'Boeren kunnen niets aan Gatt-akkoord veranderen'/'De landbouw heeft geen poot om op te staan'/'Wij maken het, en de rest maakt het op'

Vooral in Frankrijk was het mis, in Nederland leek het protest ronduit lauw, in Duitsland iets er tussenin. Boeren protesteerden deze maand tegen nieuwe internationale afspraken over de landbouw. Vanwaar die verschillen? Hoe zit het met de mythe rond de boer als bewerker van de grond en producent van ons voedsel? In een serie zoekt Trouw de achtergronden van het boerenverzet in West-Europa. Aan de keukentafel praten (jonge) boeren over hun zorgen en hun plannen. Twee Nederlandse landbouwdeskundigen bijten het spits af.

BARBARA BERGER; KEES DE VRE

Voor de agrarisch socioloog Jaap Frouws zijn de recente boerenacties niet meer dan een achterhoedegevecht. "Het is triest. Ik denk niet dat de boeren nog in staat zijn om een letter aan het akkoord te veranderen. Want de belangen van andere sectoren als de industrie- en dienstensector staan ook op het spel. Als de Gatt door de boeren mislukt, wordt de buitenlandse afzet van andere sectoren beperkt. Dat pikken ze nooit."

Waarschijnlijk zijn de boerenorganisaties niet uit op het tegenhouden van het akkoord, aldus Frouws. "De Gatt is een heel moeilijke en glibberige materie. De ene becijfering volgt de andere op. Bij het verzet spelen de plannen van EG-landbouwcommissaris MacSharry, die bepaalde boeren wel en anderen weer minder of geen inkomenssteun wil geven, een rol. Boeren protesteren nu hard, onder het motto: als we ons maar goed laten horen zijn de nationale regeringen en de EG wel gedwongen ons veel compensatie te geven. Dat is natuurlijk hun recht."

Dat het Europese boerenverzet zulke verschillende vormen aanneemt, heeft volgens Frouws culturele en historische achtergronden. De Franse opstelling springt er het meest uit. Franse burgers - die vaak sterke familiebanden en een 'maison rurale' op het platteland hebben - koesteren nog het romantische beeld van de boer als conservator van de natuur. Het milieuprobleem verandert daar nog niet veel aan, omdat dat op het uitgestrekte Franse platteland maar in een paar regio's speelt.

Daarnaast vinden in Frankrijk met zijn sterk centralistisch staatsapparaat belangenorganisaties alleen ingangen door zich veeleisend op te stellen, de confrontatie aan te gaan. Massale boerenacties horen daar bij het vaste en door allen geaccepteerde stramien van landbouwonderhandelingen. Frouws: "De overheid geeft jaarlijks een dikke extra envelop met meer dan een miljard frank aan de boeren. Kijk naar de invoering van de superheffing op melk: enorme boerenprotesten, en uiteindelijk betaalde de Franse regering zo ongeveer alle superheffingen zelf."

Dit voorbeeld demonstreert volgens Frouws helder de verschillen met de Nederlandse politieke cultuur. "Hier protesteerden boeren ook eventjes tegen de heffing, en toen pakten ze het snel 'technisch' aan door anders te gaan voeren en fokken. Daarnaast probeerde men er zelf goed uit te springen: van de 50 000 melkveehouders vonden 30 000 dat ze recht hadden op een extra quotum. Toen de meesten het niet kregen, begon - heel Nederlands - de commerciele handel in quota. In Frankrijk werd de verdeling strak politiek geregeld, daar kreeg de commercie geen invloed op."

In Nederland heeft de overheidszorg zich in nauwe samenwerking met de verzuilde maatschappelijke organisaties ontwikkeld. Net als in Duitsland delen boerenleiders en politici een christen-democratische achtergrond en een cooperatieve traditie. Toch brokkelt hier het corporatisme, de op consensus gebaseerde samenwerking tussen boerenleiders, ambtenaren en politici, sneller af dan in Duitsland, stelt Frouws. Daar gaan moeilijke ingrepen zoals het milieubeleid nog steeds in 'goed' overleg. Dat komt erop neer dat de Duitse belastingbetaler de milieuheffingen betaalt, boeren krijgen volledige compensatie voor hun 'schade'. In Nederland geldt het principe 'de vervuiler betaalt'.

Frouws schetst dat door 'het milieu' de boeren in Nederland aan maatschappelijke invloed verliezen. "In feite is het groene front door het milieuprobleem opengebroken. Ook de pleitbezorgers van natuur- en milieubelangen hebben nu invloed op landbouwonderwerpen. Het onderonsje van het Landbouwschap en de top van het ministerie, dat dan klakkeloos wordt gelegitimeerd door de vaste commissie van landbouw in de Tweede Kamer gaat niet meer op.

Ook zie je interne problemen in de landbouworganisaties. De voormannen komen met steeds minder leuke dingen uit 'Den Haag' terug bij de achterban: nieuwe regels, nieuwe beperkingen. Jonge boeren eisen een grotere rol op en willen meer invloed van onderaf. Tevens vindt een proces van ontzuiling plaats, dat op langere termijn de positie kan ondergraven van het Landbouwschap. Ten slotte is er nog de neiging tot belangenbehartiging per sector. Akkerbouwers organiseren zich liever onder elkaar dan dat zij met veehouders - die soms tegengestelde belangen hebben - in een organisatie zitten."

Ondanks deze kritische kanttekeningen voelt Frouws zich sterk verbonden met boeren en het platteland en wil hij zeker voorkomen dat de Nederlandse landbouw - misschien op de kassen na - net als eerder de textiel- of de scheepsbouwindustie, verdwijnt. Want als je de vrije markt helemaal op zijn beloop laat, zal waarschijnlijk een verdeling ontstaan waarbij NieuwZeeland de melk, Argentinie het vlees, Oost-Europa de aardappelen produceert en Nederland volgestouwd wordt met kassen.

"Het lijkt me van groot belang dat milieu, natuur en platteland in Nederland in directe samenhang met de landbouw worden gezien. Ik voel niets voor het perspectief van een stel agro-industrieen in versteende landschappen, met daarnaast grootschalige natuurgebieden die ontoegankelijk zijn omdat er zeldzame plantjes en beestjes zijn. Daar heb ik weinig mee op."

Dat de omvang van de verkwistende exportsubsidies moet worden beperkt, betekent volgens Frouws allerminst dat er geen landbouwbeleid nodig is. "Als je ervoor kiest de gezinsbedrijven overeind te houden en tegen de achtergrond van onze verzorgingsstaat sociale ellende wilt voorkomen, ontkom je niet aan een markt- en inkomenspolitiek voor de landbouw. Combinaties van directe inkomenssteun en produktiebeheersing zijn dan te prefereren boven de financiering van overschotproduktie en dumping op de wereldmarkt."

Als je er als samenleving bovendien groot belang aan hecht dat de Nederlandse landbouw snel en op grote schaal omschakelt naar milieuvriendelijker produceren, dan is extra steun aan de boeren in de ogen van de Wageningse landbouwsocioloog zeker gerechtvaardigd.

'Steeds als de boer bezuinigt, wordt hij ingehaald door de technologie'

WAGENINGEN - "Akkerbouwers zijn in de afgelopen vier jaar al twee keer op pad geweest om hun bestaan te redden. Je denkt toch zeker niet dat je die nu nog een keer in Brussel of Den Haag tegenkomt? Ze zijn moedeloos."

De landbouweconoom Niek Koning heeft alle begrip voor de Europese boerenacties en zelfs voor de lauwe (of vermoeide?) reacties in Nederland op het te verwachten Gattakkoord. Koning: "De Gatt-afspraken zullen leiden tot forse prijsdalingen, vooral voor akkerbouwprodukten als graan en suiker. Voor veel bedrijven betekent dat een harde sanering. De achterstand van agrarische inkomens wordt nog groter. De inkomenstoeslagen uit de EG-kas, die hun beloofd zijn in ruil voor lagere prijzen van hun produkten, zullen niet lang overeind blijven. Niemand wil toch de collectieve lasten nog verhogen, en meer belasting betalen ten behoeve van noodlijdende akkerbouwers?"

'Waarom zouden we de landbouw de hand boven het hoofd houden, terwijl er in andere sectoren net zo goed klappen vallen? Denk maar aan Philips', is echter een stelling die Koning pertinent verwerpt. Hij vindt dat het vrije-marktmechanisme niet opgaat voor de landbouw. Hij stelt dat het wegvallen van overheidssteun de nekslag is voor de boeren. "Als het slecht gaat met de industrie, verzamelt ze macht op de markt door fusiegolven, en worden er net zolang mensen ontslagen tot het economisch evenwicht weer hersteld is. De landbouw kan zich door zijn kleinschalige structuur niet verweren tegen prijsverlagingen. Als je met je gezin en hooguit een of twee medewerkers een bedrijf runt, heb je geen ruimte voor ontslagen. Boeren kunnen alleen nog harder werken, de buikriem aanhalen, nog sneller vernieuwingen invoeren. Maar dat zijn allemaal dingen die de kwaal eerder verergeren dan verhelpen. Want de technologische ontwikkelingen gaan zo snel dat er in deze eeuw nog nooit een evenwicht tussen aanbod en vraag van landbouwprodukten heeft bestaan. Met de tweede industriele revolutie verving margarine boter, kunstvezels katoen, kwam kunstmest en meer mechanisering op. En nu de biotechnologie. Elke keer als de boer heeft bezuinigd, is hij allang weer ingehaald door de technologie."

Hereboeren

Dat de gezinsbedrijven op het platteland zijn blijven bestaan, is volgens Koning het gevolg van gerichte overheidssteun. "De aanzetten tot een kapitalistische landbouw, bedrijven met veel arbeiders zoals bijvoorbeeld de Groningse hereboeren, zijn weer verdwenen. De loonkosten waren veel te hoog. Door staatsingrijpen werd vervolgens een 'intensive care'-netwerk van instituties voor onderzoek en voorlichting om het gezinsbedrijf gelegd, waardoor die zich wel konden blijven ontwikkelen. De bedrijven werden op die manier niet echt lonend voor de boer, maar met zuinigheid en vlijt kon hij nog net blijven investeren. Boeren zijn daarbij in het jasje van de kleine zelfstandige gestoken, terwijl ze niet echt zelfstandig zijn. Ze zijn vaak aan alle kanten afhankelijk van de bank of de verwerkende of toeleverende industrie. Voor de rest van de economie is het harde werken van de boer zeer profijtelijk. Wanneer de landbouw zou gebeuren door grote bedrijven met werknemers die gewoon het CAO-loon moeten verdienen, zouden de landbouwprijzen lang niet zo laag zijn."

Het gedachtengoed van 'de landbouw als de kurk waarop de samenleving drijft' zit dan ook goed vast in veel boerenhoofden. Koning: "Veel boeren denken nog 'wij maken het, en de rest maakt het op'. Voor de ouderen speelt daar ook nog de tweede wereldoorlog, 'als de nood echt hoog is, zorgen wij altijd nog voor het eten.' Zij zagen zich in het verleden ook gesteund door bepaalde groepen industrielen, die bang waren geworden voor de invloed van de arbeidersbeweging en zich bovendien zorgen maakten over de binnenlandse afzetmarkten."

"In het buitenland was dat vaak nog veel sterker. Op het platteland werden meer kinderen geboren dan in de stad, (dat betekende ook een reserve aan soldaten) en daarmee was de plattelandsbevolking een belangrijke consument voor de industrie. Ook de voedselveiligheid was van belang. Zo bouwden de Krupps in Duitsland, de Chamberlains in Engeland, Theodore Roosevelt in de Verenigde Staten mee aan de mythe over de 'boer': voor een gezonde ontwikkeling van de natie was het nodig dat de landbouw met behulp van overheidssteun en zonodig marktprotectie verder werd ontwikkeld."

Het streven van de boeren naar bescherming werd gehonoreerd door Franklin Roosevelt in de VS en na de oorlog met de opkomst van de welvaartsstaat ook in Europa. De gedachte van een brede sociale basis van vakbonden, landbouworganisaties en de overheid paste goed in de verzuiling en het ontstaan van het corporatisme in Nederland en Duitsland. Koning: "Afgesproken werd dat sociale doelstellingen ook voor de landbouw moesten gelden, dat boereninkomens verhoudingsgewijs niet achter mochten blijven bij anderen. In Nederland werd dat nog eens vastgelegd in regeringsverklaringen in de jaren veertig. In Duitsland geldt nu nog het 'Landwirtschaftsgesetz', waardoor de regering elk jaar verplicht is om te laten zien wat ze voor de paritaire inkomens van boeren heeft gedaan."

Pariteit

Volgens Koning komt dit idee van de pariteit voor de landbouw tot in de jaren zeventig ook voor in de stukken van de Europese Commissie. Het idee dat de landbouw beschermd moest worden had zelfs ingang gevonden in het oorspronkelijke Gatt-verdrag uit 1947. Beperkte prijssteun en beperkte exportsubsidie voor agrarische produkten bleven mogelijk. Het pariteitsdoel is pas in de jaren tachtig, toen ook de verzorgingsstaat onder vuur kwam te liggen, uit het landbouwbeleid verdwenen.

Koning: "Het probleem met pariteit is wel dat het een 'open einde'-regeling is. Daarbij zag je in de afgelopen 20 jaar een tegenstelling ontstaan tussen boeren en agro-industrie. De boeren wilden in ruil voor de oude belofte van een redelijk inkomen nog wel hun produktie beperken - maar de agribusiness wilde zoveel mogelijk exporteren en had geen enkele boodschap aan beperkingen. Onder hun druk ontdoken landen eerdere afspraken in de Gatt, en droegen zo bij aan de huidige chaos op de wereldmarkt voor landbouwprodukten."

Solidair

Koning hoopt dat boeren en tuinders uiteindelijk toch nog solidair met elkaar zullen zijn. "Tuinbouwers vergeten een ding: boeren die hun prijzen voor melk en graan zien dalen, schakelen over op grove tuinbouw. En dan op kassen. De concurrentie zal fors toenemen."

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden