Blijft Wentsel bij zijn uitspraken over de holocaust?

Dr. B. Wentsel, gereformeerd predikant te Den Haag, heeft zijn boekenserie over dogmatiek voltooid. “Een curieuze onderneming”, schreef redacteur Agnes Amelink op de kerkpagina van maandag 17 augustus. “Het eerste deel, uitgekomen in 1981, telde al 419 bladzijden, en naarmate de arbeid vorderde werden de boeken dikker.” De laatste delen van het werk worden op 4 september gepresenteerd tijdens een studiedag aan de theologische universiteit te Kampen.

Ik wil het feest van ds Wentsel op 4 september ter gelegenheid van de voltooiing van zijn werk niet verstoren, maar ik wil wel weten of Wentsel nog steeds dezelfde mening als dertien jaar geleden heeft over de holocaust als straf voor Israëls ongeloof en onbekeerlijkheid.

Wat is de kwestie? Wentsel was ruim dertien jaar geleden het middelpunt van een heftige discussie, omdat hij bij een lezing tijdens de zomerconferentie van de Reformatorische Studentenvereniging CSFR te Amerongen een beetje vooruit liep op een deel van zijn dogmatiek.

Kern van zijn betoog was in feite, dat de joden tijdens de Endlösung der Judenfrage gestraft waren voor hun zonden en onbekeerlijkheid. In die lezing, en ik volg nu het verslag dat indertijd verscheen in het dagblad Het Binnenhof van 5 juli 1985, zei Wentsel “dat de geschiedenis van Israël laat zien, dat het gestraft wordt voor haar zonden in de holocaust”. En verder: “Uit de geschiedenis is volgens ds Wentsel te lezen dat God alle zonden bestraft, niet altijd met een pedagogische reden maar ook als een executie. Dat is te zien in de zondvloed, dat is te zien in de dood van Anasias en Saffira en dat blijkt ook uit de vernietiging van de joden in de concentratiekampen. God straft het volk Israël door zijn vijanden, de Hitlertroepen. (...) Daar hou ik aan vast”.

Daarna ontstond een discussie, waaruit bleek dat velen - en niet de minsten - ontsteld waren over de benadering van joden en jodendom door ds Wentsel, een benadering die hij dan toch maar zou gaan publiceren in zijn dogmatiek.

Op 2 augustus 1985, een paar dagen later dus, maakte ds Wentsel, eveneens in Het Binnenhof, het nog een beetje erger. Hij verklaarde dat hij niemand had willen kwetsen. Hij distantieerde zich van hen, die “de holocaust zonder meer straf noemen”. Zonder meer, dus wel een beetje straf. Toen was het genoeg. Het Deputaatschap voor Kerk en Israël van de Gereformeerde kerken riepen ds Wentsel tot de orde, omdat hij “met zijn uitlatingen grote schade had berokkend aan de joods-christelijke betrekkingen”. Het Deputaatschap riep de Haagse predikant op “zijn opvatting als zou de uitroeiing van zes miljoen joden in de tweede wereldoorlog een straf vn God zijn, te herzien”. In een commentaar schreef Het Binnenhof dat duidelijk was geworden dat ds Wentsel wel van de joden hield, maar dat hij hun religie haat. Immers, ze moeten wel christenen worden. Zijn opvatting werd buitengewoon bizar en onwaarachtig genoemd.

In HN Magazine van 2 augustus 1985 noemde Sytze Faber, oud-CDA-kamerlid en nu nog burgemeester van Hoogeveen, de zienswijze van ds Wentsel een vorm van 'verziekte theologie, waarbij ds Wentsel wandelt op een verderfelijk pad'. Op de Podiumpagina van deze krant hield ds J. van Hattum op 1 augustus 1985 een betoog waarin hij ds Wentsel verweet “over de joden te spreken als over een onderwerp, hoewel hij het zou moeten doen als over de slachtoffers van vele mensen”. Hij noemt zijn manier van theologiseren mensbedreigend. De kop boven die bijdrage was duidelijk: 'Joden weer besmeurd met schuld aan Godsmoord'.

Prof. dr. Hans Jansen, hervormd predikant en hoogleraar te Brussel aan de protestantse faculteit, alsmede schrijver van het standaardwerk Theologie na Auschwitz verklaarde naar aanleiding van de uitlatingen en de opvatting van ds Wentsel: “Ze vormen in de kern het klassieke antwoord zoals dat eeuwenlang door de anti-judaïstische theologie is geformuleerd aan het adres van het jodendom”. Marcel Poorthuis, studie-secretaris van de Katholieke Raad voor Israël zei in het dagblad Het Binnenhof: “Dit is verziekte theologie. Pervers”.

De commotie was nogal groot, mag men wel zeggen en dus overwogen de Anne Frank Stichting en de Siba, Stichting ter bestrijding van anti-semitisme, een klacht in te dienen bij de officier van Justitie. Dat is ook gebeurd, maar de officier van justitie heeft aan het verzoek om een onderzoek in te stellen, voor zover ik weet, geen gevolg gegeven. Dat vond ik toen wel jammer.

Maar, om welke tekst in de te publiceren dogmatiek ging het toen? Ik citeer nu uit een concept-tekst, die ds Wentsel mij naar aanleiding van het rumoer in die dagen toezond. Men oordele zelf.

Het citaat luidt: “Aangezien Israël ook na de enting van de gojim op de edele olijf, R. 11:23-24, het volk van de Verbonden, de Wetgeving, de Eredienst en de Beloften is gebleven, R 9:4-5, moet haar geschiedenis in de Diaspora na de val van Jeruzalem tot en met de stichting van de staat Israël geïnterpreteerd worden als de geschiedenis van de verbondszegen en verbondsvloek. Het aangrijpende lijden van dit volk onder het moordzuchtige regime van het racistisch nationaal-socialisme is de executie van het straffend oordeel van Jahweh vanwege haar ongehoorzaamheid en ongeloof”. Waarna nog volgt dat ook de nationaal-socialisten strafbaar zijn, omdat zij zich aan Gods volk hebben vergrepen.

Ik wil graag weten of deze tekst is gehandhaafd. Voorts zou ik het op prijs stellen als de discussianten tijdens de presentatie van de dogmatiek ook over deze episode bij het schrijven van de dogmatiek hun licht laten schijnen. Voor de joods-christelijke verhoudingen in de toekomst is dat wel zo duidelijk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden