Blikvanger ondanks Hollandse zuinigheid

Met een ’glazen’ barokke toneeltoren maakte architect Erick van Egeraat van de Stadsschouwburg van Haarlem weer een echte blikvanger. Toch is de architect niet tevreden. De zuinigheid van de gemeente en het ’prutswerk’ van de bouwers doen afbreuk aan zijn ontwerp.

De gigantische kroonluchter in de vernieuwde Stadsschouwburg van Haarlem trekt meteen de aandacht. Hij is wat betreft afmeting en vorm in volmaakte harmonie met de grote zaal. Hij lijkt er wel voor gemáákt. En dat is ook zo, vertelt architect Erick van Egeraat, die de zaal in oude luister herstelde. Hij liet de kroonluchter op maat maken in Tsjechië, voor 20.000 euro. „Een koopje”, zegt de architect. Maar de gemeente vond het erg veel geld. Dat de kroonluchter er nu toch hangt, is te danken aan een gift van de Haarlemse zanger Boudewijn de Groot en zijn vrouw Anja Bak. Van Egeraat: „Gelukkig zijn er nog mensen die wél inzien dat in zo’n fantastisch mooie oude zaal, die misschien wel weer negentig jaar meegaat, een bijpassende kroonluchter hoort.”

Vijf jaar was de Stadsschouwburg dicht voor een verbouwing. Morgen gaan de deuren weer open voor het publiek en beschikt Haarlem, negentig jaar na de opening, over een schouwburg waarin nu ook de grotere theatergezelschappen terecht kunnen. Nieuw aan het gebouw, dat in 1918 werd gerealiseerd door architect Van der Steur, is de vergrote toneeltoren die zo’n tien meter uitsteekt boven het bestaande gebouw. De omwonenden waren daar aanvankelijk niet blij mee, vertelt de architect, en daar kon hij zich iets bij voorstellen. „Niemand zat te wachten op een massief blok baksteen van 24 meter hoog, dat ook nog eens zou detoneren naast het bestaande gebouw.” Van Egeraat loste dat probleem op door de toren naar boven toe van steeds meer glas te voorzien, waardoor hij steeds ijler lijkt te worden en uiteindelijk in de lucht lijkt op te lossen. Het idee daarvoor kreeg hij toen hij naar de Bavo kathedraal keek.

Opvallend aan de toren zijn behalve het glas ook de ornamenten van geplooid keramiek, een ontwerp van kunstenaar Babs Haenen. Van Egeraat refereert daarmee aan het porselein van kunstenaar Leon Senf in de oudbouw. De barokke ornamenten van keramiek maken de toren niet alleen speelser en luchtiger, het was voor de architect ook een hulpmiddel om de harde overgangen tussen de oud- en nieuwbouw vloeiender te laten verlopen. Daarin is hij boven verwachting geslaagd, zij het dat nu wel extra opvalt hoe onverzorgd de gevels van de oudbouw eruit zien. De architect ging er vanuit dat de gemeente de bestaande muren en voegen zou laten reinigen.

„Het ziet er nu zo viezig uit. Als je dan toch geld uitgeeft, doe dan meteen alles goed. Dit is een kunstobject, geen fabriek. Volgens de gemeente was hier geen geld voor. Maar ik vind dit een misplaatst soort zuinigheid, omdat nu binnen afzienbare tijd reparaties moeten worden uitgevoerd.”

En nu hij toch aan het brommen is, wijst Van Egeraat ook meteen maar op de ’erbarmelijke’ afwerking. Architecten zijn na de oplevering van hun ontwerp nooit tevreden, omdat er altijd dingen zijn die niet kloppen of slordig uitgevoerd. Maar de aannemers hebben het in de Stadsschouwburg wel heel erg bont gemaakt.

„En dat neem ik niet eens de bouwvakkers kwalijk, die jongens moeten ook maar opdrachten uitvoeren. Maar de Nederlandse bouwindustrie is een prutsindustrie geworden. Er wordt niet meer met zorg en aandacht gebouwd, en dat komt natuurlijk ook doordat de projectontwikkelaars het in dit land voor het zeggen hebben. Die kijken alleen naar het geld, die sluiten de deals. En vroeger hield de overheid ook veel strenger toezicht op de bouw.”

Een bijkomend effect is volgens de architect dat het evenwicht tussen bouwkosten en kwaliteit zoek is geraakt en er ook steeds minder besef is van wat gebouwen waard zijn. „Volgens mij is dat ook de kern van de kredietcrisis in Amerika. Mensen hebben zich veel te dure huizen laten aanpraten die nu verkocht moeten worden. Maar de oorspronkelijke koopsom blijkt in geen enkele relatie meer te staan met de werkelijke waarde.”

De architect heeft meer concessies moeten doen. Het ’geniale idee’ om de nieuwe entree ondergronds aan te leggen onder het voorplein, vond de gemeente te duur. Het plein is nu voor een deel afgegraven, zodat de bezoekers langzaam afdalen naar de ingang. De oude entree is verbouwd tot een foyer, die vernoemd is naar de vorig jaar overleden theatermaker Jos Brink die in de jaren zeventig en tachtig bijna al zijn stukken in deze schouwburg in première liet gaan.

Over de grote zaal met kroonluchter is de architect tevreden. Het bruin op de muren is vervangen door rood en goud, de ornamenten rond het toneel zijn terug, het plafond is gerestaureerd en de toneelopening vergroot. De bezoekers hebben meer beenruimte, maar dat betekende wel dat het aantal stoelen met 100 is teruggebracht tot 658. Met kritische blik inspecteert Van Egeraat de zaal en ziet tot zijn ergernis toch nog de nodige schoonheidsfoutjes, onder andere slordig ingedraaide schroeven. „Het lijkt wel of die mensen geen liefde meer voor hun vak hebben.”

De aangrenzende Spiegelfoyer is eveneens in oude luister hersteld en is daarmee samen met het auditorium van grote betekenis geworden.

Ontwerpbureau Thonik bedacht de nieuwe huisstijl, geïnspireerd door de architectuur. Het mozaïektegelwerk in de Jos Brinkfoyer was de basis voor de ontwerpen voor de affiches, het logo en het programmaboekje. Alexander van Slobbe ontwierp de nieuwe kleding voor het personeel. De lila uitrusting voor de vrouwen is een duidelijke knipoog naar de kleuren die Van Egeraat koos voor het interieur: roze, lila, paars en dieprood.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden