Boekenweek / Volmaakt, die Mozart

In zijn boekenkast staan alleen nog boeken over muziek en componistenbiografieën. Schrijver Maarten ’t Hart vindt muziek veel belangrijker dan letterkunde. In het kader van de Boekenweek, met als thema ’Schrijvers en muziek’, verscheen zijn nieuwste boek ’Mozart en de anderen’.

Aandacht van de media – Maarten ’t Hart heeft het er niet op. Zijn nieuwe boek maakt die aandacht echter onvermijdelijk. En dan moet hij na dit gesprek ’s avonds ook nog opdraven bij de gala-première van de film ’Het woeden der gehele wereld’, gebaseerd op zijn gelijknamige roman. „Ik vind film een afschuwelijk genre”, zegt ’t Hart, die niet bepaald bekendstaat om zijn genuanceerde uitspraken. „Dat komt vooral omdat filmmuziek bijna altijd foeilelijk is. En de enkele keer dat die muziek wel goed is, sluit ik terstond de ogen om er optimaal van te kunnen genieten en mis ik de hele film.” In zijn boek over Mozart komt diens tegenpool Salieri niet voor en noemt hij het wereldwijde succes ’Amadeus’ van Milos Forman een ’walgelijke snertfilm’.

Praten over muziek, dat wil Maarten ’t Hart wel. Graag zelfs. Dus bij binnenkomst direct maar eens twee heikele actuele kwesties aangeroerd: Bachs Matthüus-Passion is net in het Nederlands hertaald en Opera Zuid laat Mozarts ’Don Giovanni’ uitvoeren zonder de recitatieven. Gerommel aan meesterlijke composities van twee van zijn helden. ’t Hart trekt meteen een vies gezicht. Het bezoeken van operavoorstellingen heeft hij opgegeven nadat hij ’Così fan tutte’ in de regie van Peter Sellars heeft moeten aanschouwen. De angst voor de regisseurs is daarna zo groot geworden dat hij liever thuis een dvd opzet van een mooie traditionele enscenering. Of hij kijkt naar de ’Don Giovanni’-film van Joseph Losey; da’s dan weer wel een ’prachtfilm’.

En de Mattheuspassie van Jan Rot? „Dit is geen heiligschennis meer, dit is iets veel ergers. Ik vind het echt ver-schrik-ke-lijk! De NCRV vroeg me onlangs om erover te komen praten, maar ik kan het gewoonweg niet opbrengen om dit lullig eigentijds Nederlands tot mij te nemen. Ik vind het trouwens helemaal geen discussie waard. Ik weet wel dat de tekst van Picander ook niet helemaal je dat is, maar je bent er zo aan gewend geraakt, en de koraalteksten zijn wel heel goed.” Als ’t Hart hoort dat Rot ook zijn eigen geloofstwijfel in de hertaling heeft gestopt, is het ongeloof van zijn gezicht af te lezen. „Maar hoe kan dat nou? De frase ’Wahrlich, dieser ist Gottes Sohn gewesen’ is niet alleen wonder-wonder-schoon, maar het is ook een regelrechte geloofsbelijdenis van Bach. Ik hoop vurig dat Nederlandse koren dit niet gaan uitvoeren.”

Zo dat is tenminste duidelijk! En dan nu maar eens praten over Bach, Schubert en vooral Mozart. De drie componisten strijden bij ’t Hart om de hoogste plaats in zijn waardering. ’Bach bewonder ik het meest, van Schubert houd ik het meest en Mozart aanbid ik’, schrijft hij in zijn boek, waarin hij op ludieke wijze probeert aan te tonen dat toch Mozart ’de grootste componist, ja misschien zelfs de geniaalste kunstenaar was’. Waarom plaatst iemand zichzelf voor dit dilemma? Waarom gaat iemand het aantal lp’s dat hij van Bach en Mozart heeft, tellen? En waarom neemt iemand zich dan voor, als blijkt dat hij van beiden ieder 104 lp’s in de kast heeft staan, voortaan altijd ook een opname van Bach te kopen als er een van Mozart wordt aangeschaft?

„Natuurlijk is het een onzinkwestie”, zegt ’t Hart met nadruk. „En toch vraagt men mij heel vaak wie ik de grootste vind. Dat ik in dit boek wil bewijzen dat Mozart dat is, komt misschien omdat ik het idee heb dat je Mozart nog steeds moet verdedigen. Met Bach heb ik dat helemaal niet, die is voor mij onaantastbaar. Men durft ook veel minder snel kritiek te hebben op Bach dan op Mozart. Van Mozart moet je wat mij betreft afblijven.”

’t Hart meent wat hij zegt. Zo werd de door hem bewonderde W.F. Hermans ’gestraft’ nadat die op televisie over Mozart zei: ’Z’n nachtmuziek was klein en z’n dagmuziek niet veel groter’. Alle boeken van Hermans werden vervolgens door ’t Hart naar de vliering verbannen. De liefde voor Mozart, zeg maar rustig obsessie, is groot. Als ’t Hart standaard elke nacht tegen halfvier wakker wordt, kijkt hij naar de rode cijfers op zijn digitale wekker. Meteen vertaalt hij die cijfers naar de Köchel Verzeichnis, de genummerde lijst van Mozarts composities. ’De wekker geeft aan 3.34. Divertimento in D-groot, denk ik dan’. Aan het nummer 334 in de Bach Werke Verzeichnis (het Choral ’Herr Jesu Christ, du höchster Gut’) denkt hij dan nooit, zegt hij desgevraagd.

In ’Mozart en de anderen’ komt het kleine ariaatje van Barbarina in ’Le nozze di Figaro’ (absoluut de favoriete opera van ’t Hart) opvallend vaak langs. Waarom is dat? „Zo klein en zo ongelofelijk mooi”, zegt ’t Hart en hij begint het ogenschijnlijk simpele melodietje voor zich uit te neuriën. „O, alleen die muziek al! Maar je vraagt je ook meteen af wat er met dat meisje aan de hand is. Ze is wanhopig omdat ze een speld is kwijtgeraakt.

Maar door de muziek voel je dat er meer aan de hand is. Er is een veel groter leed, misschien wel het verlies van haar maagdelijkheid. Mozart was een echte mensenkenner en wist dat levensecht om te zetten in muziek; Schubert kon dat bijvoorbeeld helemaal niet, al heeft hij Gretchens onrust toch prachtig getypeerd.”

In het boek beschrijft ’t Hart een periode in Mozarts leven waarin hij niet zo gelukkig was en toch de sprankelende en bruisende Symfonie nr. 34 componeerde. De schrijver verwondert zich daarover, maar hij moet toegeven dat iemand in een ongelukkige tijd het meest baat heeft bij een tegenpool. „Een tijd geleden heb ik een been gebroken. Daarover was ik heel somber. In die ellendige tijd heb ik een roman geschreven die heel vrolijk en grappig is; een optimistisch boek. Het komt pas over een jaar of twee uit, maar vrienden die het manuscript lazen, moesten er erg om lachen.”

Zijn haast encyclopedische kennis over muziek is verbijsterend. Ook over ’vergeten’ componisten en hun werken weet hij ontzaglijk veel. Hij kan even vurig over de Fransman Magnard als over de Rus Glière vertellen. Hoe komt dat zo? „Met een groepje vrienden zit ik al sinds 1966 in een platenclubje. Ongeveer eens in de veertien dagen komen we bij elkaar om naar muziek te luisteren en we leggen er veel eer in om de anderen te overtuigen van ’ontdekkingen’ die we gedaan hebben. Als ik dan zo’n onbekend werk hoor, en het spreekt me aan, wil ik direct meer weten over de componist. Ik lijd aan volledigheidsdrang en schaf dan zoveel mogelijk literatuur over en muziek van zo’n componist aan. We stimuleren elkaar enorm en elk van de acht clubleden heeft zo zijn specialiteit. Die van mij zou je kunnen omschrijven met ’troosteloze laat-Romantiek’.”

Organist had ’t Hart wel willen worden. Of nog beter: zo iemand als Ton Koopman – organist, klavecinist, dirigent en muziekvorser in een. Dat gevoel was er vanaf het moment dat hij met zijn ouders naar de kerk in Maassluis ging omdat de dominee in Rozenburg hakkelde. In Maassluis hoorde hij het Garrels orgel en dat overtrof alles wat hij ooit gehoord had. „Maar ja, thuis vond men dat belachelijk. Het is zonde dat ik niet in de muziek door kon, maar misschien was ik ook wel te slordig, niet ritmisch genoeg en niet maatvast. En om nou als organist ergens in Vlaardingen te zitten?”

Karaktereigenschappen met Mozart deelt ’t Hart ook al niet, „uitgezonderd dan misschien het haastige en gejaagde”. En toen de kleine Maarten geboren werd, was zijn moeder pas 24 jaar. Véél te jong, want in zijn boek toont hij aan dat grote componisten meestal nakomertjes zijn met oude moeders. „Alhoewel”, voegt hij daar snel aan toe, „Beethovens moeder heette net als die van mij Magdalena en was ook pas 24 toen ze Ludwig kreeg.” Toch een gemiste kans? „Nee hoor, het heeft nooit iets opgeleverds, het is een verloren zaak. Ik heb ooit een voorspel gemaakt voor psalm 43 en daar was ik wel aardig tevreden over. Maar waarom zou je zelf knoeien als Mozart en Bach zoveel moois hebben geschreven. Literatuur en muziek, dat gaat niet samen. Daar is gewoon een biologische reden voor: muziek zit aan de andere kant van het brein dan literatuur.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden