Black Monday

(\N) Beeld
(\N)

Op 29 september 2008 is er volgens historicus Frank Ankersmit een einde gekomen aan een periode die begon met de val van de Muur in 1989. Toen is het Westen zijn eigen anti-Sovjet propaganda over de zegeningen van de vrije markt ineens geweldig serieus gaan nemen. Met alle gevolgen van dien.

Afgelopen maandag beleefde Wall Street de grootste koersval op één dag sinds 1987, toen er al snel gesproken werd van een Zwarte Maandag. En ook nu wordt deze 29ste september 2008 al Black Monday genoemd.

Beide verwijzen naar die andere dramatische koersval van 29 oktober 1929. Deze staat nog steeds bekend als Black Tuesday. Toen zakten op de New Yorkse aandelenbeurs de koersen met twaalf procent, nadat de donderdag ervoor al dertien procent verloren was gegaan. Vanaf dat moment raakte de beurs in een vrije val en dat zou zo doorgaan tot juli 1932, toen de Dow Jones nog maar 41,2 punten telde; een fractie van de 381,1 punten die de koersen op hun hoogtepunt, dus vóór oktober 1929, bereikten. Het zou nog tot 1954 duren voordat de beurs dit niveau weer bereikte. Black Tuesday staat daarom doorgaans voor het punt waar de Roaring Twenties eindigden en waar de Great Depression begon.

Zal deze Zwarte Maandag de geschiedenis ingaan als onze Black Tuesday? Staat ons weer een lange tijd van economische recessie te wachten, jaren van armoede, moedeloosheid en wanhoop? Destijds wierp de depressie de massa’s in de handen van Hitler en andere politieke schurken. Van daaruit loopt een directe lijn naar de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust.

„The party is over”, verklaarde Nancy Pelosi, voorzitter van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, afgelopen maandag. Zij wilde daarmee duidelijk maken dat een periode ten einde kwam en er een nieuw tijdperk is aangebroken: van economische tegenspoed die ook politiek hoogst ongewis zal zijn.

Hoe valt de vergelijking uit tussen oktober 1929 en september 2008? Op het eerste gezicht niet ongunstig. De koersval in 1929 was groter dan op dit moment het geval is – hoewel je niet weet wat er nog te gebeuren staat. Verder zijn de lessen van 1929 door velen uitvoerig bestudeerd. En terwijl toen de crisis werd verergerd doordat men banken rustig failliet liet gaan en zo de toegang tot krediet nog verder bemoeilijkte, daar doet men nu juist het uiterste om belangrijke banken overeind te houden, en om via de centrale banken zoveel mogelijk geld in het financiële systeem te pompen. Historia magistra vitae, nietwaar?

Maar het is natuurlijk de vraag of dat zal lukken. Volgens sommige waarnemers staat een aantal grote Europese banken er nog heel wat slechter voor dan al die omgevallen Amerikaanse banken zoals Merrill-Lynch, Lehman Brothers of Washington Mutual. En wanneer er een run komt op die Europese banken als UBS, Barclays of de Deutsche Bank, dan zal niemand ze kunnen redden – hoe graag de Zwitsers, de Engelsen, de Duitsers en de Europese Centrale Bank dat ook zouden willen. Ze zijn, zoals dat heet, too big to fail, maar ook too big to save. Dat kunnen onze overheden, ander dan de Verenigde Staten, gewoon niet aan. Met de redding zou meer geld gemoeid zijn dan de Zwitsers, Engelsen en Duitsers überhaupt kunnen opbrengen. Er zou dan meer in een zwart gat verdwijnen dan de Engelsen en de Duitsers in een heel jaar met elkaar verdienen. De situatie van oktober 1929 lijkt comfortabel en overzichtelijk in vergelijking met wat ons in dat geval te wachten staat. Geld pompen in het financiële systeem is dan te vergelijken met het oppompen van een lekke fietsband. Een gierende inflatie is het enige gevolg.

Nu bestaat er een mooi Oudnederlands versje en dat gaat als volgt:

De mensheid lijdt het meest

Door het lijden wat zij vreest

En dat nimmer op komt dagen

Zodat zij meer te lijden heeft

Dan God te dragen geeft.

Zo is het ook hier. Je kunt je ernstig zorgen maken over de grote Europese banken die het zelfs nog bruiner bakten dan Amerikaanse banken en die er geen been in zagen om iedere euro van een spaarder maar liefst vijftig maal uit te lenen. Maar het zou natuurlijk kunnen dat dit dankzij Trichet, de president van de Europese Centrale Bank, en minister Bos en zijn Europese collega’s, toch een kwade droom blijft. Waardoor wij ons over een maand of vier, vijf verbaasd zullen afvragen waarover we ons in september 2008 toch in hemelsnaam zulke verschrikkelijke zorgen maakten.

Maar zelfs áls het zo zal gaan, dan zal de wereld niet meer dezelfde zijn.

Zelfs als zich geen drama’s afspelen, zelfs als de beurskoersen zich herstellen tot het niveau van deze zomer (of daarboven) en zelfs als de nu zo kwetsbaar ogende banken keurig overeind blijven staan, zelfs als we ons geen zorgen hoeven te maken over instortende hedgefondsen, credit default swaps of insolvente pensioenfondsen – zelfs dan is er afgelopen maandag geschiedenis geschreven.

Zo gaat het vaker. Neem 476 als de waterscheiding tussen de Oudheid en de Middeleeuwen, of 1492 als de waterscheiding tussen de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Dat zijn heel nuttige grensafbakeningen. Historici werken er nog steeds mee. Maar noch de gebeurtenissen van 476, noch die van 1492 werden destijds als van groot belang ervaren.

In 476 zette een Germaans vorst in Italië, Odoacer genaamd, de toenmalige Romeinse keizer Romulus Augustulus af, zonder een opvolger te benoemen. Deze keizer was een knappe jongeman, die de rest van zijn leven zou slijten in een fraaie, comfortabele villa, even buiten Rome. Dat leek in het geheel geen dramatische gebeurtenis, althans, niemand in die tijd nam er veel notitie van.

Dat was nog sterker het geval in 1492. Toen ontdekte Columbus de nieuwe wereld. Waren er toen kranten geweest, dan had het nieuws nog niet de achterpagina gehaald.

Grote gebeurtenissen herken je vaak pas achteraf. Pas later bleek dat niemand na 476 meer behoefte had aan Romeinse keizers en dat er in dat jaar aan een meer dan duizendjarige periode een einde was gekomen. En pas in de loop van de 16de en 17de eeuw werd duidelijk dat de ontdekking van Columbus grote consequenties zou hebben voor zowel de Oude als de Nieuwe Wereld – waardoor 1492 inderdaad een waterscheiding bleek te zijn tussen de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd.

Zo is het ook met september 2008, denk ik. Het zou mij niet verbazen als over een paar maanden de rust zou zijn teruggekeerd en dat alles weer schijnt te zijn wie es früher einmal war, zoals ze dat in Wenen zeggen, waar ze weinig op hebben met verandering. Maar net als in 476 en 1492 is er in september 2008 wel degelijk iets tot een einde gekomen. Waardoor we ons vanaf nu op onbekend terrein wagen.

September 2008 is in wezen het einde van het westerse overwinningsfeestje van 1989. Een dikke veertig jaar lang stonden het West– en Oostblok tegenover elkaar. Dat betrof niet alleen twee verschillende politieke ideologieën, maar ook de vraag wie de baas zou zijn in de wereld. Die strijd werd door het Westen in 1989 gewonnen. Er heerste grote vreugde in het Westen, en het vertrouwen in het eigen systeem groeide. Het Westen vierde zijn overwinning onder leiding van de Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama, die ’het einde van de geschiedenis’ aankondigde, waarmee hij doelde op het einde van de grote ideologieën door het zegevieren van de westerse, liberale democratie.

De Amerikanen legden aan iedereen uit hoe dat systeem precies in elkaar stak. Het betrof hier vooral de neoliberale consensus die toen in Washington heerste. Het neoliberalisme was niet iets waar erg diep en grondig over nagedacht was en waaraan je de namen van gezaghebbende politieke filosofen zou kunnen verbinden. Dat was de bedoeling ook helemaal niet. Het neoliberalisme was vooral een wapen geweest in de ideologische strijd tegen het Oostblok. En dan heb je geen verschrikkelijk diepzinnige theorieën nodig – liever niet zelfs – maar alleen een politieke reclamefolder om medestanders te winnen voor je eigen politieke strijd.

Welnu, daar ligt de kern van het probleem dat zich de afgelopen week openbaarde. Toen het Westen in 1989, geheel onverwacht en onvoorzien, de politieke strijd won van het Sovjetblok, is het Westen zijn eigen anti-Sovjetpropaganda ineens geweldig serieus gaan nemen. In naam van die propaganda was immers de strijd met het Sovjetblok gewonnen. En velen – vooral in de VS – leidden daar abusievelijk uit af dat er dan misschien toch meer in die anti-Russische propaganda zat dan ze dachten.

Dat is, om het in één zin samen te vatten het grote probleem sinds 1989: het Westen begon zijn eigen propagandistische oppervlakkigheden voor diepe wijsheid te houden. Propaganda werd tot politieke metafysica verheven.

Het is alsof een bierbrouwer die ’Heerlijk, helder, Heineken’ roept, ineens gaat geloven dat hij inderdaad het heerlijkste, helderste bier brouwt dat sinds de dagen van Adam is gefabriceerd. Terwijl juist iemand als Freddy Heineken heel goed wist dat je als bierbrouwer zulke dingen nooit zelf moet gaan geloven, als je tenminste je concurrentie voor wilt blijven.

Het resultaat was dat het Westen na 1989 de toekomst inging met een reclameboodschap over zichzelf. Het geloofde niet alleen in die reclameboodschap, het verhief die tot een soort van nieuwe politieke metafysica. Iets waar reclameboodschappen uiteraard helemaal niet voor bedoeld zijn.

Kern van deze boodschap was een heel primitieve opvatting over hoe westerse democratieën en westerse economische systemen functioneren. Dat is al een complexe thematiek, omdat het ene westerse land het andere niet is. Er bestaat bijvoorbeeld een behoorlijk verschil tussen Angelsaksische democratieën en de democratieën op het West-Europese continent. De Fransman Michel Albert heeft in zijn boek ’Capitalisme contre Capitalisme’ (1991) heel mooi uiteengezet hoe groot die verschillen eigenlijk zijn. Hij zag daarin zelfs de aanleiding voor een wereldwijde concurrentiestrijd tussen de Angelsaksische en de andere West-Europese democratieën. Dat is misschien een beetje overdreven. Maar het laat zien wat een verschrikkelijke versimpeling het geloof in die westerse reclameboodschap met zich meebracht. Een boodschap die het evangelie zou blijken te zijn voor de regering-Bush.

Kern daarvan was het dogma dat de markt altijd gelijk heeft en dat het geloof in de markt ons zal behouden. Maar zoals het christendom weliswaar de liefde predikte, en onder bepaalde omstandigheden gaarne de liefde voor het zwaard verruilde – zo is het ook hier. Velen wezen er de laatste dagen al op dat geen regering antiliberaler en etatistischer – dat wil zeggen: uitgaande van een sturende overheid – optrad dan de normaal gesproken zo liberale en anti-etatistische regering-Bush. Zelfs de verspreiders van dit westerse evangelie weten dus best wanneer het beter is om hier even vanaf te stappen. Zij weten dat het in feite om een reclameboodschap gaat, meer niet.

Inderdaad, de markt heeft lang niet altijd gelijk. Het is ook niet moeilijk om in te zien wat er mis is met dat malle vertrouwen in de markt.

Dat vertrouwen komt voort uit de overtuiging dat als iedereen doet wat in zijn eigen belang is – zo is het inderdaad op de markt – je daarmee ook ieders, en zelfs het algemeen belang het beste dient. En die overtuiging berust op de aanname van een vooronderstelde harmonie tussen de belangen van alle mensen in een samenleving. Je hoeft het maar zo te verwoorden om je te realiseren dat dat uiteraard volstrekte nonsens is.

Zeker, soms kunnen belangen overeenstemmen op een manier die niemand verwacht en die bepaald verrassend zijn. Zie Adam Smith met zijn stelling van de ’onzichtbare hand’ die ervoor zorgt dat het egoïsme van de bakker en dat van zijn klanten mooi parallel lopen.

Helaas, dit is eerder uitzondering dan regel. Doorgaans geeft de samenleving een belangenstrijd te zien, doorgaans doet iedere groep er goed aan te kijken waar zijn eigen belangen strijdig zijn met die van andere groepen. Om vervolgens te proberen om tot een compromis te komen waarmee iedereen nog kan leven. Daar hebben we de politiek en de staat voor. En de economie kan politiek en staat nooit vervangen.

Het idee, kortom, dat tussen alle belangen een soort van leibniziaanse harmonie préétablie zou bestaan is onzinnig en in strijd met de elementairste inzichten in het functioneren van de menselijke samenleving. Dat soort flauwekul kun je inderdaad verkopen als je reclame maakt voor je eigen samenleving – zoals het geval was in de jaren voor 1989. Maar wie echt in zijn eigen reclame begint te geloven staat een nare verrassing te wachten.

Wat dat betreft moeten we eigenlijk heel blij zijn met Zwarte Maandag. We zijn er nu achter dat we de afgelopen tien tot vijftien jaar leefden in een politiek en economisch systeem dat zijn basis had in weinig meer dan een slogan, een reclamekreet. En daarop mogen onze ingewikkelde samenlevingen aan het begin van de 21ste eeuw niet gebaseerd zijn. Het is daarom maar goed dat de banken elkaar op dit moment niet meer vertrouwen, dat de beurzen instorten en dat onze regeringen zich wanhopig afvragen hoe het nu verder moet. Dat is een vraag die we ons allemaal moeten stellen. Van links naar rechts en omgekeerd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden