Bisschop Wiertz: Er zijn weinigen die me een dodelijke steek willen geven

Ruim twee jaar geleden werd mgr. Frans Wiertz de nieuwe bisschop van Roermond. In het door de straffe periode Gijsen ernstig verdeeld geraakte rooms-katholieke Limburg riep hij op tot openheid, loutering en verzoening. Waait er inderdaad een nieuwe wind door het meest zuidelijke bisdom van Nederland? Is Roermond zijn status aparte in de Nederlandse kerkprovincie kwijt? Een impressie in twee delen. Vorige week vrijdag deel één. Vandaag in gesprek met de bisschop en enkele nauw betrokkenen: wat voor kerk willen zij en wat is daarin de rol van priesters, leken èn pastorale werkers?

Wiertz (53) herinnert zich die woorden nog goed, zo zegt hij in de werkkamer van zijn paleis. Maar wie er een veroordeling van de toenmalige bisschop Gijsen, Wiertz' voorganger, in ziet, heeft het mis. “Als je goed leest, zie je dat ik me niet tegen één richting keer. Ik wilde zo de agressie van beide kanten aanklagen.” Spijt heeft hij niet. “Het was een emotionele noodkreet.”

Hij heet vriendelijk, nuchter, een radde prater. Al die karakteristieken kloppen, zo blijkt. Maar Wiertz is niet 'de lachende bisschop' die kardinaal Simonis twee jaar terug beloofde. De borstelige wenkbrauwen fronst hij vaak. Hij schuift op en neer in zijn stoel, spreekt vlot maar vol ernst en kiest woorden zorgvuldig. Het blijft bij één goede sigaar.

Op de vraag hoe het bisschop-zijn bevalt klinkt het weinig enthousiast: “Ik ben niet somber geworden, geen ongelukkig mens.” Ook zegt hij enkele keren zinnen als 'daar heb ik mee leren leven' en 'nu ben ik aan de kritiek gewend'. Was het zo zwaar? Hij viel 15 kilo af. “Het kan onderhuids meegespeeld hebben, maar het kan net zo goed van het kloosterlijke ritme hier komen. De zusters brengen eten op vaste tijden, ik ga vroeg naar bed en sta vroeg op.”

Inpalmen Dat hij het bisdom ontspanning heeft gebracht, erkent iedereen. Maar waar staat Wiertz voor? Hoe ziet zijn kerk eruit? In 1973 werd hij tot de progressieven gerekend. Hij zou zich daarna door Gijsen hebben laten 'impalmen' - reden waarom hij wel opportunist is genoemd. Maar die kenschetsen zeggen hem niets. Wiertz wil niet 'in kampen denken'. “Wel ben ik in de loop der jaren het goede aan het beleid van mijn voorganger beter gaan zien.”

“Ik heb namelijk zelf geleidelijk het sacramentele meer ontdekt, de genadewerking van de sacramenten, waarbij een mens zich laat doorlichten door de onzichtbare God. Ik ben ging inzien dat niet alles maakbaar is, dat je niet altijd kunt roepen: 'daar heb ik recht op'. Je moet je openstellen voor geloven. En dat is een vrij hulpeloze gewaarwording.”

Tezelfdertijd begon hij de nadelen van de beweging voor vernieuwing te zien. “Ik ging me aan het subjectivisme storen, waarbij je elk je eigen god in elkaar zet. Aan het teveel aansluiten bij de noden van de dag. Het idee dat je in de kerk beslist door simpel de neuzen te tellen. Al die zaken ervoer ik, toen ik nog pas priester was, als weldaad, maar later zag ik hoe vergruizend ze werkten.”

Teveel aansluiten bij de noden van de dag - moet de kerk het venster op de wereld weer op een kier zetten? “Zeker niet, het heeft meer met een pendelbeweging te maken. We hebben een tijd achter ons waarbij het eerste gebod (gericht op de ene God, red.) helemaal ondergeschikt was aan het tweede (gericht op de naaste, red.). Nu zwaait die naar één kant doorgeslagen pendel weer terug. De twee geboden horen bij elkaar, maar staan wel naast elkaar.”

Maar of de klepel voor prof. Piet Stevens op dezelfde plek hangt, valt te betwijfelen. Hij is directeur van het UTCP, het Universitair Centrum voor Theologie en Pastoraat te Heerlen, waarmee Gijsen niets te maken wilde hebben. Zijn visie: “Engageer je, neem een plaats in bij het maatschappelijk debat. Maar neem ook tijd om vanuit de traditie van de Openbaring te reflecteren op je positie. Dat is nieuw, omdat de kerk zijn oude invloed kwijt is.”

In zijn recente biografie van Johannes Paulus II stelt Tad Szulc dat de paus zich ermee verzoent heeft dat de kerk in de toekomst slechts een groep getrouwen is. Wiertz gelooft er niets van: “De kerk heeft zulke vitale gebieden: Afrika, Azië, delen van Oost-Europa. Voor mij was dat één van de waardevolste momenten in die twee jaar: het bijwonen van de bisschoppensynode te Rome bijwonen en er de wereldkerk meemaken. Dat heeft me gelatener gemaakt. Onze armoede is tenslotte die van de wereldkerk, maar ik voel hun rijkdom nu ook als iets van ons.”

Maar de Limburgse en Nederlandse kerk, gaat het beeld daar wel op? Nadenkend: “Wellicht.” Dan aarzelend: “Alhoewel, we zijn verwend door de nagenoeg maximale kerkbezetting van rond de oorlog. Maar in vroeger tijden was de situatie ook niet altijd positief. Bisschop Van Bommel schreef de vorige eeuw heus niet al die herderlijke brieven over kerkbezoek op zondag omdat iedereen trouw elke week ging.”

Zijn toon wordt steeds stelliger: “En ook nu zijn we nog niet aan het einde van ons latijn. Uit de laatste cijfers, blijkt dat in dit bisdom negentig procent van de kinderen wordt gedoopt. Dat toont aan dat de mensen nog altijd een band met de kerk voelen. Dat geeft mij hoop dat ze ook tot geloof zullen komen.” Wat later vergelijkt hij de kerk met 'een bos dat langzaam groeit'.

Ontstellend Daarmee vergeleken klinkt Matthieu Gubbels, voorzitter van de Vereniging van Pastoraal Werkenden (VPW), die Gijsen ook buiten de deur hield, somberder. “De nood wordt steeds groter. Wij leggen ons er niet bij neer, maar kunnen het niet alleen. Ook wij zijn voor de toekomst van de bisschop afhankelijk. Wij zijn bereid tot een officieel gesprek, maar hij gaat dat niet aan.”

Gubbels' zorg wordt vooral ingegeven door het “ontstellend gebrek aan goed kader in het bisdom”. Kerkhistoricus Piet van den Baar deelt die zorg. Hij is de auteur van de recent verschenen biografie van Frans Hennissen, deken van Gulpen en vaandeldrager van de stroming die voor democratisering ijverde en een volwaardige plaats voor leken. “Er is al een hele generatie verloren. En het meest wringende probleem, de inschakeling van pastorale werkers, pakt Wiertz niet aan.”

Of is er daar ook een opening? Gijsen wilde ondanks het snel dalende priestertal absoluut geen pastoraal werkers - onder meer van het UTCP - in parochies en zond donderende brieven naar de r.-k. instellingen, die hen toch aannamen. Hij zag hen als breekijzer naar een lekenkerk. En Wiertz? Ook hij benoemt geen pastoraal werkers in parochies. Maar in de instellingen “worden ze nu gedoogd”, zegt Gubbels.

Maar of op dit punt verdere toenadering mogelijk is, blijft de vraag. Dit najaar begon het bisdom namelijk de deeltijd-opleiding Kairos - Grieks voor 'het geschikte moment'. Die leidt in vier jaar vrijwilligers op tot catechisten, een ambt dat van de Derde Wereld is afgekeken. Zij moeten in parochies een deel van de pastoorstaak overnemen. De aanmelding was succesvol: zestig werden er toegelaten.

Zijn catechisten een alternatief voor pastorale werkers? Volgens de directeur van Kairos, prof. J. van der Vloet zijn ze niet te vergelijken. “Catechisten krijgen geen academische vorming. Het blijven vrijwilligers. Maar we nemen hen wel serieus. Ze worden echt aangesteld.” Maar niet om parochies te leiden. “Zij werken samen met, onder begeleiding en eindverantwoordelijkheid van de pastoor.” Of toch? “We overwegen serieus de besten uit de groep te halen en hen in betaalde dienst te nemen.” De parochie moet wel willen en het geld er voor over hebben.

Trauma Hij weet ook een oplossing voor de pastorale werkers. “Die kunnen instromen via Kairos.” Daar krijgen ze vooral wat praktijkles, waarna ze - wèl onder de naam 'catechist' - alsnog de parochie inkunnen. “Aanstellen van pastorale werkers lijkt me hier niet meer denkbaar”, meent Van der Vloet. “Het is een te groot trauma uit het verleden.”

Gubbels reageert afwachtend op Kairos. Hij betreurt dat er tevoren geen overleg was. “Wiertz lijkt de discussie zo te willen ontlopen.” Maar Stevens (UTCP) ziet zeker toekomst voor de pastorale werkers. “Zij zijn nu geaccepteerd in de instellingen, dat is een doorbraak. De financiële argumenten (pastorale werkers zouden te duur zijn, red.) verdwijnen ook, wanneer de wil er is.

Maar wat vindt Wiertz? “Ik heb nooit nooit gezegd, maar nu zeker nog niet.” En: “Ik ben er niet op uit de pastorale werkers te troebleren, het is mijn eerste zorg de sacramenten door te geven. Dat vind ik zo oer-katholiek, dat kan ik niet verkwanselen. Sleutel je daaraan dan krijg je een andere kerk en dat wil ik niet.” Maar voor Van den Baar toont Kairos dat ”Wiertz in feite toch de lijn-Gijsen voortzet”.

Of de bisschop dat echt zelf wil is voor Gubbels nog de vraag. “Hij is toch de gevangene van zijn staf, die hij compleet van Gijsen heeft overgenomen.” Iets wat je in Roermond meer hoort. Bronnen rond het paleis fluisteren dat Wiertz soms fel verzet ontmoet op het groot-seminarie Rolduc. Een kring zeer behoudende leraren rond Jo Hermans, docent dogmatiek en sacramenten, zou de vernieuwing zo veel mogelijk willen tegenhouden. En zelfs bereid zijn bij een 'misstap' de eigen bisschop bij Rome aan te geven.

Maar Wiertz zegt: “Ik voel me daar niet bedreigd. Dat er een zekere spanning is naar de bisschop toe, vind ik niet abnormaal.” Even lachend: “Geloof me, er zijn er weinig die me een dodelijke steek willen verkopen. Er zijn heus dekenaten waar feller wordt gereageerd, omdat de mensen er een bepaalde kleur hebben.” In de wandelgangen gelden onder de dekens die van Gronsveld (Hamans) en Meerssen (Kirkels) als de steilsten.

Dat Wiertz geducht rekening moet houden met de 'Gijsianen' is duidelijk. Het bos dat hij in Roermond ziet groeien, mag lang niet het woud der verwachting zijn waar de progressieven op hopen, maar voor de zeer behoudenden wiedt de bisschop veel te weinig in de jonge aanplant. Voor sommigen gaat Kairos al te ver. Zij zien het spook van de lekenkerk al rondwaren.

Rechtse jongens Van der Vloet erkent schoorvoetend “dat de interne steun voor Kairos niet overal evident was. Maar de bisschop stond altijd achter me.” Dat onder andere de dekensvergadering niet onverdeeld enthousiast was, wil deken Janssen van Sittard (“Ik weet dat ze mij tot de rechtse jongens rekenen”) best toegeven. Maar het was volgens hem 'onwennigheid'. “Er zijn erbij die schrikken van alles wat nieuw is. En de naam, dat speelde ook zeker mee. 'We zijn hier toch niet in Kameroen', zei men.”

In zijn zinnen klinkt reserve tegen het beleid van Wiertz door. “Ik bid elke dag dat de verdeeldheid ophoudt, want een verdeelde kerk, daar gaat niets van uit. Zo is het mooi dat we sinds vorige week weer net als de andere bisdommen met de schoolraad samenwerken. Maar ik ben zo bang dat er niets zit achter de mooi gevel van eenheid. Gijsen had met zijn reglement gelijk, maar tja, gelijk krijgen is nog wat anders. Maar of dit zal werken..?” En over de pastorale werkers: “Misschien kan het ook wel bij de instellingen.” En daarbuiten: “Maar nee, dat kan toch niet.”

Dat de structuren in het bisdom onveranderd zijn, maakt Van den Baar op zijn beurt sceptisch. Hij zegt zeer aarzelend dat om echte vernieuwing mogelijk te maken Wiertz enkele oude kopstukken had moeten ontslaan. “De ironie is dat Gijsen precies dat deed toen hij kwam (die ontsloeg mgr. Beel en Van Odijk) en dat heb ik toèn zeer betreurd.”

Wiertz veert op als hij die opmerkingen hoort. Dat hij bijvoorbeeld vicaris Haye van der Meer, de oude rechterhand van Gijsen had moeten ontslaan, wijst hij verontwaardigd van de hand. “Ja, het zou mooi zijn, als je één geitebok bij de hoorns kon vatten om alles op te schuiven. Ik weet dat er mensen zijn die de bal van de ene goal in het andere willen leggen. Maar dat is niet het pad van het leven.”

Nogmaals benadrukt Wiertz dat hij de bestaande kloof niet kan negeren. “Dat moet toch langzaam uitgroeien.” Is iedereen er nog bij tegen die tijd? Hij zegt te hopen dat weinigen afhaken. “Maar ik denk niet dat het met iedereen lukt.”

Is bisschop-van-Roermond-zijn niet toch een kruis? Nuchter: “Dat is veel te zwaar aangezet. Wel ben ik niet het type mens dat een adrenaline-stoot krijgt, wanneer hij kan vechten. Ik kan me voorstellen dat op een gegeven moment mijn creativiteit op is. Mogelijk kan ik over zo'n jaar of 15 à 20 weer ergens pastoor worden.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden