Boer gebruikt minder, maar giftiger gif

RIJSWIJK - De drinkwaterbedrijven en de waterschappen maken zich in toenemende mate zorgen over het toelatingsbeleid van bestrijdingsmiddelen in Nederland.

HANS SCHMIT

Hun kritiek spitst zich toe op het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (CTB), dat sinds begin 1993 is verzelfstandigd. Dit college beslist of een bestrijdingsmiddel mag worden gebruikt en zo ja, voor welke toepassingen. In de landbouw bijvoorbeeld kan de toepassing worden beperkt tot bepaalde gewassen, grondsoorten, jaargetijden en dergelijke.

“Sinds de verzelfstandiging vaart het college een koers die in toenemende mate haaks staat op de doelstellingen van het rijksbeleid. Het CTB hanteert eigen regels en normen, die niet stroken met het reguliere milieubeleid”, zegt ir. L. Joosten, beleidsmedewerker landbouw van de Vewin, de organisatie van waterleidingbedrijven in Nederland.

Joosten: “Het gevolg van die eigen koers is, dat stoffen die erkend schadelijk zijn, langer worden toegelaten en dus toegepast dan noodzakelijk en wenselijk is. Zowel de drinkwaterbedrijven als de waterschappen zijn daar de dupe van. Steeds meer bestrijdingsmiddelen en afbraakprodukten daarvan worden op steeds grotere diepte in het grondwater aangetroffen - nu al tot meer dan 30 meter.”

“Grondwater is een belangrijke bron voor het drinkwater. Wij zijn verplicht goed drinkwater aan vijftien miljoen Nederlanders te leveren en daarin passen geen bestrijdingsmiddelen. Daarom moeten we hoge kosten maken om die stoffen weer uit het water te zuiveren. We vinden dat dat niet strookt met twee principes uit het milieubeleid: de vervuiler moet betalen en vervuiling moet aan de bron worden aangepakt. Ook de waterschappen worden benadeeld. Deze moeten onder meer zorgen voor schoon oppervlaktewater, maar worden regelmatig geconfronteerd met hoge concentraties bestrijdingsmiddelen in het water die een bedreiging vormen voor het ecosysteem.”

De toelating van bestrijdingsmiddelen is geregeld in de Bestrijdingsmiddelenwet uit 1962. Tot voor kort werd daarbij niet gekeken naar de gevolgen voor het milieu: een stof werd alleen beoordeeld op de werkzaamheid, de acute giftigheid voor de mens en de veiligheid van de mensen die er mee werken. Joosten: “In het Meerjarenplan gewasbescherming (MJP-G) uit 1991 zijn wel milieucriteria opgenomen, zoals de uitspoeling naar het grondwater en de giftigheid voor water- en bodemorganismen, maar die stonden niet in de wet. Het gevolg was dat fabrikanten meermalen het niet toelaten van bepaalde middelen met succes hebben aangevochten. Een voorbeeld daarvan is het onkruidbestrijdingsmiddel dichlobenil, waarvan we afbraakprodukten in grondwater op meer dan tien meter diepte hebben aangetroffen.”

“Op 1 februari echter is het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen van kracht geworden en we dachten: ha, nu komt het! Maar dàt viel tegen. In de eerste plaats bevat het besluit een lijst met 55 middelen waarvoor een uitzondering wordt gemaakt en die aan de hand van soepeler normen mogen worden beoordeeld. En ten tweede heeft het college laten weten de milieucriteria op eigen wijze toe te passen. Wanneer een milieunorm 100 keer wordt overschreden, krijgt de fabrikant vier jaar de tijd nadere gegevens te leveren, dat wil dus zeggen: onderzoek te doen dat in feite al gedaan had moeten worden. We zijn bang dat er in de praktijk weinig van het nieuwe besluit terecht zal komen.”

Het beleid in Nederland, dat is vastgelegd in het MJP-G, stoelt op twee hoofdpijlers: het verminderen van het gebruik met 50 procent aan het eind van de eeuw en het saneren van het aantal middelen en van die toepassingen die een risico voor het milieu vormen. Joosten: “Van de sanering is tot nu toe niets terecht gekomen en we vrezen dat dat niet zal veranderen. De landbouw en de industrie zeggen steeds: om het volume te verminderen, heb je een breed pakket van middelen nodig, dus moet je weinig of niets verbieden. En inderdaad, het volume is in 1994 ten opzichte van het gemiddelde gebruik in de periode 1984-1988 verminderd: de afzet van bestrijdingsmiddelen is met 44 procent afgenomen.”

Ook Joosten vindt dat een mooi resultaat, maar plaatst direct een kanttekening: “Het aantal gebruikte kilogrammen zegt echter niets over de schadelijkheid. Het Centrum voor landbouw en milieu (CLM) heeft een milieumeetlat ontwikkeld, waarbij stoffen milieubelastingspunten krijgen. Hiermee kunnen boeren middelen vergelijken. Het CLM heeft een analyse gemaakt van de verminderde afzet en de milieubelasting. Wat het waterleven betreft, blijken de risico's nauwelijks te zijn afgenomen. Er zijn dus minder middelen gebruikt, maar de ingezette middelen waren wel giftiger. Wat het bodemleven en de uitspoeling naar het grondwater betreft, loopt de milieubelasting ongeveer mee met de volumebeperking. De gemiddelde belasting per hectare bedraagt echter nog altijd 8 000 punten - dat is 80 keer de norm van 100 punten.”

Om hun zorg over het toelatingsbeleid kracht bij te zetten, hebben de waterleidingbedrijven en de waterschappen bij landbouwminister Van Aartsen beroep aangetekend tegen het tot eind 1998 toegelaten nieuwe onkruidbestrijdingsmiddel bentrazin. Dit is een mengsel van de bestaande middelen atrazin en bentazon - het laatste zorgde in 1987 voor beroering toen het bleek voor te komen in het Amsterdamse leidingwater.

In het bezwaarschrift wordt onder meer aangevoerd dat het besluit van het CTB niet is gemotiveerd en dat het college onvoldoende gebruik maakt van actuele kennis, bijvoorbeeld over de uitspoeling naar het diepe grondwater. De Waterleidingmaatschappij Oostelijk Gelderland heeft bentazon op een diepte van 17 tot 32 meter aangetroffen in een concentratie van vier keer de norm voor drinkwater. Ook bentrazin is reeds op een diepte van tien meter gesignaleerd.

In een brief aan de Tweede Kamer heeft minister Van Aartsen deze week laten weten dat de aanvraag voor de toelating van bentrazin voor 1 februari is ingediend en dat het daarom niet aan de milieucriteria hoefde te worden getoetst. Wèl wil hij het college vragen of op basis van nieuwe feiten de toelating eerder dan in 1998 opnieuw moet worden beoordeeld.

Met hun beroep sluiten de waterleidingbedrijven en waterschappen aan bij de Zuidhollandse milieufederatie (ZMF) en de stichting Natuur en Milieu, die sinds 1994 (daarvoor was beroep door derden niet mogelijk) juridische actie voeren tegen de toelating van diverse middelen. De bezwaren zijn doorgaans gelijk: de toelatingsbesluiten zijn niet gemotiveerd, de noodzakelijk gegevens ontbreken, vaak wordt niet gekeken naar omzettingsprodukten en naar effecten op langere termijn, alternatieven blijven buiten beschouwing en de gehanteerde normen zijn willekeurig.

Hans Muilerman van de ZMF: “Op basis van gebrekkige gegevens worden nog steeds ouderwetse en gevaarlijke middelen toegelaten. Veel van de coulantie en van het schipperen met het reguliere beleid komt voort uit de wens om de koppositie van de Nederlandse landbouw niet in gevaar te brengen. Maar de Nederlandse landbouw verkeert al in een crisis. En dit falende bestrijdingsmiddelenbeleid zet de landbouw op een radicale achterstand op de weg naar milieuverantwoord telen, waarop Duitsland, Denemarken en de andere Scandinavische landen al veel verder zijn.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden