Boeddhisme, met of zonder ik

De Vrije Universiteit gaat boeddhistisch geestelijk verzorgers opleiden. Ze moeten vooral afleren te beginnen met 'ik'.

Vanuit vele landen stroomt het boeddhisme de laatste tijd naar het Westen. Ironisch genoeg niet eens zozeer vanuit zijn bakermat India, maar vanuit andere Aziatische landen zoals Thailand, Tibet en nu ook China. Voor de belangstellende westerling die 'het boeddhisme' wil bestuderen, ligt een grote verscheidenheid aan religieuze tradities klaar.

De dialoog met boeddhistische tradities is er niet alleen op gericht om die beter te leren kennen, maar ook om onze eigen vertrouwde tradities opnieuw 'vreemd' te maken. Het is opbouwend om je op die manier te vervreemden van teksten en kernbegrippen uit onze eigen tradities. Die kunnen door zo'n vervreemding opnieuw tot leven komen.

Wat heeft het boeddhisme vooral te bieden? Volgens de Canadese filosoof Charles Taylor wordt onze huidige tijd gekenmerkt door "een zich voortdurend uitbreidende diversiteit aan morele en spirituele keuzemogelijkheden", die leidt tot "een algemene cultuur van 'authenticiteit', waar binnen mensen worden aangemoedigd hun eigen weg te vinden".

Binnen een dergelijke individualistische cultuur ontstaat volgens sommige sceptici een markt van welzijn en geluk. We belanden op een religieuze meubelboulevard, waarbij iedere religieuze traditie haar eigen toko kan openen.

Op een dergelijke markt zou het belangrijkste boeddhistische product bestaan uit verlichting: de bevrijding van lijden, het ontwaken uit de illusie van onwetendheid.

En inderdaad, sinds de jaren zestig van de vorige eeuw hebben velen zich aan de beoefening van boeddhistische meditatie gewijd, teneinde een diepe vorm van spirituele bevrijding te realiseren.

Velen van hen waren christenen die zich teleurgesteld van het geloof van hun kinderjaren hadden afgekeerd.

Ook ikzelf bevond me begin jaren tachtig onder hen. Katholiek opgevoed, volgde ik Nietzsche in zijn verkondiging van de dood van God, en wendde ik de blik naar het Oosten, op zoek naar verlichting. Ik beoefende intensief een meditatie die tegenwoordig bekend staat als mindfulness, en ging bij verschillende leraren en goeroes in de leer.

Maar uiteindelijk veranderde mijn visie op verlichting. 'Verlichting' als consumentenartikel is in strijd met de boeddhistische opvatting van 'niet-zelf'. Er is geen waar zelf, geen schuimende energiebron diep binnen in de mens verscholen, geen ware essentie waar je toegang toe moet proberen te krijgen.

Mijn religieuze zoektocht nam een nieuwe en onverwachte wending. Via Kuanyin, de Chinese gestalte van het mededogen, herontdekte ik de katholieke Maria. Via de beelden voor de ingang van talloze Chinese boeddhistische tempels herontdekte ik Sint Michaël, de aanvoerder van de legerschare der engelen. Ik realiseerde me dat het boeddhisme geen concurrent is van het christendom, dat verlichting geen substituut is voor een God die dood zou zijn, en dat religieuze diversiteit en dialoog onlosmakelijk verbonden zijn met de westerse moderniteit.

De belangrijkste bijdrage van het boeddhisme aan onze hyperindividualistische westerse cultuur bestaat wellicht niet uit het aanbieden van een nog beter product op de markt van welzijn en geluk, maar uit het vreemd maken van onze cultuur waarin we onze eigen weg moeten vinden. Het boeddhisme kan ons helpen ons individualisme te relativeren, door een heroverweging van sociale waarden als solidariteit, barmhartigheid, zorgzaamheid, en dienstbaarheid.

Anders gezegd: het gaat niet zozeer om een beter ik, maar om een nieuw wij. Ook met het oog op de nieuwe opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger, die dit jaar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam van start gaat, is een onderzoek naar dergelijke waarden misschien nog wel actueler dan een onderzoek naar verlichting.

Hoe ziet de boeddhistische visie op compassie eruit?

Compassie of mededogen is een basiswaarde binnen het boeddhisme. Al in het oudste boeddhisme heet compassie een van de vier verheven toestanden van de geest. Het cultiveren van deze geestestoestanden is een belangrijk onderdeel van de boeddhistische beoefening.

In het latere mahayana-boeddhisme is de beoefening van compassie onlosmakelijk verbonden met het begrip van de bodhisattva: dat is een wezen dat op ontwaken is gericht.

Iedere boeddhistische beoefenaar zou zich er niet alleen op moeten richten om de verlichting te bereiken, maar om ook anderen de weg te wijzen.

Daartoe leg je vier geloften af, die erop neerkomen dat je je wijdt aan de bevrijding van alle levende wezens. Vergevorderde bodhisattva's kunnen zichzelf in allerlei vormen manifesteren. Ze kunnen levende wezens bijstaan in miserabele omstandigheden, en zelfs afdalen tot in de diepste hellen om daar de verdoemden bij te staan. In deze visie is de gehele wereld vervuld van zulke, voor ons onzichtbare, bodhisattva's.

Compassie wordt belichaamd door een gestalte die de Chinezen Kuanyin noemen: Zij die luistert naar de noodkreet der mensen. Kuanyin wordt vaak afgebeeld met duizend armen, want zij komt letterlijk handen tekort om alle levende wezens bij te staan.

Ze wordt ook vaak afgebeeld met een traan, omdat ze zich realiseert dat haar inspanningen altijd tekortschieten. Kuanyin zou elke vorm kunnen aannemen die nodig is om iemand te redden: een boeddha, een monnik of non, een leek, een kind, een hoogbejaarde, de christelijke Verlosser, de Moeder Gods, engelen of heiligen, de Lijdende dienaar van Jahweh, profeten of tzaddiks, een wijze in de islam of soefi, een god of godin uit het hindoeïsme, een overtuigd atheïst. In de gestalte van Kuanyin krijgt compassie dus letterlijk vele gezichten.

Hoe die vele gezichten van compassie te begrijpen? Moeten we concluderen dat het boeddhisme is vervuld van vele goden? Komt compassie van buiten? Of is compassie een innerlijke kwaliteit die ontwikkeld dient te worden? Bevindt compassie zich binnen ons of buiten ons?

Vanuit westers perspectief lijkt het vanzelfsprekend dat wij de morele kwaliteit van compassie moeten ontwikkelen. Maar Charles Taylor wijst in zijn standaardwerk 'Sources of the Self' op het volgende. Wij denken dat onze gedachten, ideeën of gevoelens zich 'binnen' ons bevinden, terwijl de objecten in de wereld waarop deze mentale toestanden betrekking hebben 'buiten' zijn. Deze splitsing tussen binnen en buiten is westers. Taylor schrijft dat deze "voor een groot deel een kenmerk is van onze wereld, van de wereld van de moderne, westerse mensen".

Zo bezien kun je als westerling compassie bijna niet anders opvatten dan als iets innerlijks, dat je door boeddhistische beoefening kunt ontwikkelen. Binnen onze cultuur zoeken we morele bronnen in onszelf, en dat doen we dus ook met compassie .

Nietzsche wees al op het illusoire karakter van deze westerse zelfinterpretatie. "Een gedachte komt wanneer 'zij' dat wil, en niet wanneer 'ik' dat wil." Volgens de filosoof is het onjuist om te zeggen dat je het 'ik' nodig hebt om te kunnen spreken van 'denken'.

"Men redeneert hier naar grammaticale gewoonte: denken is een werkzaamheid, bij iedere werkzaamheid hoort iemand die werkzaam is, bijgevolg -." Nietzsche noemt dit het grammaticale vooroordeel. In zijn werk probeert hij dit vooroordeel, dat de westerse traditie beheerst heeft, te overwinnen en tot een zelfloze filosofie te komen. Nietzsche was zich zeer bewust van de bijdrage die niet-westerse filosofische tradities aan zo'n project zouden kunnen leveren. Door filosofen te bestuderen uit taalfamilies waarin het subjectbegrip, 'het ik', het minst ontwikkeld is, zoals het Chinees of Japans, kan een dergelijk grammaticaal vooroordeel overwonnen worden.

Helaas heeft Nietzsche, door zijn beperkte kennis van het mahayana-boeddhisme, niet volledig gebruik kunnen maken van de mogelijkheden die een dialoog met het boeddhisme hierin te bieden heeft.

In het mahayana-boeddhisme wordt benadrukt dat de ontwikkeling van compassie altijd hand in hand moet gaan met de realisatie van wijsheid. En niet zomaar wijsheid, maar de vervolmaking van wijsheid, of de wijsheid voorbij alle wijsheid. En die luidt dat alles, de mens, de gehele werkelijkheid, en dus ook compassie, fundamenteel wordt gekarakteriseerd door leegte of openheid.

Zonder inzicht in leegte of openheid loopt de boeddhistische beoefenaar het risico om zich als een veredelde padvinder met zijn medemens te gaan bemoeien, voortdurend ernaar strevend om goede daden te verrichten. Iedere conventionele visie op compassie staat de belichaming ervan in feite in de weg.

Een voorbeeld daarvan is de gelofte die de bodhisattva, het wezen dat zich richt op ontwaken, aflegt. Meestal wordt deze vertaald als: "Hoe talloos de levende wezens ook zijn, ik beloof ze allen te bevrijden." Deze vertaling voegt het persoonlijk voornaamwoord 'ik' toe, maar dit 'ik' komt niet voor in het Chinese origineel. Deze toevoeging van een 'zelf' dat de gelofte gaat uitvoeren is afkomstig uit onze westerse talen van zelfinterpretatie, volgens het grammaticale vooroordeel dat Nietzsche al aanwees. Zoals je kunt zeggen: "Niet ik denk, maar het denkt in mij", zo kun je ook zeggen: "Niet ik beloof alle wezens te bevrijden, maar het belooft in mij." Maar 'Het belooft in mij' is al te veel gezegd. Er is niet iets buiten mij dat in mij belooft, het is ook niet zo dat ik een gelofte afleg. Er wordt iets manifest in mijn bewustzijn doordat ik de gelofte reciteer.

Door het gezamenlijk reciteren van de gelofte wordt een 'compassieveld' manifest: "Er is sprake van de gelofte alle levende wezens te bevrijden, hoe talloos ze ook zijn." Wie deze gelofte reciteert, probeert niet zozeer een emotionele kwaliteit in zichzelf te ontwikkelen, maar legt getuigenis af van een onontkenbare en onontkoombare compassie die al in zijn diepste natuur besloten ligt. Deze mysterievolle realiteit van compassie kan nooit adequaat in woorden worden gevat, en juist daardoor krijgt zij in het boeddhisme vele gezichten.

Zulke boeddhistische opvattingen over compassie verbreden onze blik. Door het kennismaken met een veelheid aan visies op compassie maken we het eigene vreemd. We worden bewust van de westerse aannames die ons denken over compassie bepalen: het onderscheid tussen binnen en buiten, mijzelf en anderen, mijn bevrijding en die van anderen.

Voor toekomstige boeddhistisch geestelijke verzorgers is het van het grootste belang om deze vervreemding te ondergaan.

Dit is een bewerking van de inaugurele rede die prof. dr. André van der Braak gisteren uitsprak bij de aanvaarding van het hoogleraarschap boeddhistische filosofie in dialoog met andere levensbeschouwelijke tradities aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden