer dan 800.

De blijvers, de overgrote meerderheid dus, zochten naar wegen om de kosten zoveel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door minder kunstmest en bestrijdingsmiddelen te gebruiken. Niet alleen goed voor de portemonnee van de boer, maar ook voor het milieu. Ook anderszins hebben natuur en milieu baat gehad bij het afschaffen van de landbouwsubsidies, vertelt Ronny Horesh van het ministerie. Vroeger werden, dankzij de subsidies, ook marginale gronden zoals berghellingen, vol gezet met schapen. Tegenwoordig kan dat niet meer uit, met als gevolg dat veel grond wordt teruggegeven aan de natuur.

Naast kostenverlaging zijn de boeren erin geslaagd door technische maatregelen de productiviteit te verhogen met gemiddeld zo'n 4,5 procent per jaar. Een voorbeeld is de productie van lamsvlees. Vergeleken met begin jaren tachtig is het aantal schapen met ruim eenderde verminderd, van 70 miljoen tot 45 miljoen. De productie van lamsvlees ligt echter op vrijwel hetzelfde niveau als in 1983. Door gerichte veredeling worden meer lammeren per ooi geboren. In 1985 was dat nog 0,8 lam per ooi, nu is dat 1,3 en stijgend. Die verhoogde vruchtbaarheid is overigens mede te danken aan de genetische inbreng van de Nederlandse Texelaar. Bovendien groeien de lammeren harder dankzij betere voermethoden.

De efficiëntie is verder verhoogd door schaalvergroting, met name in de melkveehouderij. Het gemiddeld aantal koeien per bedrijf is toegenomen van minder dan 100 begin jaren tachtig tot een kleine 250 nu. Veel groter moet je kudde ook niet worden, zegt Dan Vollebregt, een Nieuw-Zeelandse melkveehouder van Nederlandse origine, want dan krijg je problemen. Zelf heeft hij twee kuddes van elk 300 dieren. Ze worden gemolken door mensen uit de buurt, waaronder een beginnend kunstenares. Ze is niet de enige. Bij navraag blijkt dat er meer muzikanten en kunstenaars zijn die met een paar uur melken per dag in hun levensonderhoud voorzien.

Door het afschaffen van de subsidies zijn ook de toeleveranciers, de handel en de verwerkende industrie onder druk komen te staan. Veel boeren zijn zelf de handel in gegaan. Ook vindt een deel van de verwerking tegenwoordig op de boerderij plaats. Daarnaast worden toeleveranciers gedwongen tot prijsverlagingen. Uit een enkele jaren geleden uitgevoerde studie van de Nederlandse econome Linda Meijer blijkt onder meer dat de kosten voor de veterinaire zorg in Nieuw-Zeeland een stuk lager liggen dan in Nederland. Zo betaalt de Nieuw-Zeelandse boer voor een middel tegen parasieten slechts eenderde van wat de Nederlandse boer moet betalen. Het gaat om precies hetzelfde middel van dezelfde leverancier. Ook een zwangerschapstest kost in Nieuw-Zeeland slechts eenderde van de prijs in Nederland.

De prijsverschillen blijven niet beperkt tot medicijnen en veearts. Onderzoek van een grondmonster is in Nieuw-Zeeland ook de helft goedkoper. Het onderzoek van Meijer bevestigt het vermoeden dat een groot deel van de landbouwsubsidies weglekt naar toeleveranciers en verwerkende industrie. Volgens een onderzoek van de OESO is dat zelfs 75 procent.

Voor Tony St. Clair van Federated Farmers zijn zulke gegevens aanleiding voor de retorische vraag waarom consumenten in West-Europa het nog altijd pikken dat ze twee keer moeten betalen voor hun voedsel; een keer via de belastingen die in de vorm van subsidie naar de landbouw gaan en een keer in de vorm van te hoge prijzen in de winkel. Te hoog, omdat de import van goedkopere voedingsmiddelen wordt voorkomen door hoge tariefmuren.

Ook voor de Europese boeren heeft hij een boodschap. Die luidt dat subsidies je afhankelijk maken van een wispelturige overheid en op den duur leiden tot verlies van zelfrespect.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden