Boekrecensie 'Destiny. The Life of Prince Diponegoro' van Peter Carey

Zijn naam is uit ons collectieve geheugen verdwenen. Dat geldt ook voor de heilige oorlog die de Javaanse prins in 1825 tegen Nederland ontketende. Vijf jaar zou de strijd op Java duren en 215.000 levens kosten - de grootste koloniale oorlog die de Hollanders ooit hebben gevoerd. Dat wil je wel vergeten. Gelukkig is er nu een Engelse biografie over de vrome, opstandige prins om ons geheugen op te frissen.

Een moslimextremist zouden we hem tegenwoordig noemen. In de ogen van veel koloniale bestuurders was Diponegoro (1785-1855) een fanaticus. Maar zijn biograaf, de Engelse historicus Peter Carey, toont ook waardering voor de prins uit Yogyakarta die vanuit zijn geloof de leiding nam over een sociale rebellie.

De biografie die zowel in het Engels als Indonesisch verscheen, is een kortere, en beter leesbare versie van het magnum opus van Carey over Diponegoro en de Java-oorlog onder de titel 'The Power of Prophecy' (2007). Voor zijn boek maakte hij niet alleen gebruik van Europese bronnen maar ook van Javaanse geschriften, zoals de autobiografie die de prins later in ballingschap schreef.

Diponegoro's jeugd viel in de periode dat Java voortdurend van kolonisator wisselde. Achtereenvolgens berustte het koloniaal gezag bij de VOC in Amsterdam, de Bataafse Republiek in Den Haag, de Frans-Nederlandse koning Lodewijk, keizer Napoleon in Parijs en koning George III in Londen. Pas vanaf 1815 wapperde weer een Nederlandse vlag in Batavia. Dankzij Engeland had het uit de as herrezen Koninkrijk der Nederlanden de koloniën weer teruggekregen.

De nieuwe Grondwet gaf Willem I 'bij uitsluiting' het oppergezag over alle 'bezittingen' in Oost en West. Ook al debatteerde de Staten-Generaal af en toe over de oplopende schuldenlast, over de miljoenen verslindende Java-oorlog besliste de autocratische vorst zelf.

Nadat in de 18de eeuw het Javaanse rijk van Mataram door de VOC was opgesplitst, hadden de Bataafse maarschalk Herman Daendels en de Engelse luitenant-generaal Stamford Raffles de vorsten in Surakarta en Yogyakarta verder vernederd. Hun titels en hofhouding mochten de susuhunan en de sultan behouden maar in feite waren ze zetbazen van het koloniale regiem.

Willem I beloofde dat hij naast het Nederlandse belang ook de welvaart van Java zou bevorderen, maar de bevolking merkte daar niets van. Net als onder het Engelse tussenbewind werden landerijen verhuurd aan Europese en Chinese pachters. In plaats van rijst produceerden zij koffie en suiker voor de wereldmarkt. Zo leed de bevolking van het vruchtbare Java zelf honger.

De boeren werden uitgeperst door belastingen. De inning was verpacht aan Chinezen die boeren bij tolpoorten lang lieten wachten om hun nog meer geld afhandig te maken in gokhuizen, bordelen en opiumkitten. Want ook de verkoop van opium was door het gouvernement aan Chinezen verpacht. Als boeren dan hun tol niet meer konden betalen, vielen ze in handen van woekeraars die hun karbouwen afnamen.

De misstanden waren bekend bij gouverneur-generaal G. van der Capellen en hij probeerde er ook wat aan te doen. Maar zijn goedbedoelde maatregelen kwamen te laat en werkten averechts. Dat gold bijvoorbeeld voor een verbod op de verhuur van landerijen aan niet-Javanen. Dat dupeerde ook de aristocratie die daaraan verdiende. Zo breidde de onvrede zich uit en groeide de bereidheid om in opstand te komen. Het wachten was op een man die deze kon leiden.

Voor de rol van opstandleider was prins Diponegoro in de wieg gelegd. Hij werd in 1785 geboren als oudste zoon van sultan Hamengkubuwana III van Yogyakarta. Toen overgrootvader Hamengkubuwana I de baby zag, zei hij tot de 15-jarige moeder: "Weet dat het de wil is van de Almachtige om in latere tijd de Hollanders te verderven."

Omdat zijn moeder niet van koninklijken bloede was kon Diponegoro zijn vader niet opvolgen en werd zijn halfbroer tot sultan verheven. Toen deze stierf werd de prins voogd over diens minderjarige zoon. Maar als 'kinderoppasser' voelde Diponegoro zich miskend.

Tijdens het Bataafse en Britse bewind stelde de teleurgestelde vorst zich nog wel coöperatief op. Als het moest dronk hij een glas Zuid-Afrikaanse wijn met de Europese machthebbers. Tegelijkertijd ergerde hij zich aan de Nederlandse bestuurders die geen begrip hadden van de Javaanse cultuur. Hij gruwde van hun zelfverrijking, alcoholisme en wangedrag tegenover Javaanse vrouwen.

Diponegoro verfoeide vooral de corrupte Javaanse kliek aan het hof die met de Nederlanders heulde. Daarom zonderde hij zich steeds meer af op zijn landgoed buiten Yogya. Hij bestudeerde oude inheemse teksten en islamitische geschriften en bezocht heilige graven en grotten. Daar kreeg hij visioenen van de oud-Javaanse Godin van de Zuidzee en van de profeten van de islam op Java. Zo kreeg Diponegoro de overtuiging dat hij was voorbestemd tot messias van zijn volk. Volgens de Javaanse heilsverwachting die vooral in tijden van rampspoed floreerde, was hij de toekomstige ratu adil, de rechtvaardige vorst, die het glorieuze rijk van Mataram zou herstellen. Een uitbarsting van de vulkaan Merapi, een cholera-epidemie en een hongersnood versterkten het idee dat de tijden vervuld waren.

Op 20 juli 1825 brak de oorlog uit. Een groot deel van de bevolking en een deel van de adel schaarden zich achter de opstandige prins, die zich ook tegen de kraton van Yogya keerde, het hof waar hij zelf uit voortkwam. Het Nederlands-Indisch leger kreeg steun van de door het gouvernement benoemde vorsten en regenten en van hulptroepen van andere eilanden.

Een guerrilla op deze schaal had het koloniale leger nog niet eerder moeten bevechten. De Javaanse strijders waren minder goed bewapend maar numeriek in de meerderheid. Ze hadden een grotere terreinkennis en verdwenen razendsnel in de bossen als ze een slag dreigden te verliezen. In het begin boekten ze veel successen.

Pas in het derde oorlogsjaar kwam er een kentering dankzij het benteng-stelsel. In heel Midden-Java werden kleine forten gebouwd en mobiele eenheden beveiligden de wegen tussen deze 'bentengs'. Geleidelijk verloor Diponegoro zo zijn steun onder de bevolking.

Tijdens de vijfjarige oorlog werden door beide partijen wreedheden begaan en vele kampongs gingen in vlammen op. Een groot deel van het land werd verwoest. Het aantal slachtoffers was mede door ziekte en uitputting enorm: 200.000 Javanen, 8000 Nederlanders en Europese huursoldaten en nog eens 7000 Indonesische hulptroepen.

In 1830 werd Diponegoro ondanks een vrijgeleide tijdens onderhandelingen gevangengenomen. Hij werd verbannen naar Celebes (nu: Sulawesi). Daar, in Fort Rotterdam in Makassar, kreeg de voorname staatsgevangene in 1837 bezoek van prins Hendrik de Zeevaarder, een kleinzoon van Willem I.

De prins constateerde dat Diponegoro's trots zeer verminderd was. Wel tekende hij erbij aan dat de wijze waarop diens arrestatie was verlopen nog altijd een 'schandvlek aan de oude Hollandse trouw' was.

Diponegoro was een typische vertegenwoordiger van de Javaanse islam. Voor hem was de strijd tegen de vreemde overheersers uit Nederland en het collaborerende regime in Yogyakarta een heilige oorlog. De verdienste van Peter Carey's biografie is dat hij goed laat zien hoe sterk de religieuze inspiratie was van de in het wit geklede prins.

De islam speelde in veel koloniale oorlogen in de archipel een rol. Nederlandse machthebbers klaagden dan algauw over 'fanatieke' moslims die de bevolking tegen hen opzetten. Maar de voortreffelijke biografie van Carey toont heel precies aan dat sociale onvrede de primaire oorzaak was van de oorlog. Bovendien laat geen volk zich gaarne knechten door een buitenlandse overheerser.

In zijn voorwoord wekt Carey de Indonesische jeugd op zich meer in hun geschiedenis te verdiepen. Voor zover het om een gedeeld verleden gaat, kunnen ook Nederlanders zich die oproep aantrekken.

Peter Carey: Destiny. The Life of Prince Diponegoro of Yogyakarta. 1785-1855. Peter Lang (Bern); 382 blz. euro 71,50

Piet Hagen werkt aan een boek over de koloniale oorlogen die Portugezen, Spanjaarden, Nederlanders, Engelsen, Fransen en Japanners tussen 1511 en 1975 in de Indonesische archipel hebben gevoerd.

Twee perspectieven

Van Diponegoro's arrestatie bestaan twee schilderijen. Het eerste (boven) is in 1830 gemaakt door Nicolaas Pieneman in opdracht van generaal De Kock, die de Javaanse prins gevangennam. Het hangt nog altijd in het Rijksmuseum te Amsterdam.

Het tweede schilderij dateert uit 1857 en is van de Javaanse schilder Raden Saleh. Deze maakte zijn kunstwerk voor koning Willem III, uit dankbaarheid voor de opleiding die hij in Nederland had genoten. Het schilderij werd in 1975 in het kader van een cultureel akkoord geschonken aan de Republiek Indonesië. Het is te zien in het Paleismuseum in Jakarta.

Terwijl Pieneman Diponegoro enigszins onderdanig in beeld brengt, is de prins op het schilderij van Saleh fier en op gelijke hoogte met de Nederlandse bevelhebber afgebeeld. Zijn aanhangers op de voorgrond kijken bedroefd naar hem op. Saleh heeft de hoofden van de Nederlandse militairen iets uitvergroot om ze monsterlijk te doen lijken.

Een leerzame geschiedenisles voor koning Willem III onder wiens bewind de Atjeh-oorlog woedde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden