Blijven steken in de sfeer van tempo doeloe

Nederland 'viert' dat de VOC, de Verenigde Oost-Indische Compagnie, 400 jaar geleden werd opgericht. Maar het woord "herdenken" is beter op zijn plaats. Er valt immers niet zoveel te vieren. Gesprekken over zwarte bladzijden uit de Nederlandse geschiedenis.

'Nederland is een roofstaat'', zegt Peter Schumacher. En met een grimas laat hij erop volgen: ,,Nog steeds''. De oud-journalist citeert Multatuli, die anderhalve eeuw geleden de wandaden van de Verenigde Oost-Indische Compagnie aan de kaak stelde, en vindt dat er sinds de tijd van de VOC weinig veranderd is.

Vierhonderd jaar geleden, op 20 maart 1602, werd de Compagnie opgericht en dat zullen we dit jaar weten. De waslijst van symposia, tentoonstellingen, nieuwe uitgaven en festiviteiten is overstelpend lang. Op de website van de stichting 'Viering 400 jaar VOC' wappert de Nederlandse driekleur weer vrolijk boven de wereldzeeën. En de gedachte 'Daar werd iets groots verricht' (van Jan Pieterszoon Coen) klinkt door het hele feestprogramma heen.

Bij het woord 'viering' reageren Schumacher en zijn maat Huib Deetman in de redactie van het internetmagazine Blimbing, als door een wesp gestoken. Deetman - hij noemt zichzelf een 'echte indo', geboren op Oost-Java als kind van een PTT'er en in de jaren vijftig voor studie naar Nederland gekomen - trekt er in zijn elektronische tijdschrift heftig tegen van leer. Hij spreekt er schande van dat er feest gevierd wordt 'over de ruggen' van de oorspronkelijke bevolking van Indonesië.

,,Herdenken is prima. Maar als dat gebeurt vanuit de filosofie dat er met de VOC iets groots verricht is, vraag ik me afe ten koste van wat? Ik eis helemaal geen monument voor de slachtoffers van de VOC; dat vind ik onzin. Maar je kunt toch geen feestje bouwen, als je terugdenkt aan de aaneenschakeling van moordpartijen en onderdrukking die in naam van de VOC is uitgevoerd en die gesanctioneerd is door de Nederlandse koopmansgeest?''

Bij de presentatie van het nationale comité dat het VOC-jubileum coördineert, is volgens de Blimbing-redactie geen oog geweest voor de schaduwzijde van de Compagnie. Deetman, inmiddels gepensioneerd bibliotheekdocent, zag hetzelfde eenzijdige beeld van de VOC als hij in zijn Indische jeugd heeft meegekregen. ,,Wij zijn via de schoolboeken opgevoed met een verheerlijking van de Indische geschiedenis. Jan Pieterszoon Coen, dat was een held. Dat er in zijn tijd veel Indiërs zijn uitgeroeid, is ons nooit verteld. Dat heb ik pas veel later gelezen.''

Hij gruwt van het programma en sneert over een 'kostenverslindende zeiltocht van het replicaschip Duyfken van Australië naar Nederland, symposia op universiteiten en concerten met muziek van Sweelinck, blaaspoepers en shantykoren'. Bij de eerste aanblik zag hij geen enkele spreker of muziekgroep uit zijn geboorteland, wel louter lezingen over de krijgshaftigheden van Nederland. ,,Daarom geven wij een tegengeluid tegen die bombarie'', zegt Schumacher. Hij werd geboren op West-Java in een 'typisch koloniaal nest', kwam op zijn zestiende naar Nederland en moet voor zijn 'Indische' bloed een paar generaties terug. ,,Maar we hebben dezelfde wortels'', vergoeilijkt Deetman.

Schumacher: ,,Wij overdrijven, net als Multatuli met zijn kwalificatie van Nederland als roofstaat. Als hij een genuanceerd boek over de rol van Nederland in Indië had geschreven, had hij nooit wat bereikt. Je moet soms overdrijven om de aandacht te trekken. De VOC heeft natuurlijk voor enorme welvaart gezorgd, maar dat is wel bekeken door een Nederlandse bril. In feite ging de VOC uitsluitend op roof uit en was er weinig oog voor de bevolking. Het enige wat telde, was dat ze aan handelswaar kwam - als het niet goedschiks kon, dan maar kwaadschiks.''

Het kritische geluid van Blimbing (een naam van een Indische vrucht die beurteling zoet en zuur smaakt) past volgens Schumacher en Deetman niet bij de mythe die de eerste en tweede generatie van Indië instandhoudt. ,,Men blijft maar hangen in het sfeertje van tempo doeloe. Daar is niks mis mee. Ook wij zijn in Indië geboren en hebben daar prachtige jeugdherinneringen aan. Maar het begint ons te vervelen dat veel oud-Indiëgasten blijven steken in de verhalen over dat goeie oude Indië, terwijl ze geen oog willen hebben voor de negatieve kanten.''

Schumacher pleit voor meer onderzoek naar de zwarte bladzijden van het VOC-verleden. ,,Maar misschien moet je daarvoor naar het buitenland. De beste boeken over de dekolonisatie van Indië zijn immers geschreven door Amerikanen en Engelsen. Die worden niet geremd door gevoeligheden, zoals die nog bij oude Indiërs of militairen leven. Er is nog steeds een generatie die het gevoel heeft dat Indië hen is afgepikt. Die wil dat mooie beeld vasthouden. Daar past de VOC ook in.''

Maar er zijn toch geen veteranen meer uit de tijd van de VOC? ,,Daarom is het ook zo vreemd dat er zo weinig aandacht is voor gebeurtenissen als de Bandamoord van 1621, toen Coen een expeditie naar het eiland Longor stuurde en duizenden mensen uitmoordde of naar Batavia deporteerde. Wie heeft gehoord van dat verhaal? Of van de Chinezenmoorden of de slavernij op de Molukken?''

Herman Keppy, eindredacteur van het Molukse blad Marinjo, vindt de VOC-'viering' een belediging voor alle volkeren die door de Compagnie zijn 'geraakt'. In zijn tijdschrift riep hij Ambonezen onlangs op niet mee te doen aan de festiviteiten, uit piëteit en liefde jegens mojangs (voorouders). ,,Laat onze ziel hun nagedachtenis bewenen'', luidt zijn appèl. Hij herinnert eraan dat de Molukken ooit een rijke specerijenarchipel was, een parel aan de kroon van Nederland, maar door de beruchte 'hongitochten' van diezelfde Nederlanders van hun bomen zijn beroofd en tot armoede zijn vervallen.

Mensonterend noemt Keppy de handelwijze van de VOC en gaf voorbeelden van Molukse nederzettingen waar de bevolking op bevel van hogerhand werd uitgemoord of als slaaf buitgemaakt. Met instemming citeert hij de woorden van gouverneur-generaal Laurens Reaal in 1619 dat 'Holland' voortaan bekend zal staan als het wreedste land in de wereld. Zelfs als alsnog de schaduwzijden van de Nederlandse aanwezigheid worden belicht, zal dat volgens Keppy een te rooskleurig beeld blijven. De keerzijde van de medaille wordt geminimaliseerd, meent hij.

Wim Manuhutu, directeur van Moluks Historisch Museum in Utrecht, heeft geen behoefte om het jubileum van de VOC te negeren. ,,Ontegenzeglijk heeft de VOC bloed aan de handen gehad. Maar het is ook weer te simpel om te zeggen dat Nederland op de Molukken een soort paradijselijke situatie heeft verstoord. De VOC is daar destijds met open armen ontvangen, omdat men daar voordeel van verwachtte. Je kunt niet beweren dat de VOC alleen slecht deed. Vanuit de Amsterdamse Kamer van de Compagnie is bijvoorbeeld altijd benadrukt om overzee geen oorlogen te voeren. Dat was weliswaar niet uit vredelievendheid, maar omdat oorlog geld kostte. Het waren vooral lokale bestuurders als Jan Pieterszoon Coen die nogal rigoureus te werk gingen; daar werd binnen de VOC ook tegenaan gehikt.''

Manuhutu wil dit jaar vooral gebruiken om de geschiedenis van de Molukken beter voor het voetlicht te brengen. Zo brengt het museum een heruitgave van de verhandeling die de Duitse botanicus en koopman Rumphius in de zeventiende eeuw over de eilanden schreef, en komt er een boek over de situatie op Ambon bij aankomst van de VOC. Manuhutu weet dat veel Molukkers hem te genuanceerd vinden. ,,Die hebben zoiets van: 'Met historie win je geen oorlog.' Maar het is voor mij te gemakkelijk om in zwart-witpatronen te denken. De VOC was niet alléén maar slecht. De moordpartij op Banda was fout, dat is zo simpel als wat. Maar bedenk ook dat de VOC een vaste prijs voor kruidnagelen aanhield op het moment dat de kruiden sterk in waarde waren gedaald. De VOC was geen liefdewerk, maar een handelsonderneming.''

Gert Oostindie, directeur van het Koninklijk Instituut voor Land-, Taal- en Volkenkunde in Leiden (KILTV), vindt dat het verhaal over de Compagnie pas compleet is, wanneer ook de slavernij en andere kwalijke kanten worden belicht. Op de website die zijn instituut heeft gemaakt voor de stichting 'Viering 400 jaar VOC', gebeurt dat ook. ,,Anno 2002 kun je daar niet meer omheen'', zegt de hoogleraar.

,,Je moet alleen wel een evenwichtig beeld geven. De rol van Nederland als slavenhandelaar in de West is duidelijk. Maar voor de Oost ligt dat anders. In Japan heeft men niet van die hard feelings, terwijl de VOC in Indonesië en Zuid-Afrika heel stout heeft gehandeld - dat is gewoon waar. In Batavia was een kwart van de bevolking slaaf van de Compagnie. Daar moet je niet omheen draaien, maar het gewoon aan de orde stellen. En dan zou ik het woord 'viering' niet gebruiken. Het klinkt wel aardig in het kader van de Holland Promotion. Maar de ambassadeur van Indonesië, die bij de politionele acties van Nederland in zijn land familieleden heeft verloren, zal zich terecht afvragen waarom wij praten over een feest. We weten toch allemaal dat de groei van de VOC het begin was van een bloedige kolonisatie. Die gevoeligheid moet je hebben bij een nationaal programma, al was het maar om diplomatieke redenen. Ik vind niet dat we ons hoeven te schamen of te verontschuldigen voor de praktijken van de VOC, dat klinkt weer zo politiek correct. De rest van de westerse wereld deed er net zo hard aan mee.''

Het instituut van Oostindie organiseert 18 april een debat over de schaduwkant van de VOC in de Amsterdamse Balie. Aan de Leidse universiteit is tot juni een studium generale aan de gang met lezingen over verschillende aspecten van de Compagnie. En 20 maart, de oprichtingsdag van de VOC, houdt Leonard Brussé in de Ridderzaal een historische rede waarin hij evenmin de kritische noten schuwt.

,,In de VOC-tijd zijn de meest vreselijke moordpartijen aangericht'', zegt de bijzonder hoogleraar in de Europees-Aziatische betrekkingen in Leiden. ,,Maar over de VOC mogen we ook hele andere dingen vertellen. Net zo goed als we bijvoorbeeld bij de herdenking van honderd jaar auto ook niet alleen praten over de 'grootste moordenaar in de geschiedenis van Nederland'. Ons moderne zakenleven gaat terug op die naamloze vennootschap, alle problemen die we hebben met good governance (goed bestuur), had de VOC ook.''

In zijn inaugurale rede in 1999 wees Brussé erop dat er inmiddels wel diverse publicaties zijn verschenen over het gebruik van geweld door Europeanen in Azië, maar over de westerse diplomatieke activiteiten bestaat zo'n studie niet. In het archief van de VOC zit daarover materieel genoeg. Volgens Brussé hadden de Nederlanders de reputatie dat ze liever iets met zachte hand wilden bereiken dan met de botte bijl, terwijl Engelsen daarentegen meteen hun toevlucht namen tot geweld. ,,Nederlandse kooplieden leerden zich al snel schikken naar de zeden en gewoonten van de pluriforme Aziatische samenleving. De dienaren van de Compagnie haalden allerlei capriolen uit, waartoe men ze in Europa nog met geen stok had kunnen bewegen.''

Zo zagen zij er geen been in om zich bijvoorbeeld in China en Japan over te geven aan de kowtow: daarbij moesten ze op hun knieën zitten en hun hoofd voorover tegen de grond slaan. Of ze dienden aan het hof van Siam op hun zij op de grond te gaan liggen en met krabachtige bewegingen over de vloer te bewegen. Toen de gezant van de VOC zich bij de koning van Kandy op Ceylon vervoegde om over verbetering in de gespannen verhouding te praten, moest hij voor de vorst knielen met een schotel en de brief op zijn hoofd. En hij deed wat hem gevraagd werd, dertien keer achter elkaar.

De bruutheden die onder de vlag van de VOC werden gepleegd, werden volgens Brussé ook zeker niet door de Heren Zeventien toegejuicht. Hij geeft als voorbeeld het eiland Lamey bij Formosa. Twee keer achter elkaar was daar een schip van de VOC geland en hadden de eilanders de bemanning omgebracht en opgegeten. Bij de strafexpeditie die daarop volgde, werd het eiland uitgerookt en de bevolking vermoord. Het was een soort Tora Bora. Achteraf hebben de Heren Zeventien een oekaze uitgevaardigd dat dergelijke strafmaatregelen in de toekomst met deze 'onnozele zielen' niet meer mochten voorkomen. Dat was voor die tijd een ongelooflijk moderne discussie.''

Ondanks de brede kritiek blijft de website van het nationale comité spreken over een viering van 400 jaar VOC, al geeft voorzitter E. Hessing in een reactie in Blimbing aan dat het programma naast aandacht voor de economische en culturele betekenis van de VOC inmiddels ook ruimte geeft aan bezinning over de schaduwzijden ervan. Voor Multatuli's geestverwanten Deetman, Schumacher en Keppy is dat een kleine genoegdoening, al staat hun symposium 'Wat valt er te vieren?' (13 april, Odeontheater, Amsterdam) nog niet op de landelijke activiteitenkalender.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden