Review

Boeken die over tuinen gaan, leiden je af van allerlei dagelijkse problemen. Het is ontsnappingsliteratuur.

Een van de aardigste dingen van tuinieren is dat het leidt tot de ontdekking van Elizabeth and her German Garden'', schrijft Sarah Hart in haar voorwoord van de Nederlandse vertaling van het boek van Elizabeth von Arnim, voor het eerst uitgegeven in 1898 en nu in het Nederlands verschenen bij uitgeverij Gianotten. Aan deze titel kan een hele rij andere boeken toegevoegd worden: allemaal 'literatuur van een bijzondere kwaliteit' zoals Hart over Elizabeth en haar Duitse tuin schrijft, en van onschatbare waarde voor tuiniers, beginnende en gevorderde.

Maar ik draai Harts uitspraak liever om. Een van de leukste dingen van al deze boeken is dat ze je aanzetten tot de ontdekking van tuinen, zelfs al ben je, zoals ik, op het platteland tussen de meest uiteenlopende tuinen opgegroeid. Een goed verteld verhaal heeft nu eenmaal de kracht om de werkelijkheid te doen oplichten, net als een goed uitgevoerd schilderij dat kan doen, of een mooie foto. Mijn eerste ervaring met dit fenomeen deed ik op toen ik als tienjarige bij een vriendinnetje een bloemenkwartet in handen kreeg. De foto's van gele theerozen, rode dahlia's en dieppaarse violen brachten me zo in vervoering, dat ik voortaan in elke tuin op zoek ging naar de evenbeelden van deze perfect gevormde en gekleurde schoonheden. Ik nam me bovendien heilig voor om later, als ik volwassen zou zijn, een tuin vol dahlia's en theerozen aan te leggen. Maar omdat ik tegenwoordig midden in de stad woon, stort ik me bij tijd en wijle op het volwassen equivalent van het bloemenkwartet: de tuinliteratuur, en alles wat daarnaar verwijst. Een van mijn lievelingsboeken voor koude en kwade dagen is bijvoorbeeld De wraakgodin van Agatha Christie. Niet omdat het zo goed geschreven zou zijn -dat is het niet- en niet eens vanwege de plot, maar simpelweg omdat Miss Marple een reis langs beroemde Engelse tuinen maakt. Ook de BBC-verfilming van dit boek is perfect: we zien hoe Miss Marple in slaap sukkelt in een rozenprieeltje en op een regenachtige dag vanuit een nep-Griekse tempel uitkijkt over de benevelde, diepgroene gazons van een achttiende-eeuws landgoed.

Ontsnappingsliteratuur, ik weet het. Maar ook ontsnappingsliteratuur heeft nut, en boeken die over tuinen gaan, hebben nu eenmaal de kracht je van allerlei dagelijkse problemen af te leiden. Daarom ben ik het in eerste instantie ook niet eens met Hart als ze schrijft dat niemand tuiniert zonder contact met de buitenwereld. Dat mag praktisch gezien zo zijn -zaden en bollen moet je nu eenmaal bij een winkel kopen- maar in de boeken van Elizabeth von Arnim, Margery Fish, Jamaica Kincaid en Karel Capek herken je in de eerste plaats hun verlangen naar ontsnapping aan de buitenwereld.

Elizabeth von Arnim, die eigenlijk Mary Annette Beauchamps heette en een nicht was van Katherine Mansfield, trouwde in 1891 als vijfentwintigjarige met Henning August von Arnim-Schlagenthin, een Duitse weduwnaar. Nadat ze enkele jaren in Berlijn gewoond had, betrok ze het landgoed van haar man in Pommern, waar ze zich op het ontginnen van de verwaarloosde tuin stortte. Ze was, net als Fish, Kincaid en Capek, een beginner en moest vooral van haar fouten leren. Of al de uren die ze aan haar tuin besteedde, tot een even fraai lustoord als de tuinen in De wraakgodin leidde, is niet bekend. E.M. Forster, die een tijdje de kinderen Von Arnim lesgaf, schreef volgens Hart dat hij de beroemde Duitse tuin nooit had gevonden. Maar in Elizabeth en haar Duitse tuin gaat het niet om het scheppen van het perfecte lustoord. Elizabeths tuin is in de ogen van Elizabeth zelf een 'hemels koninkrijk', een paradijs waar ze zich kan terugtrekken als het sociale leven haar te veel wordt, waar ze ontkomen kan aan de denigrerende opmerkingen van 'Heer Gramschap', haar man, en waar ze domweg genieten kan van kleuren, geuren, de wind en de zon. Elizabeth en haar Duitse tuin is, dat ben ik met Hart eens, een bijzonder boek. Het is onderhoudend en geestig, het laat heel wat zien van de zeden en gewoonten op het Duitse platteland in de negentiende eeuw, waardoor het vooral belangrijk is voor iedereen die denkt dat het verlangen naar emancipatie een twintigste-eeuws verschijnsel is.

De tuin die wij maakten is net zo'n aangename mengeling van tijdsdocument en tuinadviezen. Hoewel Margery Fish vooral over de praktische kanten van het tuinieren bericht, schemert ook in haar boek op elke bladzijde het verlangen naar het ontsnappen aan de dagelijkse sleur door. Fish (1892-1969) betrok met haar man Walter in 1937 een huis in Somerset. Voor de tuin bedacht hij een strak schema, met stijve, aan palen gebonden klimrozen en harkerige heggen. Fish vertelt hoe ze op ingenieuze wijze allerlei frivole plantjes de tuin in smokkelde. Walter 'vervaagt meer en meer' in dit boek, zoals Loekie Schwartz in haar inleiding schrijft, tot hij eindelijk dood is. Pas daarna kon Fish volledig haar eigen gang gaan, en werd ze 'de koningin van de cottagetuin'.

Toch kent de tuin als ontsnappingsmiddel haar beperkingen. Niemand die dat beter aan het licht brengt dan Jamaica Kincaid. Kincaid, in 1949 als Elaine Potter Richardson in Antigua geboren, woont tegenwoordig in Vermont. Ook zij ontpopte zich op latere leeftijd als tuinier, maakte dezelfde beginnersfouten als Von Arnim en Fish en raakte net als zij verslaafd aan de geneugten van het doorbladeren van plantencatalogi en tuinboeken, het wroeten in de aarde en het kweken van stekjes. Maar hoe meer tuinboeken ze las, hoe meer ze besefte dat er een verband bestaat tussen tuinieren, welvaart en kolonialisme. Kincaid wijst op de merkwaardige gewoonte van Engelse kolonialisten om in de hele wereld landschappen te laten aanleggen, waardoor die het internationale prototype van de ideale tuin werden. Kew Gardens in Londen noemt Kincaid 'een distributiecentrum voor alle planten die waren gestolen uit de verschillende delen van de wereld'. Wie kan haar ongelijk geven? Als ze op een plantenexpeditie naar China gaat, ergert ze zich aan de eurocentrische houding van haarzelf en haar reisgenoten die China als een gigantische openluchtkwekerij voor westerse botanisten lijken te beschouwen. Ook achter het geestigste tuinboek uit de serie van Gianotten blijkt veel leed schuil te gaan. Karel Capeks hilarische en soms licht ironische verhalen over wereldvreemde tuiniers krijgen een bittere nasmaak als je in het voorwoord van Paul Geerts leest dat alleen Capeks vroege dood in 1938 hem uit de handen van de Gestapo hield. Zo krijgt Hart uiteindelijk toch gelijk: niemand tuiniert zonder de buitenwereld en de buitenwereld laat zich niet uit de tuinliteratuur verdringen. Niet voor niets ontdekt Miss Marple achter een weelderige klimplant het lijk van een jong meisje; ze is vermoord uit angst dat ze de droomwereld van de dader zou verstoren.

Maar niet elk tuinboek vervoert tot gedroom. Wie zich het ontsnappen aan de werkelijkheid en het bijbehorende ontwaken wil besparen, zonder daarvoor de tuin te verlaten, storte zich op In de tuin van Vita Sackville West. Ondanks haar reputatie als excentrieke verleidster zijn haar tuinadviezen opmerkelijk nuchter, zonder ooit saai te worden. Wie daaraan nog niet genoeg heeft, raad ik 'In geuren en kleuren' aan, 43 essays, verhalen en gedichten over bloemen van Nederlandse schrijvers, die op enkele uitzonderingen na stevig op Nederlandse bodem staan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden