Boeken zijn steviger dan gebouwen

Wie er niet kan wonen, kan Parijs lézen. Wie er wel woont overigens ook. Er verschijnen zoveel boeken rond de Boekenweek die te maken hebben met Parijs, dat er een complete literaire topografie over het stratenplan te leggen is. De route zal voor iedere lezer anders zijn, maar iedereen komt uit bij het verleden; stad en literatuur zijn er beide de drager van, van intrieste tot onstuimig vrolijke herinneringen. Parijs lezen is misschien nóg beter dan er wonen, want - zoals Frédéric Beigbeder schrijft - ''boeken zijn steviger dan gebouwen''.

1. La Bastille / 14 juli 1789 /. De revolutie barst los in de stad, en in Versailles houdt men de adem in. Om de koningin te doen vergeten hoe wankel haar troon is, moet haar voorlezeres op komen draven: ,,Ik was degene die de dingen verdreef die niet voorbijgingen.'' Om hen heen verandert Versailles in een spookpaleis waar trotse hovelingen angstige schimmen zijn geworden die elkaar fluisterend op de hoogte houden van wat er na de bestorming van de Bastille in de stad gebeurt. De voorlezeres leest maar door: ,,Zorg dat ik kan slapen, Madame, hoorde ik de koningin soms met een zucht zeggen.''

2. Rue Raynouard / 1821/. Honoré de Balzac woonde en werkte in deze straat.

,,Thuis iets en in Parijs niets zijn, dat zijn twee toestanden die overgangen behoeven: en zij die te plotseling van de ene in de andere terechtkomen, vallen in een diep gat.'' 'Verloren illusies', nu voor het eerst vertaald, bevat behalve de titel nog vele waarschuwingen voor de nieuwkomer in de ongebreidelde en rokerige woekering in het Seinedal. De provinciale held uit deze trilogie, Lucien, verdwaalt steeds in de Parijse woonhuizen. Over binnenplaatsen, door gangen en langs trappenhuizen zoekt hij de deuren van wat ook nog verkeerde vrienden blijken te zijn.

3. Rue Saint Merri / 1832 /. In de eerste dagen van mei 1832 pakten donkere wolken zich samen boven het bewind van koning Louis Philippe. Op de vijfde, de sterfdag van Napoleon, was het al onrustig op het Place Vendôme, plannen voor een republikeinse opstand in juni kregen heimelijk gestalte.

Maar er was nog een speler in het veld dat jaar, de cholera, en die koos partij voor de koning. Galois en Lamarque, twee leidende figuren van de opstandelingen, legden kort na elkaar het loodje. Hun manschappen wierpen toch volgens plan de barricades op, onder meer in deze straat, waar de nationale garde ze vervolgens afslachtte.

De schrijver van 'De ontdekking van Parijs', Eric Hazan, is 172 jaar later geen onpartijdige verteller. Hazan blijft partizaan van de revolutionairen.

4. Île St-Louis / 1842 /. ,,Zorg dat je nooit schuldeisers hebt: doe desnoods alsof je ze hebt, dat is alle raad die ik je kan geven'', schrijft Charles Baudelaire in 'Wenken voor jonge letterkundigen'. De korte periode in zijn leven dat hij zelf naar deze raad handelde, woonde hij op dit eilandje in de Seine. Baudelaire vergroeide zo met zijn stad dat hij zijn latere bundel prozagedichten 'Spleen de Paris' noemde, terwijl ze welbeschouwd over spleen (zielepijn, levensmoeheid) tout court gaan.

5. Boulevard Arago / 1853 /. Staatsman en wetenschapper Francois Arago (1786-1853) bepaalde de ligging van de meridiaan van Parijs. Tot 1884, toen Greenwich de eer kreeg, bepaalde die nul-meridiaan de positie van alle plaatsen ter wereld (voor Parijzenaars een vanzelfsprekendheid). De lijn liep dwars door de stad, precies over het observatorium aan de boulevard Arago (die toen nog niet zo heette). In 'De meridiaan van Parijs' beschrijft Philip Freriks hoe de Nederlandse kunstenaar Jan Dibbets deze meridiaan in ere herstelde, onder het motto ,,Hoe mathematischer een punt of een lijn, hoe groter het verlangen om erop te gaan staan.''

6. Rue Goutte d'Or / 1870 / Je zou het 'ras, milieu en moment' kunnen noemen waar Gervaise aan ten onder gaat, maar evengoed 'pech, afgunst en alcohol'. Pech, wanneer haar man van het dak valt waarop hij aan het werk is. Afgunst, van lotgenoten die haar het succes niet gunnen dat ze met haar wasserijtje heeft. Maar vooral de drank, die mannen velt. De Goutte d'Or is de Parijse straat waar Gervaise's opkomst en nedergang is gesitueerd, maar die 'Gouden Druppel' blijkt inktzwart. Alle elementen in Zola's 'De nekslag' (L'Assommoir) moesten de boodschap er in rammen: ,,Sluit de cafés, open de scholen!''

7. Avenue Bugeaud / 1920 /. Léa kijkt vaak uit haar raam op de Avenue Bugeaud, die in 1920 nog landelijk gelegen was. Om haar jonge minnaar Chéri te zien weglopen, bijvoorbeeld, 'bewonderend nagekeken door de dienstmeisjes' of om haar brave buren richting het 'Bois' te zien gaan voor een ochtendwandeling. Zo'n wandeling is niets voor haar. Eén keer probeert ze het, trekt een wollen mantelpak aan en stevige schoenen, maar ze weet niet hoe snel ze terug in haar boudoir moet komen en haar zijden peignoir aantrekken. Luxe, calme et volupté is wat zij nodig heeft, en 'een droge champagne' bij de lunch. Toen Colette haar 'Chéri' schreef, wist ze niet hoe vaak ze zelf uit het raam zou kijken van haar appartement aan het Parc Royal. De voormalige music-hall danseres raakte door artritis aan haar stoel gekluisterd.

8. Rue Vilin / 1940 /. ,,Ik onmoette een tienjarig jongetje. Hij is geboren op nummer 16; over twee maanden gaat hij naar zijn land, Israël'', noteerde Georges Perec op 5 november 1972 over de Rue Vilin (in 'Ik ben geboren'). De betekenis van die zin, en van Perecs aanwezigheid in die straat, wordt pas duidelijk voor wie weet dat hij er zelf, geboren in 1936, de eerste vijf jaar van zijn leven doorbracht. Zijn ouders, Poolse joden, overleefden de oorlog niet. Terugkeren naar de Rue Vilin betekende voor Perec dus terugkeren naar een traumatisch verleden, wat door het jongetje, onbedoeld, nog eens wordt benadrukt. Aangekomen bij nummer 24 noteert Perec; ,,In dat gebouw woonden we. Ik ben niet naar binnen gegaan.''

9. Rue Labat / 1941 /. Wat de Rue Vilin was voor Perec, was de Rue Labat voor Sarah Kofman; een plek waar de oorlog voorduurt. De Franse filosofe groeide op in de Rue Ordener, op een steenworp afstand van Rue Labat. Toen de oorlog uitbrak was zij zes, oud genoeg om ontvankelijk te zijn voor de 'religieuze en sacrale sfeer' in haar ouderlijk huis. Nadat haar vader, rabbijn, was opgepakt, dook de rest van het gezin onder. Sarah kwam terecht bij de katholieke 'dame uit de Rue Labat'. In 'Rue Ordener, rue Labat' beschrijft Kofman behalve de onderduik ook haar gevoelens na afloop van de oorlog, toen ze geheel van haar echte moeder vervreemd was. De oorlog duurde in haar voort. Totdat ze, vlak na het verschijnen van dit boek, een einde aan haar leven maakte.

10. Musée de Cluny / 1950 /. Ethel Portnoy beschrijft in 'Parijse feesten' hoe ze in dit museum van middeleeuwse kunst een 'blonde jongen in een lichtbruine houtje-touwtjejas' ontmoet. Die jongen was Rudy Kousbroek, en zou Portnoy's echtgenoot worden. Bij hun thuis in Parijs maakte hun vriend Lucebert een 'schitterende wandschildering'. De eigenares van het huis eiste echter een witte muur terug. ,,We smeekten, we jammerden, we wentelden ons in het stof, niets hielp.'' Als het dan moest, dan ook maar goed, besloten Portnoy en Kousbroek. ,,Toen we onszelf genoeg moed hadden ingedronken, begonnen we emmers witsel en flessen wijn naar het schilderij te gooien.''

11. / 1959 /.Niet op de kaart, het 'eenentwintigste arrondissement' zoals Parijzenaars het metronet onder de twintig arrondissementen van de stad aanduiden. Als de kleine heldin uit Queneau's 'Zazie' in de metro op het Gare d'Austerlitz aankomt voor een bezoekje, is er net een staking in de metro. Haar 'hormoseksuwele' oom en zij nemen dan maar een taxi, waarin de oom ,,declameert op wervelende toon: 'Ah Parijs, wat een stad. Kijk dan eens hoe prachtig.' '' Antwoord van Zazie: ,,Lamekoud. Wat ik had gewild is met de metro gaan.'' Het zal er tijdens haar verblijf in de stad niet van komen, al ziet ze nog veel van ondergronds Parijs, in de ruime zin des woords.

12. Place des Pyramides / 1966/.

,,Ik ben altijd erg gevoelig geweest voor de mysteries van Parijs'', zegt de verteller in Patrick Modiano's 'Accident Nocturne'. De omzwervingen die hij maakt zouden de halve kaart van Parijs vullen. Zo zoekt hij in de ruimte het houvast dat hij mist in zijn geest. Waarom is zijn vriendin nooit teruggekeerd van een reisje naar Londen? Waarom krijgt hij een pak bankbiljetten na een nachtelijke aanrijding op het Place des Pyramides? Maar vooral; waarom heeft zijn vader hem op zijn zeventiende weggestuurd? De slaapwandelaar komt pas tot rust wanneer een dame hem meeneemt, naar een huis met 'uitzicht over heel Parijs'. Dat alle mysteries ondertussen onopgelost zijn gebleven, doet er dan niet meer toe.

13. Quai d'Ivry / mei '68 /. In 'Papieren tijger' cirkelt het verhaal rondom Parijs, letterlijk. Een hele nacht lang rijdt de verteller, alter ego van de auteur Olivier Rolin, rondjes over de périphérique, de ceintuur rond de stad die in het Nederlands zo prozasch 'ringweg' heet. In zijn Citroën DS vertelt hij over de waanzinnige jaren rond 1970, toen hij en zijn vrienden in Parijs de wereldrevolutie voorbereidden. Zijn lofzang op de idealen - ,,Het internationalisme, iets mooiers, iets subliemers bestaat niet in de geestesgeschiedenis van de mens.'' - wordt ritmisch onderbroken door de opsomming van de lichtreclames en wegenborden die voorbij flitsen. Na het zoveelste rondje is bij de afslag Quai d'Ivry de benzine op, en het verhaal uit.

14. College de France / 1970 /. In dit typisch Franse instituut ter verbreiding van de kennis, hield Roland Barthes in 1977 zijn inaugurele rede. De taal, als vehikel van de communicatie, is 'reactionair noch progressief, maar eenvoudigweg fascistisch' was zijn stelling, na te lezen in 'Het werkelijkheidseffect'. Immers, de taal dwingt ons gebruik te maken van regels waarover we zelf niet hebben mogen beslissen, namelijk die van de grammatica. En het Frans, dat zich geleend had als instrument van de Staat, was nog fascistischer dan andere talen!

Vervolg op pagina 43

Houellebecq haat Parijs

Schrijven in een wereldstad

Vervolg van pagina 41

Hoewel niemand wist hoe serieus Barthes het allemaal bedoelde, is Frankrijk met de beschuldiging in zijn maag blijven zitten. Er verschijnen nog steeds studies naar het vermeende fascisme van de taal.

15. Place de la République /1998/. Michel Houellebecq haat Parijs zo dat hij op het vliegveld logeert als hij er onverhoopt naartoe moet. De stad heeft dan ook weinig Houellebecqiaanse plekken. De Assemblée Nationale misschien, omdat Houellebecq daar vroeger een ambtenarenbestaan leidde. Anders een van de parenclubs waar hij met veel inlevingsvermogen over schrijft. Maar de sportschool Gymnase Club République (tegenwoordig Club Med) verklaart het meest over de wereld van Houellebecq. Zijn alter ego's uit 'Elementaire deeltjes' en 'Platform' pompen hier hun lichaam op. Een tempel van narcisme waar alleen maar mannen komen die al een perfect lichaam hebben. In 'Leven, lijden, schrijven. Methode' adviseert Houellebecq echter: ,,Wees abject, dan bent u waarachtig.''

16. Tour Montparnasse / 2001/. De Tour Montparnasse werd gebouwd als Frans antwoord op het WTC, met dat verschil dat het hier bij één toren is gebleven. Na 11 september ging Frédéric Beigbeder in het restaurant boven in de toren, zitten schrijven. Zijn boek 'Windows on the World' begint met de zin; ,,U kent het einde; iedereen gaat dood.'' In de 370 pagina's die volgen tracht Beigbeder zich een voorstelling te maken van de laatste uren in het World Trade Center, tussen de inslag van de vliegtuigen en het moment dat de torens instortten. Schrijven moet, zegt Beigbeder, ,,want boeken zijn steviger dan gebouwen''.

17. Rue de Rennes / 2004 /. ,,Schrijven in een wereldstad'', zo omschrijft Adriaan van Dis zijn jongensdroom. Maar hij kwam er niet toe om Amsterdam definitief te verlaten. ,,Zodra mijn verlangen naar schoonheid en eenzaamheid verzadigd was, ging ik terug'', vertelt hij in 'Onder het zink, un abécédaire de Paris', het boekenweekessay. Vorig voorjaar was hij weer op bezoek in de stad van zijn dromen en, ,,op een slome lentedag, toen ik niks zocht.... vloog ik een trap op en tekende ik papieren.'' De getekende papieren geven hem recht op eenendertig vierkante meter in deze straat. Dit keer is het menens voor Van Dis. Hij blijft. En schrijft.

18. Parc Monceau / 2004 /. Max, uit Jean Echenoz' 'Aan de piano', is een wereldberoemde pianist die zo bang is voor zijn optredens dat men met man en macht moet zorgen dat hij daarvoor van de drank afblijft. Zijn impressario gaat dus maar met hem wandelen door het Parc Monceau, waar geen druppel alcohol te koop is en alleen de aanblik van het standbeeld van Chopin vermeden dient te worden, gezien de gevoelige zenuwen van de artiest. Als Max halverwege de roman desondanks bezwijkt, blijkt hij in een soort zakelijk hiernamaals terecht te komen, waar iedereen van een ander uiterlijk en een ander beroep wordt voorzien. Maar wat de hemel lijkt te zijn, gaat steeds meer op de hel lijken, en op het gewone leven. Dat de roman begint én eindigt in de Rue de Rome, moet dus niet als een vingerwijzing naar een hemels paradijs worden gezien.

19. Place du Panthéon / 2004 /. Remco Campert voorzag deze Boekenweek en passant van een slogan door te verklaren; ,,Zodra ik het Gare du Nord uitloop, heb ik zin om te schrijven.'' De meeste mensen die dit mistroostige station verlaten na een rit in de TGV hebben zin in een stevige borrel of een warme douche, maar bij Campert overheerst de inspiratie. De hoofdpersoon uit 'Een liefde in Parijs' vindt de stad echter 'zwaar en in zichzelf gekeerd'. Als er één gebouw is waarvoor dat geldt, dan het Pantheon, met op de gevel de plechtige inscriptie 'Aux grands hommes la patrie reconnaissante' - 'het vaderland betoont zijn grote mannen eer'. Juist daar, en dan nog in de schemering, situeert Campert de ontmoeting van zijn held met een oude geliefde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden