'Bizar dat de media steeds weer richting Friesland koersten'

De waarheid en niets dan de waarheid, ook over die vermaledijde politici en andere publieke functionarissen. Maar klopt het beeld wel dat de media van hen schetsen? Wat vindt het 'slachtoffer' er zelf van? Waar ergens loopt de grens tussen mythe en werkelijkheid? Vandaag Hans Wiegel (54), het boegbeeld van rechts Nederland in de jaren zeventig, fractievoorzitter van de VVD, vice-premier, commissaris van de koningin in Friesland en in eigen gelederen gedwarsboomd toen hij twee jaar geleden zijn terugkeer bepeinsde. Maar vooral toch: dat boegbeeld.

Twintig jaar later weet Hans Wiegel zich juist deze passage feilloos te herinneren, en bekent hij dat de journalist het destijds goed gezien had. En dat kan geen toeval heten, want Duyns had tijdens die verkiezingen de jeugdige VVD-coryfee gedurende een reeks bijeenkomsten op de voet gevolgd om daarover in de Haagse Post wekelijks uitvoerig verslag te kunnen doen. Dat leverde niet alleen een amusante reeks op, maar de journalist gunde de lezer bovendien een kijkje op Wiegel waarin hij voor de verandering eens niet verketterd werd als een 'rechtse bal', die samen met De Telegraaf het gezonde Volksempfinden aan het mobiliseren was tegen de noodzakelijk geachte veranderingen waar het meest progressieve kabinet aller tijden, dat van Den Uyl, voor tekende.

Maar Duyns was op De Telegraaf na zo ongeveer de enige journalist die bereid was Wiegel leuk en verfrissend te vinden en tot op zekere hoogte serieus te nemen. Hoe heeft Wiegel destijds zelf dit vijandelijke journalistieke spervuur doorstaan? De journalisten die hem wat beter kenden, wisten toen al dat hij dit tegenvuur vooral als een sportieve uitdaging zag, als een rol die hij met overtuiging speelde, maar waarover in Nieuwspoort en in de wandelgangen ook smakelijk gelachen kon worden. En twintig jaar later blijkt hij er geen draad anders over te denken: “Ach, het waren de tijden van het kabinet-Den Uyl. Dat was een polarisatie-kabinet. Niet alleen regeerde de PvdA, samen met de jongelui van D'66 en de PPR, maar ook de twee confessionele partijen KVP en ARP deden mee, ook al mochten ze, om met Wim Kan te spreken, nog niet eens de rails schoonmaken. Aanhangwagens waren het, meneer. Desondanks behoorde een vrij groot deel van het journalistieke volk toen tot de aanhangers van Den Uyl. Die stond tenminste voor progressieve veranderingen, waar ik geacht werd kanttekeningen bij te maken. Nou daarmee kreeg je dat beeld van de vaderlijke Den Uyl en daartegenover de jonge fractievoorzitter. Ik was toen amper dertig. Dat beeld werd ook ijverig aangeblazen door de Vereniging Arbeiders Radio Amateurs, met name het programma 'De Rooie Haan' deed zijn best. Tot twee keer toe werd ik uitgeroepen tot de slechtste politicus van het jaar en de trofee die daarbij behoorde kwam ik dan persoonlijk afhalen.”

En na zijn bekende bulderlach: “Men vond het misschien onder journalisten ook niet zo gepast dat zo'n jonge vent op zo'n toon tegen die zwoegende Den Uyl uitpakte. Hoewel ik toch af en toe ook buitengewoon vriendelijk was. Ik herinner mij hoe ik verschillende keren met name de ministers Van der Stoel en Duisenberg geprezen heb, zelfs zodanig dat zij me achter het gordijn bezworen: niet doen, prijs mij niet. Ha, ha, ha. Dan deed ik het dus juist wel, begrijp je.”

Hoe kreeg u zo snel in de gaten dat uw door de media verguisde boodschap desondanks de massa aansprak?

“Omdat ik het altijd heel prettig heb gevonden om met mensen te praten, of iemand nou hoog gezeten is in de maatschappij of niet, dat heeft me nooit iets uitgemaakt. Ik vind het leuk om naar mensen te luisteren, met mensen te praten, dan merk je ook de reactie op wat je zegt. Dat was hard nodig ook, want vroeger was de VVD toch vooral de partij niet van maar vooral vóór heel het volk met een achterban van 'eigengeërfde boeren', om met Van Riel te spreken. Artsen, notarissen en middenstanders. Ik heb er doelbewust aan gewerkt om die aanhang te verbreden.”

En dat deed u door, zoals minister Boersma ooit zei, een veenbrand aan te steken onder het draagvlak van de solidariteit?

“Ik zal het je erger vertellen. Van alle aanvallen die op mij zijn gedaan herinner ik me dat nog het meest. Boersma riep vanachter de regeringstafel: God verhoede dat u ooit hier achter de tafel komt. Dat was symbolisch voor hoe er door sommigen over mij werd gedacht. Zoiets las je in de Volkskrant en ook in Trouw. Maar mijn kiezers lazen de Volkskrant noch Trouw, de intellectuelen niet uitgezonderd. Die lazen wel De Telegraaf en die luisterden ook naar de Vara, meer nog dan naar de Avro misschien. Maar de journalisten waren op de hand van de PvdA, van Den Uyl, die zou de samenleving gaan veranderen en daar wilde 85, 95 procent van de journalisten bijhoren. Maar daar kan ik toch niets aan doen?”

Als vice-premier in het kabinet-Van Agt ging men ineens anders tegen u aankijken. Wiegel was ineens niet meer het snotaapje zoals Peter van Straaten hem steevast tekende.

“Dat klopt. VVD-senator Van Riel had het me al voorspeld. Een minister, een dienaar van de Kroon, daar wordt tegenop gekeken. Gelukkig maar, tenminste zolang je er de relativiteit van inziet. Als minister van binnenlandse zaken besloot ik daarom weer de gewoonte in ere te herstellen om na een ritje in de koets de zitting van de Staten-Generaal te sluiten. Geertsema had daarvan afgezien, omdat die niet over zijn buik kon kijken en dus het treetje niet kon zien waarmee hij uit moest stappen. Ik vond het prachtig dat te doen. Zwaaide ik vanachter dat raampje van de koets naar verbitterd kijkende PvdA-Kamerleden die mij met afgrijzen in die koets zagen zitten. Kamervoorzitter Vondeling behoorde tot een wat ander slag, die heeft mij nog een keer verwelkomd toen ik hijgend was uitgestapt. Die zei: Hans joh, ben jij vandaag met paard en wagen gekomen.”

Had u echt zo'n bijzonder contact met Van Agt of voerden de heren alleen maar een toneelstukje op? Per slot van rekening had u de fotograaf ook zelf besteld om het beroemde etentje in de Bistroquet voor de krant vast te kunnen leggen, waarmee de basis werd gelegd voor het kabinet-Van Agt, later Van Agt-Wiegel?

“Nee, het was echt. Het klikte meteen, hoewel ik hem nauwelijks kende en we karakterologisch helemaal niet op elkaar lijken. Wel was het zo dat Van Agt echt doodmoe was geworden van die vorige formatieperiode met Den Uyl. Misschien kwam het wel doordat ik niet zo moeilijk deed over de zetelverdeling. Daar had een totaal geschifte PvdA maanden over gesteggeld. Stel je voor. Toen dit punt in ons voorgesprek met informateur Van der Grinten aan de orde kwam, zei ik echter: daar hoeven we niet zolang over te praten. Hoezo? Hoezo? Gewoon, tien-zes zei ik. Willem van der Grinten draaide zijn sigarendoos om, maakte een rekensom en zei: dat is het precies. Waarop ik: dan spreken we dat gelijk af. Ja toch? Waarom zou je over dit soort eenvoudige zaken zo ingewikkeld doen? Nee, punt is dat PvdA bezeten was van getalsmatige macht, bezeten ook van angst voor de eigen achterban, de eigen partijraad. Dat is een redelijk gestoorde manier van politiek bedrijven.”

Was het echt geen doorgestoken kaart, zoals wel gesuggereerd is?

“Nee, het enige is dat ik na de verkiezingen in 1977 heb gezegd: we zeggen niks, maar we weten toch dat we samen 77 zetels hebben. Dat is meer dan 75. Voor het overige heb ik tijdens die lange formatie overwegend in mijn boerderij in het Friese Ee gezeten. Tot ik een keer een gesprek heb gehad met Duynstee, een vriend van Van Agt, die op zijn verzoek langs kwam in mijn huis te Amerongen. Maar dat was een week of twee, drie voordat we formeel aan tafel kwamen. Ik vond het hoogst apart, dat 'ie langskwam. Daar merkte ik wel aan dat er toch een gerede kans voor ons in zat. Maar dat kon je toen ook al in de krant lezen.”

In 1981 stapte Hans Wiegel uit de politiek. Er was een kabinet Van Agt-Den Uyl aangetreden en hij hield het voor gezien. Een vergissing, zoals de kranten schreven toen bleek dat het kabinet amper een jaar stand hield?

“Nee, ik wilde weg. Ik had vijftien jaar in de politiek gezeten en ook andere redenen om te zeggen: ik stap even opzij. Ik was er aan toe. Bovendien was mijn vrouw overleden. Maar los daarvan, anderhalf, twee jaar daarvoor was ik een keer uitgenodigd door de Friese commissaris Rijpstra. Die zei, ik hou er misschien vervroegd mee op. Is het niks voor jou? Ik kende Friesland al zo'n beetje. Ik had er thuis ook over gepraat, het speelde dus al in mijn hoofd en toen ineens ging hij ook weg en moest ik kiezen. Sommigen zeiden, je moet wachten tot Gelderland vrijkomt. Dat is een veel grotere provincie. Maar dat zegt me allemaal niks. Ik had een merkwaardige, gevoelsmatige binding met Friesland. Ook speelde mee dat ik ging hertrouwen en dat de kinderen klein waren. Ik dacht: jeetje, ik heb zo ongeveer alle politieke rollen gespeeld. Het is wel eens effe mooi. Ik was toen veertig. Ik had toen toch niet kunnen zeggen: ik blijf tot mijn vijfenzestigste.”

En dus kregen we een Wiegel die voortdurend op het punt leek te staan om terug te komen om de touwtjes bij de VVD in handen te nemen. Dat was toch geen vertoning?

“In de beeldvorming speelde dat zeker een rol. Maar ik heb dat niet of nauwelijks gestimuleerd. Als je dat zakelijk nakijkt, heb ik misschien één keer in de twee jaar publiekelijk wat gezegd. Overigens nooit op eigen houtje. Altijd op verzoek van enkele mensen die in de hoogste regionen van mijn partij zaten. Die zeiden dan: zeg eens wat, want het gaat verkeerd. Toen de VVD in 1988 veertig jaar bestond heb ik ook gesproken. En voor het overige vond ik het altijd hoogst apart als de media weer richting Friesland koersten. Heel bizar altijd.”

Tot Bolkestein de illusie van de grote terugkeer ruw verstoorde?

“Ruw? De manier van doen was niet fraai. In 1993 had ik er blijk van gegeven dat ik wellicht terug zou willen keren. Dat was toen ook een punt van discussie in de partij. Maar uiteindelijk heeft de partijtop toch gezegd: we kiezen Bolkestein als lijsttrekker, zonder eerst met mij te praten. Als men nu gewoon op mij afgestapt was en gezegd had: we vinden Bolkestein zo'n goede fractievoorzitter, hij doet het goed en wil graag lijsttrekker worden, wat vind je ervan? Dan had ik meteen gezegd: prima. Dat zou geen punt zijn geweest. Helaas bleken ze me toch onvoldoende te kennen.”

Zou Wiegel, het symbool van de polarisatie, ooit aan een paars kabinet hebben durven beginnen?

“Dat is een vergissing. Ik was één van de eersten die de polarisatie wilde doorbreken door een nationaal kabinet te bepleiten.”

Dat was een truc.

“Dat zegt u. Daar kan ik toch niks aan doen.”

De meest journalisten vonden dat.

“Nou, zeker een stuk of twee.”

Heeft de VVD, hebt u een bijzondere relatie met de Telegraaf?

“Nee. Vroeger was het nog wel zo, dat ik met Henri Goeman Borgesius twee keer per jaar in Dorrius lunchte. Gezellig roddelen over alles en iedereen. Daar kwam nooit iets van in de krant. Voor het overige geldt dat mijn relatie met Kees Lunshof van De Telegraaf niet specifieker is dan die met Jan Tromp van de Volkskrant. Ik heb ze zelfs alletwee met wat andere companen te gast gehad op het statenjacht, omdat ik het leuk vind met dat soort mensen te praten. Aardige, intelligente jongens.”

“Wel is het zo dat De Telegraaf altijd een speciale antenne heeft gehad voor wat er onder de gewone bevolking leeft. Eén van de lessen van Van Riel was ook altijd: lees De Telegraaf om te weten wat onze kiezers vinden en lees de Volkskrant om te weten wat onze tegenstanders vinden. Dat laatste hoef je nu niet meer te doen. Wel de Volkskrant lezen, maar eigenlijk zijn ze van ons geen tegenstander meer. Er is veel veranderd.”

Geen heimwee, omdat toen zowel in de krantenwereld als in de politiek de verschillen wat duidelijker waren?

“Niet echt. Wel vind ik dat de mensen wat te kiezen moeten hebben. Tegen de verkiezingen zullen de verschillen wel meer benadrukt worden. Dat hoort er toch bij. Lubbers heeft bewust of onbewust de behoefte gehad om de verschillen te verdoezelen. Zijn taalgebruik heeft er ook aan meegewerkt. Ik vind het altijd veel prettiger om te weten wat een ander vindt. Wel is het zo dat de politiek in het leven van mensen een veel minder grote plaats inneemt dan vroeger. Kijk naar de ledentallen van partijen. Kijk naar de opkomst bij verkiezingen. Stel je voor, in Groningen debatteerde ik nog met Den Uyl en daar kwamen 3000 studenten op af. Die konden de zaal niet eens in, zodat we in twee sessies moesten debatteren.”

En nog zichtbaar nagenietend: “Het liep tegen Sinterklaas. Gelooft u daar nog in?, riep ik de zaal in. Nou dáár zit 'ie, zei ik op Den Uyl wijzend, de biefstuksocialist. En dan te bedenken dat hij vlak voor zulke bijeenkomsten niet meer at dan een gevulde koek.” Mijmerend: “Bij professor Lipschitz, die de happening georganiseerd had, hebben we nog gezellig wat nagepraat. Kregen we biefstuk met brood.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden