Review

Biografie toonbeeld van Bollands eigen dialectiek

Willem Otterspeer: Bolland. Bert Bakker, A'dam; geb., 632 blz. - ¿ 75.

Maar waarschijnlijk zou Bolland Bommels logica maar plat gevonden hebben. Het dispuut tussen heer Bommel en zijn jonge vriend ging over de wijze waarop ene Lieven Brekel, symbool van voze vooruitgang, bestreden diende te worden. Bommel wilde het kwaad rechttoe-rechtaan bestrijden, Tom Poes had begrepen, dat, als je de tegenstander z'n zin gaf, deze juist zichzelf zou gaan tegenwerken. Voorwaar, een dialectische gedachtengang! En als zelfdenkende Hegeliaan was Bolland een volbloed dialecticus. Een stelling kon bij hem even waar zijn als haar tegendeel.

Reeds op jeugdige leeftijd verkeerde Johannes Bolland (*1854) in academische kringen - althans topografisch. Want de Sint-Martinuskerk, waar hij onder pastoor F. W. A. Jansen misdienaar was, stond midden tussen de Groningse universiteitsgebouwen. Zijn eigen onvoorspelbaare gang naar de katheder zou hij buiten de universiteit om maken.

Zijn vader was een waals-hervormde oud-soldaat, die een paar jaar later veldwachter zou worden. Zijn katholieke moeder reisde kermissen af met galanterieën. Misschien was dit confessioneel gemengde huwelijk niet geheel gepland, want bij de huwelijkssluiting op Eerste Kerstdag 1851 - de burgerlijke stand werkte toen kennelijk op D66-achtige tijden - was de bruid al enkele maanden zwanger.

Na de lagere school had Bolland enkele kleine baantjes, o. a. als kwekeling op een school, tot hij op zijn veertiende bij het leger ging (onwillekeurig denk je aan Colijn). De ene subordinatie volgde op de andere, tot de driftkikker tenslotte wegens mishandeling van een superieur voor drie jaar het cachot inging. Dat was zijn redding. In het gevang pakte de leeswoede hem. Twee maanden op vrije voeten haalde hij al een examen. Bolland werd hulponderwijzer, o.a. in Katwijk aan Zee, ging een jaar naar Londen en studeerde ondertussen als een gek. Hij werd een begaafd taalgeleerde. Vijf jaar na het ontslag uit de gevangenis, in 1881, vertrok hij, net gehuwd, naar Batavia. Vijftien jaar was hij daar leraar Engels aan een HBS.

In Indië greep de filosofie hem. Bolland wisselde de spraakleer in voor de redeleer. Hij werd een geestdriftig aanhanger van het pessimistische transcendentaal realisme van Eduard von Hartmann, die ook een grote invloed had uitgeoefend op Marcellus Emants ('Lilith', 1879). In De Nieuwe Gids en andere tijdschriften pende hij honderden bladzijden vol. Tevens ontwikkelde hij zich als modernistisch theoloog. Hij schreef boeken over het Johannes-evangelie en de Pentateuch. Van de historiciteit liet hij geen spaan heel; hem ging het om de diepere, symbolische betekenis. Bolland was een gnosticus.

In 1896 werd de HBS-leraar, die slechts één maand aan de universiteit van Jena had rondgelopen, out of the blue benoemd op de leerstoel voor wijsbegeerte in Leiden.

Eenmaal hoogleraar raakte Bolland volledig in de ban van het idealisme van Hegel. Hij gaf 's mans geschriften opnieuw uit. Buiten de Hegelarij, meende hij, was er slechts ezelarij.

De filosofie was nog steeds aan het afkicken van haar voormalige wetenschappelijkheid, sinds de natuurwetenschappen zich zo tussen Kant en Hegel zelfstandig gevestigd hadden. Heymans in Groningen poogde het overblijfsel te verwetenschappelijken in de psychologie.

Bolland koos een andere weg. Bij hem posteerde de filosofie zich op de plek van de theologie. Het bestaan van de ziel (dus onsterfelijkheid), de wereld en God waren altijd typisch filosofische thema's geweest, maar ze betroffen de buitenkant. Nu door het modernisme de zekerheden waren weggevallen, moest de wijsbegeerte de leegte opvullen.

Het waren Ernstige Tijden. Van een bescheiden vorm van kennis werd de filosofie bij Bolland een alomvattende- en verklarende levensbeschouwing. Als een Baron von Münchhausen probeerde hij zich aan het denken in zijn eigen schedel uit deze armelijke werkelijkheid op te tillen. Denken en zijn zijn identiek. Het onderscheid tussen objectiviteit en subjectiviteit wordt opgeheven. Het begrip is voor Bolland de absolute negativiteit, “het kenteeken der ware denkwijze, want zij is het ware zelf”. Logica is metafysica. Wat de eenvoudige van geest in de verhaaltjes van het christelijk geloof zoekt, dat vindt de ware wijze in de idee, de zuivere redelijkheid. Zijn gnostiek duidde Bolland aan als de 'oude theosofie'. Fel trok hij van leer tegen moderne concurrenten als vrijmetselaars, reinlevers, theosofen (een heel boek tegen Blavatsky) en andere Aleid Schilderachtige types.

In het maatschappelijk debat liet hij alle dialectische subtiliteit varen. Als nationaalliberaal keerde hij zich fel tegen bewegingen die reactionair waren - katholicisme, neocalvinisme - of de maatschappij alleen maar naar beneden haalden - socialisme en jodendom. Ja, Bolland was een anti-semiet. En zo is hij bekend gebleven. Edoch, net als bij Hegel stoven zijn leerlingen zowel naar links als naar rechts. En de linkse kuikens - Henri van den Bergh van Eysinga, Clara Wichmann bijvoorbeeld - waren waarschijnlijk in de meerderheid.

Bolland had altijd gelijk. Met zijn collega's lag hij gemeenlijk overhoop. “Jij bent gek of ik ben gek” hoorde Carel Gerretson op het Leidse perron de theoloog Chantepie de la Saussaye tegen Bolland zeggen. Bolland vond De la Saussaye heel erg dom. Hij stapte trouwens vaak in de trein, want in diverse universiteitssteden gaf hij colleges voor devote aanhangers, onder wie disproportioneel veel vrouwen (die hij onder beroep op Freud overigens geneigd tot alle hysterie achtte).

Goed dialectisch heeft de hoogdravende Bolland in Willem Otterspeer een uiterst laconieke, luchthartige en luimige biograaf gevonden (zodat het boek nu eens echt literatuurwetenschappelijk verantwoord in de geest van de lezer op een hoger plan voltooid kan worden). In de prachtige literaire inkleding herken je de auteur van de roman 'Zo'n vreemde drang van binnen' (1985). Het boek leest als een trein. Koop het vooral, als u niet in Bolland geïnteresseerd bent.

Otterspeer had een rijk Bolland-archief bij de hand. Dat heeft hem er kennelijk van weerhouden vaak naar andere bronnen te speuren. Het verhaal over Bollands Groningse jeugd lijkt voornamelijk op een rapport van een S. J. Bouma uit 1956 gebaseerd te zijn. Otterspeer wil een schelmenroman schrijven en daarom moet hij Bolland wel een 'een bizarre jeugd' toeschrijven. Mij lijkt het een doodnormale jeugd. Armoede was toen nog heel gewoon, zij het niet voor professoren in de dop.

Bolland werd pas na vijftien dagen katholiek gedoopt. Een verhaal wil, dat volgens de afspraak de jongetjes protestants gedoopt zouden worden, maar dat een tante hem stiekem naar een priester bracht. Zou kunnen. Maar hij moet toen al lang bij de burgerlijke stand (door zijn protestantse vader?) zijn aangegeven als Gerardus Johannes Petrus Josephus. Dat klinkt knap rooms. De heilige Jozef had een goede naam in Groningen. Waarom gaat Otterspeer niet even na, of de namen al dan niet uit familiaire vernoeming verklaarbaar zijn?

En als Bolland zich in 1880 remonstrants noemt, waarom dan niet even vermeld, dat hij zich daarmee aansloot bij een vrijzinnige groep die twee jaar eerder onder ds. Mosselmans de hervormde kerk had verlatent? Het beeld van Bollands geestelijke Werdegang zou zo scherper geworden zijn.

Lezen wij tot slot uit 'De Boeken der Spreuken' van Bolland, het eerste boek, het 127ste vers: “Het menschelijk denken is volledige nietigheid in levenden lijve”. Bolland had echt altijd gelijk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden