Boellaard: Een held van ouderwetse snit

6 mei 1945. Dachau is net bevrijd, Boellaard staat namens de Nederlandse gevangenen, een Amerikaanse journalist te woord. (trouw)

Pim Boellaard was al een verzetsheld toen hij in Dachau terechtkwam; in het kamp toonde hij behalve moed ook grote zorgzaamheid.

In 1950 stuurde het Ministerie van Oorlog mijn grootouders de brochure ’In memoriam 307 verzetslieden van den O.D.’. Bijgevoegd was een briefje van Pim Boellaard waarin hij schreef dat hij zich hun zoon die in Dachau gestorven was - ook een Samuel de Lange - herinnerde als een trouw vaderlander en een goede kameraad.

„Hij had het nodig dat anderen hem nodig hadden”. Met die zin typeert Jolande Withuis in haar biografie de verzetsman Pim Boellaard (1903-2001) die onder en na de oorlog, en speciaal tijdens zijn gevangenschap in de concentratiekampen Natzweiler en Dachau, een grote zorg voor zijn lotgenoten aan de dag legde. Zijn hele werkend bestaan bracht Boellaard door in het verzekeringswezen, maar in de oorlog zette hij zonder aarzelen zijn leven op het spel.

Gedurende ’de eeuw van Boellaard’, het nevenonderwerp van de sociologe Withuis, ontwikkelde zich een zorg die veel dwingender was dan die van de verzetsheld. Met velerlei volksverzekeringen en toezicht probeerde de staat nu de onderdanen aan zich te verplichten, en de bemoeienis met de naasten groeide uit van een standsverplichting tot een zaak van de overheid. Withuis, die eerder (’Na het kamp’, 2005) over de zorg van en voor de overlevenden publiceerde, heeft een heldenleven neergezet tegen de achtergrond van een maatschappij die helden steeds vaker met argwaan bekeek en hulpbehoevendheid liever collectief exploiteerde.

Ook zonder sociologische bespiegeling is Boellaards leven trouwens het vertellen waard: het avontuur van een geslaagde zakenman die het militair verzet tegen de Duitsers hielp opzetten, in 1942 met vele andere leden van die Ordedienst (O.D.) werd opgepakt, en aan een lijdensweg door gevangenissen en kampen begon die tot de bevrijding van Dachau in 1945 duurde. De precieze merites van zijn verzet - en van de O.D. in het algemeen - zijn moeilijk te bepalen, maar zijn vrijmoedige uitlatingen tegenover Reichsführer Heinrich Himmler, die hem te spreken vroeg over het waarom van het Nederlands verzet, getuigen van grote moed.

In Boellaards levensverhaal en in Withuis’ biografie, is die ontmoeting tussen kat en muis een sleutelscène. Moed, en trouw aan het geloof, het vaderland en Oranje, onder het oog van een wrede vijand, daarmee hebben veel van zijn kameraden uit de O.D. zich onderscheiden.

Toch kwam Boellaards finest hour in de achtereenvolgende kampen, waar hij het opnam voor zijn medegevangenen. Hij bemoedigde en troostte, en toen in 1944 het eind in zicht kwam, organiseerde hij de Nederlanders met het oog op de komst van de bevrijders en de terugkeer naar huis. De getuigenissen laten er geen twijfel over dat hij in de kampen, hoewel overtuigd koningsgezind, raad en daad verschafte zonder aanzien des persoons. Daarom werd hij tenslotte in Dachau de ’vertrouwenspersoon’, de contactman, van rechtse officieren en communistische verzetslui gelijkelijk.

Ook na de oorlog zette hij zijn inspanningen voort, en steunde ’zijn’ mannen waar hij kon, op persoonlijke titel maar ook in de lastige verbanden van voormalige politieke gevangenen en kampgenoten.

Rooie rakkers erkenden ruiterlijk of knarsetandend zijn organisatorisch vermogen en zijn nuttige contacten. Al vóór de oorlog had Boellaard kennis aan het koninklijk huis, en speciaal aan Prins Bernhard. Met diens voorspraak heeft Boellaard de gevangenen weten los te krijgen toen de autoriteiten in Nederland geen belangstelling toonden voor hun landgenoten die door de geallieerde legerleiding in quarantaine werden gehouden vanwege de in Dachau heersende tyfus. Royalisme, niet democratische gezindheid, was het pièce de résistance dat Boellaard in opstand tegen de Duitsers deed komen.

Withuis verheelt niet dat het standsbesef en de politieke opvattingen van de verzetsman haar vreemd zijn. Trouwens, iedereen die na de oorlog is geboren, zal de omgangsregels die Boellaard binnens- en buitenshuis hooghield verbazen of ergeren. De ’eeuw van Boellaard’ was in menig opzicht lang voor zijn dood verstreken. Die vreemdheid begrijpen is de sociologische opgave die de auteur zich gesteld heeft: te verklaren hoe Boellaard met de beperkingen en vooroordelen die hij van zijn patricisch en paternalistisch milieu meekreeg, ook tot de opofferingsgezindheid en generositeit in staat was die hij ten toon spreidde. Withuis heeft daartoe uitvoerig de dagboeken geraadpleegd die de ’patres familias’ van de Boellaards sinds het midden van de negentiende eeuw bijhielden. Daaruit blijkt dat de afwisseling van arrogantie en mededogen, van kleingeestigheid en edelmoedigheid, karakteristiek was voor een burgerlijke elite die zich wel uitverkoren achtte, maar dat ook steeds weer moest bewijzen. Heel nauwkeurig heeft Withuis beschreven en ontleed hoe ooit onder barre omstandigheden sociale voorrechten tot heldendom verplichtten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden