Opinie

Bob Dylan is de Houdini van zijn eigen mythologie

Een vrouw naast ons - ze was helaas te klein was om te zien wat er op het podium gebeurde, maar loste dit handig op door haar mobiele telefoon als periscoop te gebruiken - zei op een gegeven moment: ’Hij is wel een beetje een autist, hè?’

Misschien werkte ze in de zorg. Maar ongelijk had ze niet, Bob Dylan leek zich nauwelijks bewust van de aanwezigheid van de vijf muzikanten die zijn begeleidingsband vormden, laat staan van ons, de pakweg vijfduizend bezoekers die afgelopen zondag naar de Heineken Music Hall waren gekomen.

Dat Rob Schouten in zijn stukje over het concert van de dag daarvoor (Trouw 15 april) de nadruk legde op het rituele aspect van de gebeurtenis was terecht, al geldt dat voor de Matthüus Passion, Cirque du Soleil of Ajax-Feijenoord natuurlijk evenzeer. De manier bijvoorbeeld waarop een tijdje voor aanvang een indrukwekkende senior roadie met witte baard en paardenstaart eerbiedig een paar witte A4’tjes op het orgel legde en het leeslampje ontstak, de jongere assistenten die zo nu en dan het halfverlichte podium opslopen om een standaard vier millimeter te verzetten of een stofje van de leslie-box te vegen, het deed inderdaad denken aan de koster die vlak voor de hoogmis het altaar oploopt, zogenaamd om een plooi uit het altaarkleed te strijken, maar in werkelijkheid alleen om de spanning op te bouwen.

Een voorstelling is een ruil, de performer komt iets brengen, maar ook iets halen. Laatst zag ik op BBC4 een registratie van een James Taylor-concert. Wat hij bracht was zijn muziek, maar door de kokette anekdotes tussendoor, de toespelingen op zijn persoonlijk leven, de verwijzingen naar zijn glorietijd en zijn betrekkingen met andere muzikale grootheden was ook zonneklaar wat hij kwam halen. Bij Bob Dylan is zelfs niet helemaal duidelijk wat hij komt brengen, hij verschijnt, speelt en verdwijnt, elke interactie ontbreekt. Hij speelt zijn muziek niet, hij speelt mét zijn muziek, in het openbaar. Hier staan veel echte liefhebbers, maar zelfs zij herkennen soms pas na tien maten welk nummer hij eigenlijk speelt. De zwoele ballroom swing van ’Beyond the horizon’ gaat langs de kettingzaag, het klaaglijke ’Blowin’ in the wind’ is nu een blues vol berusting, ’Don’t think twice’ wordt een luchtige shuffle – Bob Dylan is zijn eigen karaoke-band geworden.

Woorden als ’verveeld’ en ’routineus’ schieten te binnen, en toch is het dat niet. Dylan bestrijdt de verveling juist door oneindig te variëren met stijl, tempo en frasering, hij treedt drie avonden per week op, al jaren, en speelt telkens een andere setlist.

Hij komt niets halen, alleen brengen. Als een marskramer loopt hij zijn wijk, altijd is zijn assortiment anders gerangschikt, maar hij kijkt je niet aan en maakt nooit een praatje. Garen en band, band en garen, take it or leave it.

Weinig dingen lijken mij vreemder dan om Bob Dylan te zijn. Om zo oneindig vaak te bestaan, in de ogen van anderen. Wie ben je dan nog, wie kun je nog zijn? Dylan kan het. We noemen hem een muzikant, een dichter, een rockster, maar in wezen is hij een boeienkoning. Telkens staat hij weer voor je, met de ketens aan zijn voeten. De Houdini van zijn eigen mythologie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden