Bloemaert schilderde voor de katholieke elite

De tentoonstelling in het Centraal museum duurt nog tot 30 april. Geopend van di-za: 10-17 uur, zo: 12-17 uur.

In een vitrine liggen een tol, kegeltjes, een fluitje en knikkers. Ooit speelden de kinderen van Abraham Bloemaert ermee. Een merkwaardig idee, maar waar: de speeltjes werden gevonden in een beerput in de tuin van Bloemaerts huis en stammen uit de eerste helft van de 17de eeuw, de tijd dat Bloemaert er woonde.

In diezelfde beerput lagen ook allerlei huishoudelijke spullen zoals kapotte wijnglazen, kruiken en borden van aardewerk en, niet te vergeten, enkele volledig afgesleten afwasborstels. De dienstboden van Abraham Bloemaert hadden het kennelijk druk met afwassen. Geen wonder, want Bloemaerts huis aan de Mariaplaats in Utrecht werd veel bezocht.

Niet alleen ontving hij er voorname gasten als Elizabeth Stuart, koningin van Bohemen, maar ook zijn leerlingen, onder wie Hendrick Terbrugghen, Gerard van Honthorst en Cornelis van Poelenburch.

Bloemaerts huis was al enkele eeuwen oud toen hij zich er in 1617 vestigde. Om precies te zijn was het een claustraal huis uit het begin van de 14de eeuw. Met zo'n huis wordt de woning van een geestelijke bedoeld, in dit geval een kanunnik van het kapittel van de nabijgelegen romaanse Mariakerk (in de 19de eeuw gesloopt). Het huis lag dan ook binnen de immuniteit - een door muren en sloten omringd kerkelijk rechtsgebied - van deze kerk. Onder de vloer van een van de kamers bleek zich een indrukwekkend fraaie mozaïekvloer uit de bouwtijd van het huis te bevinden. In de nieuwbouw met parkeergarage die op het nu braakliggende terrein komt, zal deze vloer worden opgenomen.

Renger de Bruin, de conservator van het Centraal museum die de tentoonstelling organiseerde, vertelt enthousiast over de woelige periode waarin Abraham Bloemaert leefde. Hij hield er afgelopen week een lezing over. Bloemaert werd de leider van de zogenaamde Utrechtse School in de eerste helft van de 17de eeuw. Hij leefde in de periode van de beeldenstormers; de schilder werd in 1566 geboren in een katholiek milieu. En katholiek zal Bloemaert blijven; hij bezoekt missen die in particuliere huizen en schuilkerken worden gehouden. Ook zijn eigen huis stelt hij daarvoor beschikbaar: hij blijkt een keer opgepakt en beboet te zijn nadat er in zijn huis de mis was gevierd. Misschien herinnert het in de beerput aangetroffen wierookvat nog wel aan die gebeurtenis, het enige religieuze voorwerp tussen alle weggegooide spullen.

Bloemaert werkte voor een katholieke elite, voor wie hij schilderijen met bijbelse onderwerpen vervaardigde. De Bruin wijst op een groot doek uit 1624. Het laat de aanbidding van de drie koningen zien, waarbij één van de koningen de helft van de voorstelling in beslag neemt. De knielende grijsaard is gekleed in een rijk uitgevoerd liturgisch gewaad. Volgens De Bruin gaat het om een bisschopsmantel en illustreert Bloemaert - of zijn opdrachtgever - hiermee zijn verlangen naar de goede oude tijd van voor de Reformatie.

Vanaf dat jaar verharden zich de verhoudingen en komt er een eind aan de 'religievrede', een periode waarin men in de stad Utrecht elkaars godsdienstovertuiging gedoogt.

Bloemaert heeft die periode niet meegemaakt: hij arriveert pas in 1593 in Utrecht. Vijfentwintig jaar later verhuist hij naar de Mariaplaats, waar katholieken woonden. Zijn huis stond in de schaduw van de Gertrudiskapel, een schuilkerk van het type Ons' Lieve Heer op Solder. De kapel werd in 1992 grondig gerestaureerd en kan sindsdien weer in haar volle glorie worden bewonderd.

Bloemaert blijft de rest van zijn leven, hij wordt maar liefst 85 jaar oud, aan de Mariaplaats wonen. Vanaf 1620 werkt hij veel in opdracht van het stadhouderlijk hof, zoals voor Frederik Hendrik en Amalia van Solms. Steenrijk wordt hij, veel rijker dan schilders als Johannes Vermeer. Naast zijn werk voor het stadhouderlijk hof, levert hij altaarstukken voor de schuilkerken. Ook zijn getalenteerde zoon Hendrick (1601-1672) zal belangrijke schilderijen voor deze gebouwen vervaardigen.

De Bruin merkt op dat Hendricks dood in 1672 tevens het einde inluidt van het hoge artistieke niveau van de Utrechtse schilderskunst. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw zal er in Utrecht weer katholieke kunst van niveau opbloeien, als het neogotische Bernulphusgilde van zich doet spreken.

Voor de liefhebbers is er een korte Bloemaertwandeling te maken over de Mariaplaats, samengesteld door het Archeologisch bouwhistorisch centrum. De claustrale huizen die er nog staan spreken tot de verbeelding. Zelfs de muren die de immuniteit van Sint Marie afgrensden, kunnen nog ontdekt worden. Voor velen levert dat weer een verrassend nieuw stukje van het oude Utrecht op.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden