Bob Tebrunsvelt had een liefdeloze kindertijd, maar voelt geen wrok

Bob Tebrunsvelt Beeld Koen Verheijden

Tebrunsvelt is nu 85. Hij en zijn vrouw kunnen in het appartementencomplex zorg krijgen, maar dat is nog niet nodig. Eigenlijk kijkt hij terug op een mooi leven. Zestig jaar getrouwd, drie kinderen, zes kleinkinderen en één achterkleindochter. En nog steeds dezelfde vrouw hè, wijst hij trots. Zijn vader en moeder trouwden elk drie keer, zijn oma twee keer. Hij verbrak de traditie.

Bob Tebrunsvelt heeft juist niet, zoals veel slachtoffers van geweld, het leed uit zijn jeugd meegetorst. “Mijn broer werd vroeger wel agressief. Hij heeft de littekens op zijn rug staan. Hij ging er tegenin, ik niet.” Hij maakt liever geintjes. Een echte Amsterdammer, lacht hij. “Misschien ook omdat je wilt dat mensen je aardig vinden”, zegt zijn vrouw.

Alleen zij kent de details uit zijn lagereschooltijd. “Anderen luisteren eigenlijk nooit, zelfs de eigen kinderen niet”, zegt hij. “Ik denk dat ze zich er moeilijk in kunnen verplaatsen. Ik wil ze ook niets opdringen.”

Tot 1944, van zijn zesde tot zijn twaalfde, zat Bob Tebrunsvelt in het diaconieweeshuis in Amsterdam-Zuid. Het ergste wat hij zich herinnert zijn de straffen als hij in bed had geplast. Aan het hoofd van de twee jongensafdelingen stond een jong echtpaar. “Hij was een bonestaak die dominee wilde worden. Zij een forse vrouw. Ze ging er prat op dat ze harder sloeg dan haar man.” Als Bob zijn bed nat was, moest hij van haar aan het voeteneind zitten, zijn knieën op de grond, zijn pyjamabroek naar beneden. Wachten tot ze terugkwam. “Dat was heel vernederend, want het kon lang duren. En als ze dan kwam sloeg ze met de blote hand op mijn billen. Een hele tijd, keihard.” Dat slaan duurde zo’n drie jaar, tot hij niet meer in bed plaste.

'Het sneed door mijn ziel'

Zijn kindertijd was liefdeloos. Pas toen hij zijn vrouw ontmoette, leerde hij dat het ook anders kon. Zo aardig als zijn schoonmoeder tegen hem deed! In het weeshuis had hij niets van zichzelf, behalve de broer en een kastje naast zijn bed. Wat daar dan in zat? “Geen idee”, zegt Tebrunsvelt. “Ja, een doosje met kroontjespennen. Ze hadden nog gevraagd hoe hij daar aan kwam. “Ik vertelde dat het oudjes waren die ik had opgeknapt.” Toen Sinterklaas op bezoek kwam, kreeg hij ineens een cadeau. “Van de 30, 40 kinderen waren er hooguit 10 die iets kregen op 5 december, van hun familie. Mijn broer en ik kregen nooit iets.” Nu was er een winterpeen voor hem ingepakt, uitgehold en vol met oude kroontjes. “Het sneed door mijn ziel. Als grotemensenbak kan ik het me voorstellen, maar zoiets gemeens doe je toch niet bij een kind?”

Zijn broer had het zwaarder. “Een keer werd zijn lijf met een luiwagen geschrobd, op de vloer van de doucheruimte, met iedereen erbij.” Maar Tebrunsvelt voelt geen wrok. “Er zijn nog steeds eenvoudigen van geest, die denken dat je zoiets als bedplassen er uit kunt slaan.”

Zijn ouders neemt hij ook niets kwalijk. Tebrunsvelt heeft achteraf geconcludeerd dat ze waarschijnlijk door oma uit elkaar gingen. Een echt takkewijf, zegt hij onomwonden. “Altijd denigrerend over mijn moeder. Misschien ook wel jaloers, want mijn moeder was een aantrekkelijke vrouw. Een stuk zou je nu zeggen, maar zo praatte je toen niet.”

'Een kattenbelletje'

Zijn moeder was ook een slordig type en zijn vader was alleen met zijn werk bezig. Zo kon het in die tijd gebeuren dat je in een weeshuis terechtkwam, ook al had je nog ouders en familie. “Ze hebben waarschijnlijk nooit geweten hoe erg het er was.”

Tebrunsvelt hoorde pas veel later dat zijn moeder geprobeerd heeft de voogdij te krijgen. Hij heeft een briefje, geschreven door de directeur. Met het dringende verzoek of moeder zich wilde onthouden van elke poging om Bob te zien of te spreken. “Een kattenbelletje.”

Af en toe is hij even de draad van zijn verhaal kwijt. Maar sommige zaken weet hij nog precies: het plaatsje, waar hij zelf de ondergeplaste lakens moest uitspoelen, ook al was het ijskoud. De routes die hij liep naar school of de Nieuwezijdskapel in het centrum. Hij ziet nog voor zich hoe hij in het donker terugkwam. “Het receptiehok, een zwarte hal. Zo erg dat je in zo’n rothuis woonde.” Van de vrouw herinnert hij zich alleen nog haar postuur. En haar handen.

Lees ook: Kindermishandeling in de jeugdzorg: Geweld gaat gemiddeld 7,5 jaar door

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden