Boeren tegen de klippen op

Siem van der Kooij 1926-2014

Hij was een boer in hart en nieren. Maar het zat hem niet mee. Ook toen er gif op zijn land viel, ging hij door.

Het boerenleven kan riskant zijn. Dat wist Siem al uit zijn kinderjaren op het veebedrijf van zijn vader. De knecht had tuberculose opgelopen van de koeien en had op zijn beurt vijf van de dertien kinderen in huis besmet. Ook de vierjarige Siem werd ziek. Hij moest maandenlang kuren op het erf in een draaibaar tentje, want frisse lucht en zon zouden genezing bevorderen. Hij kwam er overheen, maar twee baby's stierven. Hun dood zou altijd een pijnlijke herinnering voor zijn ouders blijven.

Siem was de oudste jongen van het elftal dat resteerde in de ouderlijke boerderij 'Duivenvlugt' bij het Zuid-Hollandse dorp Maasland. De vijf jongens sliepen op de grote hooizolder en tijdens de Duitse bezetting kwamen daar nog onderduikers bij. In de verte hadden ze Rotterdam zien branden, maar zelf kwamen ze de oorlogstijd goed door. Alleen verdween een van de veertig melkkoeien, Jorna. Ze werd geslacht door het ondergrondse verzet, maar daar zweeg iedereen over.

Siem had na de lagere school alleen maar enkele maanden mulo gedaan. Daarna werkte hij net als de andere jongens op de boerderij. "Je kunt het vak nergens beter leren dan bij mij", zei zijn vader. Hij had enig recht van spreken, want hij was een moderne boer. Als eerste in de omgeving strooide hij kalk om de grond te verbeteren, en werd er om uitgelachen. Hij kocht geen vee van de markt vanwege het tbc-risico, maar ging naar Friesland om stamboekstieren uit te kiezen (en om gereformeerde dominees te horen).

Jarenlang werkte Siem bij zijn vader. Maar hij wilde meer. Het verhaal gaat dat hij zich gemeld heeft als vrijwilliger voor de strijd tegen Indonesië, maar het kan ook zijn dat hij als dienstplichtige werd uitgezonden. Hoe dan ook, hij had er de tijd van zijn leven. Bij de luchtmacht had hij de zorg over reservedelen en hij bleef buiten schot. Later had hij alleen maar mooie herinneringen aan zijn drie jaren op die tropische eilanden. Toen hij in 1951 afzwaaide als sergeant en hij weer bij zijn vader kwam te werken, viel dat zwaar tegen. Hij wilde zijn eigen bedrijf. Die kans kreeg hij pas jaren later toen een oom die in de buurt een veehouderij had, problemen met zijn hart kreeg. Diens vrouw was uit de perenboom gevallen en kon ook moeilijk meer werken. Kinderen hadden ze niet.

Siem nam het gepachte bedrijf aan Zuidbuurt 29 in Maasland over in 1959, al zag dat er niet best uit. Hij kon nu ook trouwen met zijn verloofde Riet, een onderwijzeres uit Vlaardingen. Ze zouden vijf kinderen krijgen.

Met de boerderij ging het minder voorspoedig. De meeste gebouwen waren ruim driehonderd jaar oud en hier en daar ernstig verzakt. Het land van veertien hectare werd doorsneden door rijksweg A20, toen nog tweebaans. Als Siem zijn koeien wilde verplaatsen dan moest hij dat voor en dag en dauw doen, als het op de autoweg nog stil was. Maar het ergste was dat de ondergrond uit een dikke laag veen bestond. Goed gras groeide daar niet en de koeien gaven minder melk dan hij had verwacht. Maar er was woningbouw gepland en Siem hoopte dat hij een vergoeding zou krijgen om elders opnieuw te beginnen. Maar de plannen veranderden en Siem zat vast. Hij maakte er het beste van. Hij plaatste een windmolentje voor de afwatering en hij verbreedde de sloten. Daarbij stuitte hij op potscherven die uit de IJzertijd bleken te stammen. Archeologen gingen er mee aan de slag en nu staan Siems potten onder andere in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.

Siems antieke stal was gebouwd voor de kleinere koeien van vroeger, dus dat was te krap. Hij meldde zich aan voor een experiment van Wageningse ingenieurs die een zogeheten ligboxenstal hadden uitgedacht. Siem was de eerste die het idee in de praktijk bracht met steun van de overheid. En het was een succes. Zijn bedrijf groeide van achttien melkkoeien naar 62.

In 1970 kon hij het erf en de gebouwen kopen, maar het land bleef gepacht. Ondanks zijn harde werk bleven de inkomsten tegenvallen. Siem dacht aan zijn moeder die in de crisistijd van de jaren dertig kaas had gemaakt om bij te verdienen, en zelfs jodenkaas met goedkeuring van een rabbijn. Dat was misschien opnieuw een oplossing.

Siem volgde een cursus en kocht tweedehands apparatuur. In mei 1973 kwam de burgemeester zijn kaasmakerij openen. Er was ook een toonbank voor de verkoop aan huis, dat leverde het meeste op. De helft van hun jaarproductie van 14.000 kilo kaas, verkochten ze rechtstreeks. De rest ging naar speciaalzaken. Het was een gouden idee. In de zomer leidden Siem en Riet voor een kleine vergoeding bezoekers rond, veel schoolklassen en toeristen, soms wel tweeduizend mensen per jaar.

Maar er dienden zich nieuwe problemen aan. De koeien waren veel te vlug versleten. In 1980 zei de dierenarts: "Misschien is er wel fluor in het spel."

Dat bleek te kloppen. Maar liefst vijf fabrieken in de omgeving stootten fluor uit, waarvan de Afval Verwerking Rijnmond de grootste vervuiler was.

Eind jaren tachtig berichtten de kranten dat de vuilverbrander ook kankerverwekkende dioxine uitstootte. Dat was bij de overheid wel bekend, maar het werd stilgehouden om geen paniek te zaaien. Siem liet op eigen kosten zijn melk onderzoeken en die bleek inderdaad dioxine te bevatten. Toen hij dat bekendmaakte, werd hem dat kwalijk genomen door andere veehouders.

Dat was het einde van zijn kaasmakerij. Er werd nog wel gemolken, maar het vet waarin de dioxine schuilt, werd vernietigd. De rest werd verwerkt tot melkpoeder.

Hun enige zoon, Johan, die al tien jaar had meegewerkt, nam het bedrijf over in 1991, toen Siem AOW kreeg. Maar de problemen waren zo groot dat hij al gauw vertrok naar de Wieringermeer. Siem en Riet, die eerst in een burgerwoning in Maasland hadden gewoond, verhuisden ook naar Noord-Holland om te kunnen helpen in de boerderij van Johan. Maar na anderhalf jaar verhuisden ze weer, naar Ede waar de longproblemen van Riet minder erg werden.

Siem bleef boer. Na de val van het communisme in Oost-Europa ging hij daar voorlichting geven over hoe je een moderne veehouderij drijft. De ideële uitzendorganisatie PUM stuurde hem naar landen in Afrika en zijn geliefde Indonesië om te helpen bij het opzetten van kleinschalige kaasmakerijen. Dat bleef hij tot zijn 70ste doen.

In Nederland bezocht hij overal boeren om zijn kennis bij te houden. In Wageningse landbouwmuseum hielp hij bij het onderhoud van landbouwwerktuigen.

Siem kreeg diabetes en een lichte vorm van leukemie. Toen Riet overleed aan kanker, vond hij het moeilijk om in z'n eentje verder te leven. Het huishouden was niets voor hem, maar hij moest wel. Toen hij voor een probleem met zijn luchtwegen een paar dagen in het ziekenhuis zou moeten liggen, liet Siem de moed zakken. Een ziekenhuis, dat hoefde van hem niet meer. Daags voor oudjaar hield zijn hart er mee op.

Siem van der Kooij werd geboren op 24 juli 1926 in Maasland, Zuid-Holland. Hij stierf op 30 december 2014 in Ede.

In Indonesië en Afrika hielp hij bij het opzetten van kleinschalige kaasmakerijen. Dat bleef hij tot zijn 70ste doen.

Siem van der Kooij met zijn vrouw Riet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden