Review

Bloed en kunst als propaganda

Het is Kunst, maar ook onverbloemd middeleeuws anti-judaïsme en ideologische propaganda voor de dogma's en de macht van de kerk: glas-in-loodramen, schilderijen, tapijten in de Sint-Goedele in Brussel: de verbeelding van een oude legende van met hosties heiligschennende joden.

Volgens de legende stalen op Goede Vrijdag 1370 zes joden uit de Brusselse Cathariijnekerk zestien heilige hosties; ze doorboorden ze met hun messen om Christus opnieuw te doen lijden. Tot hun grote ontsteltenis begonnen de hosties te bloeden. Dan komt de geschiedenis: al op 23 mei werden de vermeende heiligschenners op de brandstapel gezet, mogelijk samen met hun gezin. Hun bezittingen en die van andere Brabantse joden werden verbeurd verklaard.

Goed zestig jaar later erkende de kerk het Sacrament van Mirakel. Het verhaal van de hostieprofanatie werd en wordt in de Goedele-kathedraal verteld op glasramen, schilderijen, wandtapijten en liturgische gewaden.

Luc Dequeker, emeritus hoogleraar judaïstiek van de Katholieke Universiteit Leuven, doet het ontstaan, de evolutie en de teloorgang van de legende uit de doeken in een boeiend en leerrijk boek.

Pijnigen en doorboren van hosties of heiligenbeelden was in die tijd een gebruikelijke beschuldiging aan het adres van joden. Joden zouden ook bronnen vergiftigd hebben om de pest te verspreiden. Achtergrond en basis van het geloof aan en de beschuldiging van hostieschennis is de instelling, midden 13de eeuw, van het feest van het Heilig Sacrament in 1264 moest bij de bevolking het dogma van de transsubstantiatie inprenten, de verandering van brood en wijn in Christus' vlees en bloed. Het dogma was in 1215 op het Vierde Concilie van Lateranen vastgelegd.

Zoals aan relikwieën in vroeger tijden werden aan het Heilig Sacrament wonderbaarlijke krachten toegeschreven. Er kwamen zogenaamde eucharistische wonderen en magische praktijken. Hosties namen de gedaante aan van een kind, doorstonden vuur en water, begonnen te bloeden als ze verkeerd behandeld of geschonden werden en genazen ongeneeslijke mensen. In dezelfde periode kende Amsterdam het Sacrament van het Mirakel, waar een uitgebraakte hostie door het vuur niet werd verteerd maar in de vlammen bleef zweven.

De geconsacreerde hostie werd in een monstrans op gezette tijden in steden en dorpen rondgedragen om onheil te bezweren en zieken te genezen. Alleen al het zien van de gewijde hostie, de zogenaamde ogencommunie, volstond.

Bloedwonderen, bloedsporen op de hostie zelf of op het doekje waarop hostie en kelk tijdens de mis rusten, waren het wijdst verspreid. Verhalen over bloedende hosties sterkten gelovigen in het geloof in Christus' 'lijfelijke' aanwezigheid. Hostieschennis werd een soort rituele moord. De beschuldiging van hostieprofanatie lag in het verlengde daarvan.

De in lood en glas vervatte beeldverhalen in Sint Goedele berichten over de gebeurtenissen van 1370 was ,,het antwoord op de nieuwlichters die het geloof in de eucharistie openlijk in vraag durfden te stellen'. Het Sacrament van Mirakel is het mirakel van het sacrament: God openbaart zich aan ongelovigen, bloedt door de hosties, zegeviert over ketters. De profanatie wordt tot godsbewijs.

Het Sacrament van Mirakel werd erkend om het gezag van de kerk over ketters te herstellen, dwalingen te weerleggen, mystieke stromingen in juiste banen te leiden. Dat is de werkelijke grond van de legende. Joden moesten fungeren als archetype van de 'ongelovigen'. Waarschijnlijk relevanter is, dat dit soort beschuldigingen destijds schering en inslag was. Joden werden her en der van diefstal en profanatie beschuldigd. De legende sloot aan bij de traditionele jodenhaat van de christenen en diende bij gelegenheid om de joden uit te sluiten en te discrimineren.

De legende van het Sacrament van Mirakel vond haar oorsprong niet in diefstal of hostieschennis maar in rode vlekjes op hosties die als sporen van bloed werden geïnterpreteerd: bloed van Christus. Maar die vlekjes waren niets anders dan het pigment van een bepaalde schimmel die hosties aantast die op een vochtige plaats bewaard worden, schrijft Dequeker.

Hij besluit dat de Brusselse joden valselijk zijn beschuldigd en onrechtmatig terechtgesteld op grond van een ongeloofwaardig mirakel. Voor een vrijdenker is dat toch een wat vreemde conclusie. Natuurlijk hebben die joden geen hosties gestolen, wat moesten ze ermee? Ze ontheiligen? Maar voor joden waren hosties gewoon schijfjes ongedesemd brood, hooguit voorwerpen van afgoderij. Om de ander te kleineren, te vernederen? Dan moet die ander daarvan getuige zijn, terwijl de heiligschennissen in groot geheim zouden gebeuren. Of met andere woorden: het verhaal van de hostieschennis is aan een katholiek brein ontsproten. De legende is meer dan onwaarschijnlijk, ze draagt haar ontkenning in zich.

Toch is Dequekers conclusie een stap voorwaarts. In de jaren vijftig nog, besloot een andere Leuvense onderzoeker dat ,,het mirakel legendarisch is en dat de joden misschien het slachtoffer zijn geweest van de tijdgeest en ten onrechte zijn terechtgesteld', maar hij bleef ervan overtuigd dat de joden gestolen en gespot hadden.

Dequekers boek heeft in katholieke kringen zowaar voor enige beroering gezorgd. Het is voor sommigen te controversieel, ze hebben er liever niets mee te maken. Mogen joden niet goedgepraat worden, mag het eeuwenoude Sacrament niet gebanaliseerd worden?

Het Sacrament van Mirakel is eeuwenlang jaarlijks herdacht en de jubilea werden groots gevierd. In 1670 werden tien grote triomfbogen opgericht die de legende in scène brachten. Bij het doorgeven van de legende speelden behalve volksdevotie ,,vooral de belangen van kerk en vaderland een rol'. Het Sacrament van Mirakel was er eeuwenlang om joden uit te sluiten, het geloof te sterken en wereldlijke macht te rechtvaardigen. De religieuze relikwie groeide vrij snel uit tot een nationaal symbool, een landsrelikwie, ,,vereerd door de vorsten, prinsen en koningen van het land'.

Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw werd aan de schuld van de joden openlijk getwijfeld. Toen in 1870 voorbereidingen werden getroffen voor het vijfde eeuwfeest kwamen liberalen, vrijzinnigen en vrijmetselaars in het geweer. Ze duldden niet dat intolerantie en jodenhaat werden gevierd. De jubileumstoet werd uiteindelijk afgelast. Maar de wonderbaarlijke hosties bleven voorwerp van verering, de processie ging ieder jaar uit en de gidsen in de Brusselse kathedraal bleven het verhaal vertellen alsof het om een historische gebeurtenis ging.

Pas in 1967 vroegen vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap van België de rk kerk om eerherstel. Deze weigerde bij monde van kardinaal Suenens om de iconografische 'getuigenissen' over de legende te verwijderen. Eind 1977 werd, na heel wat onderhandelingen, onder de zestiende-eeuwse glasramen van de Sacramentskapel een bronzen plaat ingehuldigd ,,waarop de tendentieuze aard van de aanklacht en het legendarische karakter van het Sacrament van Mirakel officieel worden erkend', maar wel in voorzichtige en enigszins dubbelzinnige bewoordingen.

De kunstwerken konden niet verwijderd worden omdat het zoals Dequeker schrijft ,,om nationaal kunstbezit gaat'. Men wilde ,,de herinneringen aan dit pijnlijke verleden' behouden ,,als een soort memoriaal, een waarschuwing voor de toekomst. De glasramen [...] herinneren eraan dat religieuze vooroordelen en een misplaatste geloofsijver, om niet te gewagen van religieus fanatisme, mede kunnen leiden tot vervolging en moord'.

Déze tekst had op de bronzen plaat gemoeten. Of de kathedraal had het boek van Luc Dequeker tegen een zacht prijsje moeten aanbieden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden